Showing posts with label peter muller. Show all posts
Showing posts with label peter muller. Show all posts

July 30, 2019

Steuerberater auf Curacao

Lieben Sie es auch so hier auf Curacao.?Sie haben einen Haus auf Curacao gekauft oder ueberlegen vielleicht um das zu tun. Oder Sie wollen vielleicht umsiedlen nach Curacao. Haben Sie Curacao durch einen Kreuzfahrt kennengelernt?

Wenn Sie schritte in dieser Richtung machen dann muessen Sie viele Fragen haben.

Wie mache ich alles Korrekt im Deutschland im Bezirk auf Besteuerung?

Auf welche Art und Weise mache ich das auf Curacao. Was sind die steuerliche moeglichkeiten auf Curacao?

Und kann ich ohne Niederlaendisch oder Englisch zu reden doch geholfen werden auf Curacao?

Ja das kann. Rufen Sie uns an oder schreiben Sie einen Email. Wir sind Ihnen gerne behilflich.

Muller & Associates wurde in 2001 von Peter Muller auf Curacao gegruendet. Es gibt eine zweite Kanzlei auf Bonaire. Peter hat Jura studiert in den Niederlanden (Groningen, 1993) mit spezialisation auf Steuerrecht. In 1995 hat Peter sich entschieden auf Curacao zu leben.

Peter kennt sich aus mit dem Steuerrecht auf alle Inseln im Karibik die zum Niederaendischen Koenigreich gehoeren. Wir machen die Steueranzeigen, schreiben beschwerde wenn die Anschlagen nicht stimmen, beraten und prozedieren auch vor dem Gericht. (Peter is da zugelassen.)
Peter ist in de Niederlanden geboren. Sein Urgrossvater war aber Deutsch.
Neben Deutsch spricht er Niederlaendisch, Englisch, Spanisch und Franzoesisch. Manche Deutschsprachige Mandanten haben den Weg zu seiner Kanzlei gefunden.


September 12, 2014

Deutschprachige Kunden

Waehrend den letzten Wochen koennten wir 4 neue Kunden begruessen aus Oesterreich, Der Schweiz und der Bundesrepublik.

Wir sind Superstolz das wir in dem Niederlaendischen Karibik zustaendig sind um Deutschprachigen in ihre eigene Sprache zu zutreten und behilflich zu sein.

August 10, 2014

Jort Kelder op Curacao

Gistermiddag -het was zaterdag- zat ik wat te stoeien op het internet en kwam bijgaand filmpje tegen:

Belastingadvies op Curacao

Jort Kelder, iemand die beroemd is geworden toen hij hoofdredacteur van de Quote was en naar ik meen vanwege een relatie met een fraaie BN-er gaat op onderzoek uit naar belastingbesparing. Hij spreekt met twee mensen uit de trustsector (de beroemde Greg Elias heeft ze ooit trustboeren genoemd en dat mag omdat hij dat zelf ook is) en een belastingadviseur van KPMG. De mensen uit de trust weten eigenlijk meteen wat er moet gebeuren zonder dat ze veel inzicht krijgen in de financiële positie van heer Kelder. De belastingadviseur, de heer mr. Wendell Meriaan van mijn overburen KPMG, is veel voorzichtiger en houdt wat slagen om de arm. Hoewel ik natuurlijk liever geen reclame maak voor KPMG gaat mijn voorkeur wel uit naar de insteek van Meriaan.

Tot achterin de negentiger jaren van de vorige eeuw werden door trustboeren en belastingadviseurs standaardadviezen verstrekt aan hun (potentiële) cliënten. Aangezien ik in 1995 op Curaçao ben beland heb ik dat nog van dichtbij meegemaakt. Door wetswijzigingen op Curaçao en in bijvoorbeeld Nederland is het tegenwoordig niet heel verstandig om nog standaardadviezen te verstrekken. Het is maatwerk en daarom zie je dat Meriaan zich heel voorzichtig uitlaat. Mocht u geïnteresseerd zijn in belastingbesparing waarin bijvoorbeeld Curaçao een rol in kan spelen wil u ook dan ook aanraden om u in eerste instantie tot een belastingadviseur te wenden. De latere invulling kan dan door een trustkantoor worden uitgevoerd.



July 24, 2014

Wees voorbereid/ korte maar belangrijke mededeling van onze of counsel mr Leo Delfgaauw

Wees voorbereid.


Van het concert des levens heeft niemand een programma, is een tegeltjeswijsheid waarvan de juistheid de afgelopen week op gruwelijke wijze weer duidelijk is geworden.

Zowel voor ondernemers, werknemers als particulieren geldt dus: bedenk eens wat de achterblijvers allemaal moeten weten als je van het ene op het andere moment er niet meer bent en ook nooit meer terugkomt.

Het gaat dan niet alleen om wachtwoorden van allerlei apparaten (pc, laptop, telefoon), maar ook van cruciale bestanden (belastingdienst) of (virtuele) opbergplaatsen (shurgard of dropbox). Hoe komt men bij de saldi op bankrekeningen, die met name bij de kleine onderneming of in de privésfeer acuut beschikbaar moeten zijn. Waar liggen de verzekeringspolissen, testamenten, huwelijksvoorwaarden, personeelsdossiers, recente boekhouding en dergelijke.

Doe dus het volgende.
1.      Maak een document waarin het antwoord op de hierboven gestelde vragen staat
2.      Deponeer dat document als papier en/of elektronisch (op een usb-stick maar dan zonder wachtwoord)  in een verzegelde envelop bij een vertrouwensman, bijvoorbeeld een notaris, accountant of advocaat. Notarissen hebben speciale deponeringsaktes daarvoor.
3.      Geef die vertrouwenspersoon instructie onder welke omstandigheden hij in bijzijn van wie de envelop mag openen en de inhoud mag afgeven.
4.      Laat aan een aantal personen in de omgeving weten dat het stuk daar ligt en in welke gevallen van nood het kan worden geraadpleegd.
Zorg voor een regelmatige actualisering.
Het kost even moeite maar het maakt in ieder geval de zoektocht van de nabestaanden een stuk gemakkelijker.

Leo Delfgaauw

Advocaat en belastingadviseur




June 28, 2014

inkeerregeling

Maandag loopt in Nederland een soepele inkeerregeling af. Vanaf september vorig jaar heeft dat de Nederlandse staat al zo een 675 Euri opgelevered. Op Curacao heeft een soepele regeling vreemd genoeg maar weinig opgeleverd als ik de betrokken belastingambtenaren mag geloven. Wij hebben de nodige nieuwe en bestaande clienten begeleid bij het opgeven van verzwegen inkomsten. Voor nieuwe clienten is dat op zich minder problematisch dan voor bestaande clienten. Een kantoor in Nederland beschreef het dilemma van de belastingadviseur als een spagaat. Want uiteraard wil je je bestaande clienten niet kwijtraken, anderzijds wil je ook niet beschuldigd worden als medeschuldig aan een strafbaar feit zoals witwassen. Voor de bestaande clienten die bij ons kwamen opbiechten hebben wij dan ook aangegeven dat er geen middenweg was. Du moment dat wij op de hoogte werden gesteld van verzwegen inkomsten hebben wij aangegeven dat dit ofwel opgegeven moest worden of dat uitgekeken moet worden naar een andere belastingadviseur. Gelukkig hadden de bestaande clienten wijsheid om ons advies op te volgen. De nieuwe clienten zijn client gebleven. De soepele inkeerregeling was op Curacao van tijdelijke aard. De algemene inkeerregeling bestaat echter nog steeds en wij hebben nu de kennis en ervaring om u daarin bij te staan. Een woord van waarschuwing, de inkeerregeling kan enkel toegepast worden als de fiscus nog niet wist -cq kon weten- dat u inkomen heeft verzwegen. Het initiatief ligt derhalve bij de zwartverdiener.
Een andere ervaring die ik graag met u wil delen is de volgende. Velen die inkeren zijn op leeftijd en zij willen hun zaakjes geregeld hebben voor het tijdelijke met het eeuwige wordt verwisseld. Daarmee voorkomt u dan meteen dat u uw kinderen zwart geld laat erven en daarmee voor de soms diabolische keuze worden gesteld welke actie te nemen. Indien er nog een overblijvende echtgenoot of echtgenote is en er zijn meerdere kinderen is er weinig fantasie nodig om je van de discussies in de familie een voorstelling te kunnen maken.

June 12, 2014

Voor de VS is Nederland hét favoriete belastingparadijs

Voor de VS is Nederland hét favoriete belastingparadijs

Door: Sybren Kooistra, Gerard Reijn − 11/06/14, 04:00
© AFP. In Engeland was er grote ophef toen bleek dat de koffieketen Starbucks zijn winst grotendeels doorsluisde naar Nederland, alwaar er nauwelijks belasting over wordt betaald.
Nederland is niet zomaar een belastingparadijs voor Amerikaanse multinationals, het is hét belastingparadijs. Er is geen land waar om fiscale redenen zo veel geld naartoe wordt gesluisd als Nederland. De 500 grootste Amerikaanse ondernemingen, de Fortune 500, stalden in 2010 127 miljard dollar (93 miljard euro) fiscaal vriendelijk in Nederland.
  • © reuters.
    De Amerikaanse supermarktketen Walmart staat op nummer één in de Fortune 500-lijst met een omzet van bijna een half biljoen dollar.
Daarmee was Nederland veel populairder dan beruchte belastingparadijzen als Bermuda (94 miljard dollar) en de Kaaiman Eilanden (51 miljard). Er is ook geen land in de wereld dat van zoveel multinationals een of meer bv's heeft. Van de Fortune 500 heeft 48 procent een of meer bv's in Nederland. Naaste concurrenten zijn Singapore (42 procent) en Hongkong (40 procent).

Dat blijkt uit onderzoek van twee Amerikaanse organisaties dat vorige week werd gepubliceerd. Het gaat om Citizens for Tax Justice (CTJ) en de Public Interest Research Group PIRG, activistische groepen die stammen uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. In hun rapport The Offshore Shell Games stellen zij dat de Fortune 500-bedrijven dankzij belastingparadijzen jaarlijks 90 miljard dollar aan Amerikaanse belastingen weten te ontwijken.
Notoire belastingparadijzen
Volgens het onderzoek boekten alle Amerikaanse multinationals samen in 2010 929 miljard dollar aan winsten bij hun overzeese dochters. Daarvan kwam 505 miljard terecht bij twaalf 'notoire belastingparadijzen'. De 127 miljard die Nederland binnenhaalde komt overeen met 16 procent van het nationaal inkomen.

Het ministerie van Financiën wijst erop dat Amerikaanse bedrijven hier niet alleen om fiscale redenen zitten, maar ook echt actief zijn met productiebedrijven, hoofdkantoren en distributiecentra die goed zijn voor duizenden banen. Dat verklaart echter slechts een klein deel van de 127 miljard uit het rapport. Uit eerder onderzoek werd al bekend dat door Nederlandse brievenbusmaatschappijen jaarlijks 12 duizend miljard euro vloeit, twintig keer het bruto nationaal inkomen.

Vorig jaar kwam de ontwikkelingsorganisatie Action Aid met een soortgelijk onderzoek naar de fiscale constructies van 100 grote Britse bedrijven (de FTSE 100). Daarin bleek alleen de kleine Amerikaanse staat Delaware populairder dan Nederland. Nederland huisvestte van die 100 bedrijven maar liefst rond 1.200 bv's.
  • © photo news.
    De Britse Maagdeneilanden, een befaamd belastingparadijs.
Nederland staat al langer te boek als belastingparadijs, zelfs zozeer dat de Tweede Kamer een motie aannam waarin werd gesteld dat Nederland geen belastingparadijs mag worden genoemd.

Dubbele belastingheffing
Nederland is populair omdat het met heel veel andere landen verdragen heeft gesloten tegen dubbele belastingheffing. Nederland is daardoor een draaischijf geworden tussen belastingparadijzen en multinationals. Verder heft Nederland geen belasting op royalties, zoals inkomsten uit de exploitatie van merken.

Belastingfaciliteiten zoals die in Nederland zijn steeds meer in opspraak gekomen. Zo was er in Engeland grote ophef toen bleek dat de koffieketen Starbucks zijn winst grotendeels doorsluisde naar Nederland, alwaar er nauwelijks belasting over wordt betaald.

De Nederlandse belastingfaciliteiten hebben ook de aandacht getrokken van de Europese Commissie. Die zal waarschijnlijk, mogelijk al vandaag, besluiten een onderzoek in te stellen. Anderzijds is staatssecretaris Wiebes van Financiën juist beducht dat Nederland zijn voorsprong kwijtraakt. Toen Starbucks in april bekendmaakte zijn hoofdkantoor uit Nederland over te brengen naar Londen, stelde Wiebes dat Engeland druk bezig was Nederlands fiscale voortreffelijkheden te kopiëren.

(Reblog van de Volkskrant van 11 juni 2014)

June 05, 2014

Vermogensetikettering blijft ons bezighouden.

Toepassing foutenleer ten onrechte afgewezen

woensdag 4 juni 2014 Giniraynha Poulina 164x gelezen
Bij de berekening van de stakingswinst die is behaald op een bedrijfspand kan de fiscus niet zomaar ervan uitgaan dat het gehele pand behoort tot het ondernemingsvermogen. Het pand kan immers in de loop der jaren ook voor privédoeleinden worden gebruikt. Dit kan worden rechtgezet door toepassing van de foutenleer.
De eigenaar van een glashandelbedrijf spande een rechtszaak aan tegen de fiscus toen hij een aanslag inkomstenbelasting over 2005 inclusief boete kreeg opgelegd. In geschil was of het pand waarin de man zijn glashandel dreef geheel of slechts voor een deel behoorde tot het ondernemingsvermogen. Dat was van belang voor de berekening van de stakingswinst. Volgens het hof had de man zijn onderneming in 2005 geheel gestaakt. Een gemachtigde van de man had namelijk eerder verklaard dat de onderneming per 1 januari 2006 was overgegaan op de zoon. Het hof vond het aannemelijk dat voorafgaand aan die overname al stappen waren ondernomen om tot staking van de onderneming te komen. Nu vaststond dat de staking al in 2005 had plaatsgevonden, onderzocht de rechter vervolgens of het pand tot het ondernemingsvermogen behoorde. De man had het gehele pand vanaf het moment van aankoop aangemerkt als ondernemingsvermogen. Hij woonde zelf op de bovenverdieping, een deel van de begane grond werd gebruikt voor de onderneming en het andere deel werd verhuurd (keuzevermogen). De rechter was het met de man eens dat door het aanmerken van het woongedeelte als ondernemingsvermogen en niet als privévermogen de grenzen der redelijkheid waren overschreden. De inspecteur had het beroep van de man op de foutenleer dus ten onrechte afgewezen. Dit leidde echter niet tot een vernietiging van de aanslag, want de man kon niet aannemelijk maken dat de aanslag te hoog was vastgesteld. De door de rechter berekende stakingswinst op het pand en het belastbare inkomen uit werk en woning bedroegen zelfs meer dan de ambtshalve vastgestelde bedragen.


Reblog van: http://www.taxence.nl/fiscaal-nieuws/nieuws/uitgelicht-homepage/toepassing-foutenleer-ten-onrechte-afgewezen.79095.lynkx?utm_campaign=05juni2014&utm_content=Nieuws&utm_medium=email&utm_source=

DE INSTEEK VAN MULLER & ASSOCIATES:

Als eerste is van belang om te vermelden dat het hier om een eenmanszaak gaat. Een vennootschap wordt namelijk altijd geacht met zijn gehele vermogen een onderneming te drijven. Met andere woorden indien dit pand eigendom zou zijn van een vennootschap zou bovenstaande discussie niet opdoemen. Het geeft wel aan dat een goede planning vooraf een boel ellende kan voorkomen. U kunt u namelijk voorstellen dat de Glashandel in kwestie nu een boel centjes kwijt is aan deze procedure. Voorkomen is beter (en goedkoper) dan genezen!

June 03, 2014

Certificering van aandelen (familiebedrijven)

Probleem bij familiebedrijven:
Wanneer bij overlijden van de directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een BV of NV de erfgenamen de aandelen van deze DGA erven, komt vaak de continuïteit van de onderneming in gevaar. Door het verkrijgen van deze aandelen krijgen de erfgenamen – of zij nou wel of niet betrokken zijn (geweest) bij de onderneming -  zeggenschap in de onderneming. Het hebben van meerdere kapiteins op één schip, kapiteins met allemaal hun eigen belang en niet persé dat van de onderneming voorop, vormt een groot risico voor de continuïteit van het bedrijf. Immers, kinderen en andere familieleden zonder band met het bedrijf zouden kunnen eisen dat de volledige winst zou worden uitgekeerd.

Oplossing:
De oplossing voor bovenstaande probleemstelling is het certificeren van aandelen.
Certificering van aandelen maakt het mogelijk de winstrechten los te koppelen van de zeggenschapsrechten. Door certificering kan worden voorkomen dat bijvoorbeeld kinderen/erfgenamen die niet in de onderneming werkzaam zijn (en derhalve geen zicht hebben op het reilen en zeilen van de organisatie), ineens wel invloed hebben op het beleid van de onderneming. Terwijl deze erfgenamen anderzijds toch profiteren van de winst die de onderneming maakt.
Anders gezegd: de erfgenamen hebben wel recht op dividend, maar hebben geen zeggenschap in de onderneming.

Hoe gaat dat in de praktijk?
De aandeelhouder draagt zijn aandelen over ten titel van beheer aan een speciaal daartoe in het leven geroepen Stichting Administratiekantoor (StAk). De StAk geeft in ruil daarvoor certificaten van aandelen uit aan de oorspronkelijke aandeelhouder, thans certificaathouder. De oude aandeelhouder heeft zijn stemrecht overgedragen aan de stichting. Het stichtingsbestuur, dat wordt samengesteld door de DGA zelf, kan daarmee beslissen over het wel en wee van de onderneming. Omdat het bestuur is samengesteld uit mensen die (vaak) meewerken in maar in ieder geval betrokken zijn bij het bedrijf, zullen zij de continuïteit van het bedrijf hoog in het vaandel houden. Het is daarbij wel van belang met niet-royeerbare certificaten te werken; deze kunnen niet zonder instemming van het bestuur worden omgewisseld voor aandelen. Royeerbare certificaten kunnen te allen tijde worden omgewisseld, waardoor de opzet zou mislukken.
   
Decertificering van aandelen:
In geval van decertificering draagt het StAK de gecertificeerde aandelen weer over aan de certificaathouder, die dan weer aandeelhouder wordt en alsdan weer zijn stemrecht zal kunnen uitoefenen. In geval van niet-royeerbare certificaten is hierbij toestemming van het bestuur van de SA vereist, bij royeerbare certificaten kan dit dus zonder toestemming van het bestuur gebeuren.


Overigens kunnen op dezelfde wijze ook andere vermogensbestanddelen worden gecertificeerd. Het is bekend dat sommige kunstverzamelingen zijn gecertificeerd en ook met onroerende goederen komt dit regelmatig voor. Bedoeling daarvan is telkens om “de boel bij elkaar te houden” danwel belanghebbenden een stuk zeggenschap met betrekking tot het bezit te ontnemen zonder ook meteen de vruchten van het bezit aan hen te onttrekken.

May 19, 2014

Beslag op salarissen (2)


En dan het bizarre vervolg op de beslaglegging op de salarissen. Minister-President Asjes heeft klaarblijkelijk in wat volkse bewoordingen de Ontvanger teruggeroepen. Niet vis a vis maar tijdens een bijeenkomst van zijn partij. Asjes is nu klaarblijkelijk van mening dat indien de Ontvanger zijn werk doet hij een aanval doet op de regering. Een onbegrijpelijk standpunt wat mij betreft. Naar ik vermoed heeft de Ontvanger een schot voor de boeg gegeven om inkomsten voor de overheid te genereren. Aangenomen mag worden dat de Ontvanger ook wel weet dat 80 duizend beslagleggingen wat moeilijk te  verwezenlijken zal zijn. Dus de uitvoerende overheid waar Asjes deel van uitmaakt, gaat nu een ander deel van de overheid dat er voor zorg moet dragen dat er inkomsten binnenkomen, voor de voeten lopen. Begrijpt u het nog?

January 08, 2014

Nieuwe bilaterale regeling tussen Nederland en Curaçao, alsmede toepassing artikel 35a huidige BRK in 2016












Nieuwe bilaterale regeling tussen Nederland en Curaçao, alsmede toepassing artikel 35a
huidige BRK in 2016


1. Inleiding 

In december 2013 is tussen Curaçao en Nederland overeenstemming bereikt over de tekst van een
nieuwe bilaterale regeling ter voorkoming van dubbele belasting tussen beide landen. Bedoeling is
dat deze nieuwe bilaterale regeling de huidige uit 1964 daterende Belastingregeling voor het
Koninkrijk (BRK) in de verhouding Nederland- Curaçao gaat vervangen.
De nieuwe bilaterale regeling zal de formele status krijgen van een Rijkswet. Alvorens de nieuwe
bilaterale regeling toepassing kan vinden, dient het parlementaire traject in beide landen doorlopen
te zijn. De verwachting is dat de nieuwe bilaterale regeling vanaf 1 januari 2015 zal gaan gelden.

2. Hoofdlijnen uit de regeling en toepassing artikel 35a huidige BRK

  Tot 5 jaar na emigratie kan erf- en schenkingsrecht worden geheven onder verrekening van
de heffing in het andere land (subsidiair heffingsrecht);

  Nederland en Curacao zullen (automatisch) informatie uitwisselen conform de internationale
standaard;

  naast een bronheffingspercentage voor dividenden van 15 procent zal er voor actieve
vennootschappen een nulprocenttarief komen op deelnemingsdividend. Hierbij zal worden
voorzien in een zogenoemde ‘limitation on benefitsbepaling’;

  voor bestaande participaties van ten minste 25 procent die niet in aanmerking komen voor het
nulprocenttarief geldt tot uiterlijk eind 2019 een bronheffingspercentage op
deelnemingsdividenden van 5 procent;

  voor niet overheidspensioenen geldt een gedeeld heffingsrecht met een bronstaatheffing van
15% in combinatie met eerbiedigende werking (woonstaatheffing) voor ingegane pensioenen
van Nederlanders  die  reeds op Curacao wonen;

  een bronstaatheffing voor de beloningen van sporters en artiesten;

  een bronstaatheffing voor beloningen voor het verrichten van diensten langer dan 183 dagen
(service PE);

  een bronheffingsrecht voor dividenden en vervreemdingswinsten over voor emigratie
opgebouwde aanmerkelijk belangwinsten;

  een regeling gericht op zogenoemde hybride entiteiten;

  een regeling voor onderling overleg met de mogelijkheid van (verplichte) arbitrage;

  in 2014 blijft, vooruitlopend op de nieuwe bilaterale regeling, artikel 35a van de huidige BRK
achterwege met betrekking tot de toepassing van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969, met dien verstande dat dit laatste artikel niet wordt
toegepast. 

November 27, 2013

EEN GOED VERZORGDE OUDE DAG



Memorandum inzake Beschikking Pensioen



Bij Ministeriele Beschikking met algemene werking van 29 juli 2000 (Pb 2000, No 76 is de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 ingrijpend gewijzigd. Vervolgens hebben deze wijzigingen bij Landsverordening van 3 augustus 2001 (Pb, 94) kracht van wet gekregen. Ook zijn door de wetgever in de Landsverordening op de loonbelasting 1976 wijzigingen aangebracht. Onder meer zijn de artikelen 6A en 6B ingevoegd welke een kader scheppen voor een wettelijke regeling omtrent pensioenen. Dit kader is bij Publicatieblad No 35, 2002 (Beschikking pensioenen) nader ingevuld. Onderstaand wordt op deze regeling nader ingegaan.

Artikel 6A geeft een definitie van een pensioenregeling welke er op neer komt dat een dergelijke regeling ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit of ouderdom alsmede van hun nagelaten betrekkingen. Verder mag een pensioenregelingen niet uitgaan boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk wordt geacht. Tevens dient het lichaam dat als pensioenverzekeraar optreedt de pensioenverplichting tot haar binnenlandse ondernemingsvermogen rekenen.

Lid 2 van artikel 6A geeft dan aan de Minister van Financien de bevoegdheid om nadere regels te geven omtrent het hierboven genoemde en om onder voorwaarden een afwijkende regeling toch als een pensioenregeling in de zin van artikel 6A aan te wijzen.

Artikel 6B bepaalt welke gebeurtenissen aanleiding geven om de pensioenaanspraak aan te merken als loon. Dit doet zich voor bij afkoop en vervreemding en ingeval de regeling voorwerp van zekerheid wordt; de verzekeraar ophoudt binnen de Nederlandse Antillen te zijn gevestigd dan wel het pensioenvermogen niet langer (geheel of gedeeltelijk) tot het binnenlands pensioenvermogen rekent; aan aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt prijsgegegeven.

Afkoop wordt niet getroffen door het hierboven bepaalde indien de pensioenverplichting geheel of gedeeltelijk overgaat naar een binnen de Curacao gevestigde pensioenverzekeraar die de verplichting tot zijn binnenlands ondernemingsvermogen rekent. Onder voorwaarden kan de Minister van Financien dit ook van toepassing verklaren, zo bepaalt lid 3 van artikel 6B, op pensioenverplichtingen welke geheel of gedeeltelijk overgaan op een in Nederland, Aruba dan wel een verdragsland gevestigde verzekeraar.

De Beschikking pensioenen (hierna: “de Beschikking”) geeft nadere invulling aan 6A lid 2 en 6B lid van de Landsverordening op de loonbelasting 1976 (hierna: “LLB”).

De Beschikking is opgebouwd uit 16 artikelen. Artikel 1 geeft aan wie als verzekeraar wordt beschouwd. Op grond van lid 1 letter d van dit artikel kan worden geconcludeerd dat in ieder geval de opbouw in eigen beheer nog steeds mogelijk is. Expliciet is uitgezonderd dat een Stichting Particulier Fonds als verzekeraar van een pensioen kan fungeren.

Artikel 2 geeft aan wat onder een maatschappelijk aanvaardbaar pensioen dient te worden beschouwd. De navolgende criteria zijn van belang:

v  Het pensioen bedraagt maximaal 70 procent van het pensioengevend loon en wordt met een percentage van maximaal 2 per jaar opgebouwd. Er wordt een rekenrente in aanmerking genomen van tenminste 4 procent.

v  De pensioenrichtleeftijd van een ouderdomspensioen is 60 jaar en het pensioen gaat niet eerder in dan op de 55-jarige leeftijd en iet later dan op 65-jarige leeftijd.

v  Gaat het ouderdomspensioen eerder in dan bij de 60-jarige leeftijd dan wordt het pro rata herrekend met inachtneming van actuariele grondslagen.

v  Het ouderdomspensioen kan niet uitgaan boven 70 procent van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang.

v  Het weduwe-of-weduwenpensioen alsmede het wezenpensioen zijn gemaximeerd tot respectievelijk 70 en 14 procent van het ouderdomspensioen en mogen tezamen meer bedragen dan het voordien genoten pensioengevend loon

v  Een invaliditeitspensioen bedraagt maximaal 80 procent van het pensioengevend loon

v  De pensioenuitkeringen mogen in hoogte varieren ten opzichte van elkaar. De mate van variatie moet echter worden vastgesteld en verder geldt dat de laagste uitkering niet lager mag zijn dan 75% van de hoogste uikering.

v  Verder is een partnerpensioen toegestaan. Wordt er verder fiscaal enkel rekening gekeken of men gehuwd of ongehuwd is; de beschikking houdt rekening met degenen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren.

Het pensioengevend loon omvat maximaal alle structurele vaste loonbestanddelen. Expliciet is bepaald dat loon in natura eveneens hiertoe gerekend kan worden waardoor bijvoorbeeld de auto van de zaak voor 15% van de cataloguswaarde tot het pensioengevend loon kan behoren. Loonstijgingen welke zich voordoen gedurende 5 jaren voorafgaand aan de pensioendatum mogen slechts in aanmerking worden genomen tot maximaal 2% boven de gemiddelde loonindex. Dit ligt anders indien sprake is van een normale leeftijdsperiodiek of een gangbare functiewijziging. Daartegenover staat dan weer dan met een loonsverlaging wegens demotie of het aanvaarden van een deeltijdfunctie buiten aanmerking kan blijven indien deze zich voordoet binnen 10 jaren voorafgaand aan de ingangsdatum van het pensioen.

De waardering van de pensioenverplichtingen vindt plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariele grondslagen. De te hanteren rekenrente bedraagt mininmaal 4%. Het pensioenlichaam mag echter een algemene reserve van 10% van de wiskundige reserve aanhouden. Een interessante aspect van deze waarderingsregels is de volgende. De Beschikking is een uitvoeringsregeling van de artikelen 6A, tweede lid ne 6B derde lid van de Landsverordening op de loonbelasting 1976. De waardering van pensioenen regardeert de loonbelasting echter niet. Hetgeen de vraag oproept of de Minister van Financien met deze beschikking op dit punt dan ook niet te ver gaat. Volgens mij moet deze vraag bevestigend worden beantwoord en is de Beschikking op dit dan ook onverbindend. Indien de Minister waarderingsregels voor pensioenen wil invoeren zal dat moeten door daarvoor de Landsverordening op de winstbelasting 1940 te wijzigen. Indien deze bijvoorbeeld een kader hiervoor zouden scheppen zouden met een eenvoudige wijziging van de Beschikking –door een verwijzing naar het desbetreffende artikel in de Landsverordening op de winstbelasting 1940- de waarderingsregels voor pensioenopbouw in mijn optiek niet langer onverbindend zijn. De beschikking gaat echter nog verder. In artikel 12 stelt zij dat de waardering van pensioenverplichtingen welke worden opgebouwd door lichamen vallende onder artikel 2 lid 44 van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, onder bovengenoemde waarderingsregels vallen. Hier draait de Minister de zaken echt om. Het kan nooit zo zijn dat een Uitvoeringsregeling van de loonbelasting invulling geeft aan de winstbelasting zonder de in de desbetreffende landsverordening daarvoor ruimte wordt geboden. De Beschikking is immers van lagere orde dan de Landsverordening op de winstbelasting 1940. De Minister schendt in casu dus tweemaal een beginsel. Als eerste door in de beschikking zaken op te nemen welke deze niet mag regelen nu hier enkel invulling mag worden gegeven aan zaken welke de loonbelasting betreffen en als tweede door deze regeling van lagere orde aan te wenden om aan een landsverordening (van hogere orde dus) invulling te geven terwijl daarvoor de basis ontbreekt. Artikel 12 van de Beschikking is mijn visie derhalve eveneens onverbindend.

Artikel 13 bepaalt dan nog dat op 31 december bestaande pensioenaanspraken van een directeur –grootaandeelhouder en andere belastingplichtigen zonder gevolgen voor de belastingheffing tot en met 31 december 2001 respectievelijk 31 juni 2002 in overeenstemming kunnen worden gebracht met artikel 6A van de Landsverordening op de loonbelasting 1976 en de daarop gebaseerde regelgeving. Tot dan mogen er geen dotaties aan het pensioenlichaam en aftrek op het inkomen plaatsvinden. Ook deze bepaling is wederom grotendeels zinledig omdat deze met name kijkt naar pensioenopbouw welke de winstbelasting betreft en niet de loonbelasting. Waar in de Beschikking melding wordt gemaakt van belastingheffing kan dit immers enkel terugslaan op de heffing van loonbelasting omdat de Beschikking niet verder mag gaan dan omtrent nadere invulling te geven.


www.mullertax.com  

Division of an N.V. under Curacao law




Introduction

The new possibilities of the legal division are interesting. There are two types of division: the absolute division and the split-off. Where we use the abbreviation N.V. same goes for a B.V..

With an absolute division the entire capital of the existing N.V (f.i. A N.V.) passes over to two or more other N.V.’s or B.V.’s (f.i. B N.V. and C N.V.) which can be created on the occasion of the division if desired. The shareholders of A. N.V. become shareholders of B N.V. and C N.V and A N.V. ceases to exist.
It is also possible within the frame of an absolute division that the splitting N.V. (A N.V.) acquires all the shares of B N.V. and/or C N.V, in which case A N.V. continues to exist.

In case of a split-off only a part of the assets and liabilities of an N.V. (f.i. D N.V.) is transferred to two or more other N.V.’s or B.V.’s (f.i. E N.V and F N.V.) Either E N.V. or F N.V. or both have to issue shares to D N.V. or its shareholders. As in the case of the absolute division it is possible to pass the assets and liabilities over to existing N.V’s or to N.V.’s that are founded at the splitting.

To prevent abuse of the legal splitting, it is required by law that the net worth of the assets and liabilities that any N.V. acquires is not negative. The same holds for the net worth that stays in the splitting N.V.

Procedure

The procedure of a splitting looks rather complicated, but we have to take into account that without this legal possibility, it would be a lot more difficult and complicated to get the same result, if possible.

A division (whether an absolute one or a split-off) can only be executed by a notarial deed.
The Board of Management has to prepare a detailed proposal for the splitting, containing a.o.:
        the legal form of the receiving corporation
        the articles of incorporation (statuten) of both the splitting and the receiving N.V.’s. In case the receiving N.V.’s will be created at the occasion of the splitting,  a draft of the deed of incorporation (ontwerp van de akte van oprichting).
        whether all the assets and liabilities will be transferred or only a part of them
        a detailed description of the assets and liabilities each receiving N.V. will acquire, and the same for the assets and liabilities that will remain in the splitting N.V. (if any).
        the value of the part of all the assets and liabilities that any of the receiving N.V.’s will acquire and the value of the part of all the assets and liabilities that remain in the splitting N.V (if any).
        the intentions about the composition of the Board of Management of all the N.V.’s concerned.
        the intended measures as regards the acquisition of shares in the receiving N.V.’s by the current shareholders of the splitting N.V.

The Board of Management has to state in writing the reasons for the division and the expected consequences for the activities with an explanation from a juridical, business and social point of view.
This proposal should be presented to the Chamber of Commerce with the latest three approved annual accounts. In case the latest fincancial year for which annual accounts have been adopted, has expired more than six months before, the Board of Management has to compile a interim statement of assets and liabilities. The division should be announced officially in the “Publicatieblad van de  Nederlandse Antillen” and a local newspaper.

Within a month after this publication, any creditor or other contractual party can lodge an objection against the intended division. The judge decides on such an objection.

The decision to divide or split the N.V. has to be taken by the general meeting of shareholders, at least a month after the official announcement of the division. The same formalities and the same majority rules apply as in case of a change of the articles of incorporation.

All N.V’s that take part in the division are liable for the performance of contracts of the splitting N.V.

Simplified procedure

Unless the articles of incorporation rule otherwise, an existing receiving N.V. can decide to agree with the division by a decision of the Board of Management. The same holds for the splitting N.V. if all receiving N.V.’s are founded on occasion of the splitting and the splitting N.V. will become their only shareholder. In that case it is not necessary to include in the proposal for the splitting a detailed calculation of the exchange ratio of the shares, approved by a registered account. This would be necessary in the case of existing N.V’s that receive assets and liabities.


Fiscal aspects

The assets and liabilities of the splitting N.V. are transferred to the acquiring N.V.’s and, withour further regulations, this would cause taxable profit if the net value thereof is higher than the book value, except in case the acquiring N.V.’s exist already and all are part of a fiscal entity together with the splitting N.V.
In the near future a regulation is expected for the merger and division as regards the passing on of reserves (hidden and fiscal) and goodwill to the acquiring N.V.’s comparable to the existing regulation for the transition of assets from a sole proprietorship to an N.V. The aforementioned regulation holds that the difference between market value and book value of the business that is brought into the N.V, is exempted from income tax on the condition that the N.V. that continues the business, will apply the same valuation principle and the same book values of the assets and liabilities (including goodwill) as they had in the sole proprietorship. This means that the N.V. has to apply lower depreciations during the depreciable life of the assets than in the case wherein it could value those assets (including goodwill) at the takeover price, as would be sound commercial practice.
After the division, the dividing N.V. (if it continues to exist and acquires the shares in the receiving N.V.’s) can apply the participation exemption when it sells the shares in the receiving N.V.’s. The shares should not be sold within a three year period though, because in that case the division is supposed not to have taken place for business purposes, and the facilities for the division will not be applicable, unless business purposes for the division can be proved or made plausible.

But at the moment there is no such a regulation for the merger nor for the division. For this reason, it is necessary to negotiate with the tax authorities to assure a division without fiscal problems.

For the immovable property of the dividing N.V. the transfer tax has also to be taken into account. At this moment there is no provision in the transer tax  for the transition of immovable property in within the framework of a legal division. The N.V. that acquires immoval property during the division, would owe this tax according to the letter of the law, which amounts to 4%. But we have a notarial commitment that the transfer tax is not applicable in case of a division.


As far as the sales tax is concerned, there is a regulation for the transfer of a business that dates from 2001, years before the introduction of the legal merger and division. But the wordings of it are rather general and this regulation seems to be applicable to legal merger and division.

We have advised on splitting a company in a case where 2 siblings were shareholders in an N.V. with sizable assets. The siblings differed in opinion on how to proceed so we made two separate N.V.'s out of one so that both could go their merry way.

www.mullertax.com


Structuring of E-zone companies

Muller & Associates has extensive experience with respect to Curacao based e-zone companies. We can act as your agent when it comes to e-zone. Agent in the sense that we can act your middle man between you and the local director of your e-zone company.

If one adheres to some simple rules taxation on e-zone income is limited to 2 percent.

That is not difficult nor a challenge. Where then lies the challenge? That is in that one now has low taxed income in a Curacao e-zone company. How does one keep this income available and low-taxed at the same time? I am not saying that I have all the answers here because this strongly depends on every different case at hand. Sometimes it is possible with a simple structuring to achieve this goal of low-taxation; sometimes it takes high-level planning and discussions with tax lawyer/advisers based in other juridictions. So the set-up of an e-zone is not difficult but keeping the e-zone income low-taxed is something one should consider from the beginning. It is just each and every time tailor-made. So don't let yourself be fooled by those only offering to assist you in setting up an e-zone company. That is the easy part.

For any input on this do not hesitate to contact us via: peter.muller@mullertax.com

www.mullertax.com



November 21, 2013

Balance between Law in theory and Law in practice

The university professors ingrained the idea in me that as a lawyer one should be versed in practice and theory. As a student I have been assisting in a research project for three years. That whole experience taught me a lot and I was very proud that this ended with a PhD with honors. Also I made my own small discovery in the field of sociology of law.
After graduating in 1993 I immediately started writing my first publication. As it was on the levying of taxes by waterships it was probably not much read but still.

Please find hereunder a bibliography of articles sofar.

Tijdschrift voor Antilliaans Recht – Justicia (Antilles law review)

2010 nr 2         “Witwassen, inkeer en de rol van de financiele dienstverlener” (samen met mr L. Jager) (article on moneylaundering and possible criminal consequences for the financial services provider) (co-author)

2005 nr 3         “Time-share, belasting op bedrijfsomzetten, tax holiday en toetsing door de overheid” (article on time share, tax holiday and St. Maarten sales tax)

2003 nr 4         “De belastingadviseur als instrument in de strijd tegen money laundering” (samen met mr L. Jaeger, (co-author) article on the role of the tax lawyer in fighting money laundering)

2003 nr 1         “Een goed verzorgde oude dag?” (samen met drs J. Sybesma) article on fiscal pension planning) (co-author)

2002 nr 3         “Artikel 30 lid 2 Algemene Landsverordening Landsbelastingen” (article on formal tax law)

2001 nr 4         “Aantekeningen bij de Algemene Landsverordening Landsbelastingen” (article on formal tax law)

2001 nr 3         “De nieuwe aanmerkelijk belangregeling” (the new substantial interest legislation)

2001 nr 2         “Invoering Algemene Termijnenlandsverordening” (article on the extension Time limits act)

2001 nr 1         “Deelnemingsdivdenden onder de belastingregeling voor het koninkrijk” (Participation dividends under the scope of the Tax Arrangement of the Kindom)

2000 nr 2         “Vrije vestiging in de Nederlandse Antillen” (Free business establishment in the Netherlands Antilles)

1999 nr2          “Terugwerkende kracht van belastingwetgeving” (co-author Dr L.J.J.Rogier) (Retroactive force of fiscal legislation)

1999 nr 3         “Invoering Landsverordening omzetbelasting” (co-author Dr L.J.J. Rogier) (Introduction of the Sales tax)

1999 nr 1         “De Stichting Particulier Fonds” (The Private Foundation) (co-author Mr. R.O.L. Palm)

1998 nr 2         “Recente wijzigingen in de Nederlands-Antillaanse belastingwetgeving (Recent changes in Netherlands-Antilles fiscal legislation)

Boekenrecencies/Book reviews:

2010 nr 2         Jeroen Adeler en Jacques Gankema, De algemene Landsverordening Landsbelastingen in de Nederlandse Antillen

2004 nr 3         mr F.W. Lunsingh Scheurleer (Bundel onder redactie van) Nederlands-                                                         Antilliaans recht voor de bank- en financieringspraktijk. Nederlands                                                             Instituut Bank-, Verzekerings- en Effectenbedrijf

2003 nr 2      Mr. S.R. Vanenburg, mr. A. Kattouw, Het Nieuw Fiscaal Raamwerk op de Nederlandse Antillen; de Antillen als ‘nieuwe’ vestigingsplaats voor de internationale financiële dienstensector

2001 nr 4         H.F. Munneke; Recht en samenleving in de Nederlandse Antillen, Aruba en Suriname

Forfaitair

1993                “De heffing van omslag door waterschappen” (levying of taxation by waterships)

2002                “Aantekeningen bij de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (bewerking van twee artikelen uit het Tijdschrift voor Antilliaans Recht-Justicia) (edited article on formal tax law previously published in the Antilles law review)

2010                “Witwassen, inkeer en de rol van de financiele dienstverlener” (samen met mr L. Jager) (article on moneylaundering and possible penal consequences for the financial services provider) co-author)

Practical European Tax Strategies

2011                Tax planning opportunities in Curacao: linking Spanish ETVE and a Curacao NABV

Offshore Red

2011                Tax planning opportunities in Curacao: linking Spanish ETVE and a Curacao NABV



September 22, 2013

So, let's talk, what kind of tax lawyer/consultant do you want

Muller & Associates proudly delivers honest and original tax advice from 2001 on. We are service-minded and from that approach want you to like all and everything we have to offer. The way we welcome you into our life, offer you a coffee, our attitude to your specific problem and end of the day even our invoice. If in any part of our relationship you feel something went not as expected, trust us to understand you and  address the issue at hand. We are service-minded to the  bone and have the attitude to prove this to you every day of the week.
Feel welcome to join the Muller & Associates family!

www.mullertax.com

August 19, 2013

Witwassen, inkeer en de rol van de financiele adviseur/mr. P.E. Muller en mr. B.J.G.L. Jaeger





1          Inleiding

Onderstaand wordt ingegaan op witwassen, de dwarsverbanden met fiscale fraude en de positie van mogelijke medeplegers en medeplichtigen daarbij. Aanleiding voor het schrijven van dit artikel vormt het bijwonen van het Congres van de Nederlandse Vereniging van Advocaten-belastingkundigen op Curaçao dat plaatsvond in april 2009.

2          Wat is witwassen?

Witwassen bestaat uit een combinatie van handelingen die er op zijn gericht om zwart geld dat haar oorsprong in illegale activiteiten vindt te “witten” door dit geld afkomstig te doen lijken uit legale activiteiten.
Het geheel van handelingen heeft als doel “rechtvaardiging”, hetgeen wil zeggen het bedenken van een ogenschijnlijk wettige oorsprong van het geld, zo schrijft Mul in zijn nog immer lezenswaardige dissertatie uit 1999.[1]
De intentie van bovenstaande -vanuit het perspectief van de witwasser- is om in het maatschappelijk verkeer het vrije genot over zijn illegaal verkregen inkomen te verkrijgen. Wetgevers misgunnen dit de witwasser uiteraard en hebben witwassen strafbaar gesteld.Voorts kennen we in Nederland en de Nederlandse Antillen daarnaast zogenaamde “Pluk ze”-wetgeving die als doel kent het gehele wederrechtelijk verkregen voordeel weg te nemen.
Witwassen is in Nederland strafbaar gesteld in de artikelen 420bis, 420ter en 420quater WvSr en in de Nederlandse Antillen in de artikelen 435a, 435b en 435c WvSr (zoals in werking getreden bij Pb. 2008/46).

3          Geschiedenis

De wieg van het witwasbegrip stond in Wenen waar in 1988 het VN verdrag tegen sluikhandel in verdovende middelen en psychotropische stoffen werd gesloten (Verdrag van Wenen, 18 december 1988). Dit verdrag is goedgekeurd voor het gehele koninkrijk en de Nederlandse Antillen hebben daaraan in 1993 gevolg geven (zie hieronder).
Daarna zijn er in Europa nog een aantal relevante verdragen tot stand gekomen als ook Europese richtlijnen. Het gaat het bestek van dit artikel te buiten om die hier te behandelen.
Voor invoering van de witwaswetgeving kon vervolging plaatsvinden op basis van opzetheling, gewoonteheling en schuldheling. Volgens vaste rechtspraak valt het helen van een gestolen goed door degene die de diefstal begaat niet te bestraffen. In de strafrechtpraktijk wordt dit de “heler-steler-regel” genoemd. Voor het Openbaar Ministerie vormde deze rechtspraak derhalve een beletsel bij de vervolging van ‘witwassen’. Enkel het helen van de opbrengst van een ander viel te bestraffen.De Nederlandse advocatuur heeft, omdat het in sommige gevallen redelijk evident is dat advocaten betaald worden uit gelden met een criminele herkomst, met justitie een ‘herenakkoord’ gesloten ter voorkoming van vervolging voor heling. Deze zogenaamde Bruijninckx richtlijn zorgt dat advocaten deze clienten (op betalende basis) kunnen bijstaan zonder zelf het risico te lopen te worden blootgesteld aan strafvervolging op grond van schuldheling[2].

4          Witwassen in het Wetboek van strafrecht NA en NL

In artikel 420bis, eerste lid onder a WvSr en het gelijkluidende artikel in het Nederlands Antilliaanse WSR wordt witwassen als volgt omschreven: “hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf“.De Hoge Raad heeft in 2004(LJN: AP 2124, HR, 02679/03) beslist dat “afkomstig uit enig misdrijf” in de delictsomschrijving gelezen dient te worden als dat het niet anders kan zijn dan dat het desbetreffende geldbedrag middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf. In de literatuur ontstond een discussie over de interpretatie van deze gedachtegang. Die discussie kan als volgt worden samengevat. Stel dat aangetoond wordt dat iemand beschikt over zwart geld, dat wil zeggen gelden die voor de fiscus zijn verzwegen. Verder is echter duidelijk dat de herkomst van deze gelden op zich niet de opbrengst vormen van illegale activiteiten. Kan het openbaar ministerie dan met rede de stelling betrekken dat het jaarlijks foutief invullen van de aangifte het misdrijf vormt op basis waarvan sprake is van witwassen? Immers, het verzwijgen van de rendementen op deze gelden is fiscaal onjuist,[3] maar het niet afdragen aan de belastingdienst is niet de herkomst van het geld: er is sprake van het crimineel behouden van geld, niet van het door criminaliteit verwerven van geld. Koster heeft dit verwoord op de website van Accountanynieuws[4]. In een tweetal artikelen bespreekt zij de gevolgen van een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarbij de verdachte door het wegzetten op een Luxem-burgse coderekening van de gelden en door deze gelden niet op te geven aan de Belastingdienst zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 69 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen hetgeen een misdrijf oplevert. Op 7 oktober 2008 heeft de Hoge Raad aan deze discussie een einde gemaakt:[5] Ook het belastingmisdrijf kwalificeert als witwasdelict, ook het ontduiken van belastingen maakt dat een gedeelte van het geld afkomstig is uit misdrijf. Nu de verwachting is dat een aantal landen die voorheen vasthielden aan het bankgeheim binnen afzienbare tijd meer transparantie zullen gaan vertonen zult u begrijpen dat dit ook voor de praktijk een zeer relevante vraag was. In het kader van de inkeerregeling is het een belangrijke vraag gebleven, aangezien de inkeer slechts straffeloosheid voor het belastingmisdrijf toezegt en het de vraag werd of vervolging voor witwassen na inkeer wel mogelijk zou zijn. Hoewel er op dit onderdeel nog wel de nodige onduidelijkheid is blijven bestaan kan uit de beantwoording van kamervragen worden opgemaakt dat het niet de bedoeling is dat er na inkeer wordt vervolgd voor witwassen als de herkomst van de gelden legaal is.[6]

6          Inkeerbepalingen in de ALL en AWR voorkomt strafvervolging

Nederland en de Nederlandse Antillen kennen in respectievelijk artikel 67n en het derde lid van artikel 69 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (P.B. 2001, no. 89) [7] en artikel 49 lid 3 Algemene Landsverordening Landsbelastingen zogenaamde inkeerbepalingen. Deze houden kort gezegd in dat indien men alsnog juiste en volledige aangifte doet danwel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt, voordat men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Inspecteur of een van de in artikel 48, tweede lid, (Algemene Landsverordening Landsbelastingen), bedoelde ambtenaren en personen de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, fiscale beboeting of strafvervolging achterwege zal blijven. Daarbij moet bedacht worden dat de inkeerregeling momenteel enorm aan populariteit wint bij degenen die in het verleden gelden in het buitenland hebben gestald. Hiervoor zijn een drietal redenen aan te voeren. Als eerste geldt de toenemende informatie-uitwisseling tussen landen als gevolg van de Europese spaarrente-richtlijn en ook zogenaamde Tax Exchange Information Agreements  welke tussen een aantal landen bestaan. Ook de Nederlandse Antillen hebben een aantal van dergelijke verdragen afgesloten. Daarnaast zijn er een aantal incidenten bij banken geweest zoals de KBL-zaak en de Van Lanschot Bank te Luxemburg en meer recentelijk de LGT Bank te Liechtenstein. Onlangs heeft Nederland zelfs informatie gekocht van een vermogensbeheerder en een vergoeding voor die informatie toegekend op basis van een percentage van het na te vorderen belastingbedrag. Als derde reden geldt dat het langzaam duidelijk wordt dat het bankgeheim zoals dat bestaat in genoemde landen en ook in Zwitserland zijn langste tijd heeft gehad. Al deze omstandigheden betekenen echter dat het hoe langer hoe meer  de vraag wordt of het moment “voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Inspecteur of een van de in artikel 48, tweede lid bedoelde ambtenaren en personen de onjuistheid of onvolledigheid bekend is” niet is gepasseerd.Een enigszins geïnformeerde burger begrijpt immers dat de pakkans groter wordt wanneer de opsporingsambtenaren al figuurlijk bij zijn tuinhekje staan. Hierbij doet zich dan overigens nog het fenomeen voor dat de fiscale- en de strafrechter deze kennis bij de toekomstige verdachte anders duiden. De fiscale rechter neigt naar een meer objectieve inschatting terwijl de strafrechter van huis uit meer kijkt naar de subjectieve inschatting die is gemaakt danwel gemaakt had kunnen worden door degene die voor hem staat. Dan kan het opeens van grote betekenis worden of men zich dient te verantwoorden voor een strafrechter dan wel een belastingrechter. De strafrechter heeft in een dergelijk geval de zaak namelijk “rond” door de inkeer als bekentenis aan te merken.


7          De positie van de (financiele) dienstverlener als medepleger en medeplichtige bij witwassen

Mede door de per 1 juli 2009 ingevoerde vierde tranche van de AWB (Algemene wet bestuursrecht) is in Nederland momenteel sprake van verhoogde belangstelling voor de plaats van de financiele dienstverlener als medepleger of medeplichtige bij het begaan van een fiscaal delict. Tot 1 juli jl. konden medeplegers alleen strafrechtelijk worden aangesproken op betrokkenheid bij een fiscaal delict, nu kan een medepleger ook worden beboet, hetgeen natuurlijk een lagere drempel is om adviseurs aan te spreken. Zoals aangegeven bepaalt de AWB sinds de invoering van de vierde tranche ondermeer dat een adviseur - naast degene op wiens schouders de verplichting rust - ook beboet kan worden bij een fiscaal vergrijp. Een financiële dienstverlener zal, tenzij het om zijn eigen aangifte gaat, niet gauw worden beschouwd als pleger van een fiscaal delict. Dit omdat een fiscaal delict een zogenaamd kwaliteitsdelict is waarbij derhalve geldt dat de pleger een bepaalde kwaliteit moet bezitten. De adviseur beschikt -in zijn hoedanigheid van adviseur- niet over deze kwaliteit en zal derhalve enkel vervolgd kunnen worden als deelnemer.
Het strafrecht kent vier typen deelnemers te weten:
1          de medepleger;
2          de doen-pleger;
3          de uitlokker; en,
4          de medeplichtige.

De eerst drie genoemde typen kunnen betrekking hebben op zowel een overtreding als een misdrijf. Medeplichtig kan men echter enkel zijn aan een misdrijf. De medepleger is iemand die naast de materiele dader staat in een min of meer horizontale verhouding. Voor strafbaarheid van medeplegen is een zogenaamd dubbel opzetvereiste nodig. Opzet dient te zijn die gericht op het feit en op de samenwerking met de materiele dader en er moet gezamenlijke uitvoering zijn. De doen-pleger is de auctor intellectualis van het strafbaar feit die zich bedient van een materiele dader. Ook hierbij is sprake van dubbel opzet van de doen-pleger: op de gedraging van de materiele dader alsmede bewustheid van de doen-pleger op het handelen van de materiele dader. De materiele dader moet hierbij straffeloos zijn (is hij dat niet dan is sprake van bijvoorbeeld uitlokking en niet meer van doen-plegen). Als laatste geldt dat het door de materiele dader begane feit strafbaar moet zijn.
Voor strafbare uitlokking gelden de navolgende vier eisen:
(1) wederom dubbel opzet; gericht op het uitgelokte feit als ook op de uitlokking zelf; (2) de materiele dader moet tot initiatieven zijn gewekt; (3) de uitlokking kan enkel worden bestraft indien deze plaatsvindt door middel van in de wet genoemde uitlokkings-middelen; en, (4)         het uitgelokte feit moet strafbaar zijn. Voor medeplichtigheid geldt (in tegenstelling tot medeplegen) dat meer sprake is van een verticale verhouding ten opzichte van de hoofddader. Ook hier geldt wederom een dubbel opzet (gericht op het strafbare feit als ook de ondersteuning daarvan); de ondersteuning moet als doel hebben het plegen van het misdrijf en het ondersteunde feitencomplex moet een strafbaar feit opleveren. Zoals hierboven al genoemd is een fiscaal delict een zogenaamd kwaliteitsdelict en kan een fiscaal adviseur daarin nimmer de hoofdpleger zijn maar enkel een deelnemer zoals een medepleger. De fiscale boete heeft te gelden als een straf zoals bedoeld in artikel 6 EVRM en boete-oplegging behoort in dat kader dan ook met waarborgen omgeven te zijn.

8          De fiscale boete

Zoals elke bij de fiscaliteit betrokken adviseur wel weet, leidt het niet naleven van de fiscale verplichtingen bijzonder snel tot oplegging van boeten. Naast de verzuimboeten die zien op foutjes, zien op te leggen vergrijpboeten op het administratief bestraffen van verwijtbaar handelen. In beginsel worden verzuim- en vergrijpboeten tezamen met de aanslag opgelegd en treffen deze slechts degene aan wie de aanslag moet worden opgelegd, de aangifteplichtige. Even afgezien van civiele en eventueel tuchtrechtelijke consequenties, liep de adviseur in Nederland tot 1 juli jl. administratiefrechtelijk derhalve geen risico.

9          Het punitieve begrippenkader
a)         De ‘criminal charge’

Zowel strafrechtelijk als (inmiddels) administratiefrechtelijk kan de adviseur geconfronteerd worden met punitieve, bestraffende, maatregelen. Beide maatregelen hebben gemeen dat ze, in tegenstelling tot het materieel belastingrecht, vallen onder de vigeur van art. 6 EVRM. Zodra sprake is van een uitgesproken voornemen tot het treffen van een van beide maatregelen dan wel de adviseur uit een handeling van het bestuursorganaan in redelijkheid kan opmaken dat hem (mede) een verwijt wordt gemaakt, komen aan de ‘verdachte’ de waarborgen van voornoemd artikel toe. De adviseur komen het zwijgrecht,[8] het recht niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling, en het recht op bijstand toe. De informatieverplichtingen en meewerkverplichtingen zijn (nog) minder vanzelfsprekend en ook naar het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs moet genuanceerder worden gekeken. Hoewel het laatste woord er nog niet over is gezegd, sterker nog, de lijn van de Hoge Raad anders is, kan worden afgevraagd of medewerking ten aanzien van de vaststelling van het materiële recht nog kan worden verlangd indien er sprake is van een ‘charge’[9]. Dulden moet, maar actief stukken overdragen hoeft (mogelijk) niet.

b)         Het begrip ‘opzet’

“Het wetboek geeft geen definitie van ‘opzet’. In zijn kern is het begrip trouwens voor ieder helder. Opzet bestaat in ieder geval ten aanzien van dat gedrag waarop onze wil gericht is geweest, ten aanzien van de daarmee beoogde gevolgen en ten aanzien van de  omstandigheden en gevolgen die men zich als zeker er mede verbonden heeft voorgesteld. In zover is opzet willens en wetens”[10]
Voor de toetsing in het strafrecht hoeft dit willen en weten zich overigens slechts uit te strekken tot de gedraging zelf, niet tot het wederrechtelijke karakter daarvan (boos opzet). In de literatuur is dit wel betoogd,[11] maar totnogtoe is de rechtelijke macht niet erg gevoelig gebleken voor het inperken van opzet bij fiscale delicten, ondanks dat de handeling zelf, het doen van aangifte, (in de regel) een verplichting is.

c)         Voorwaardelijk opzet
Opzet kent vele vormen. Allereerst, aan de bovenkant, het zekerheids-, noodzakelijkheids- of waarschijnlijkheidsbewustzijn. Daarnaast, aan de onderkant, opzet als mogelijkheidsbewustzijn, ofwel voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet (in fiscale zin) is het zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans dat de gedane aangifte onjuist is, in de zin van het aanvaarden van die kans en dat op de koop toe nemen.[12] Het bewust zijn van de mogelijkheid, maar die niet aanvaarden, noch het bewust horen te zijn of het redelijkerwijs horen te begrijpen, is onvoldoende voor opzet. In een dergelijk geval is (eventueel) sprake van ‘grove schuld’. Ervan uitgaan en er (blind) op vertrouwen dat de adviseur op juiste wijze invulling geeft aan de fiscale verplichtingen, is – zonder bijkomende omstandigheden – geen opzet. Volstrekt geen interesse hebben in wat de adviseur doet en om die reden niets controleren, net wel. De ondergrens van voorwaardelijk opzet is lastig te trekken, maar er is meer voor nodig dan het aanvaarden van het geenszins te verwaarlozen risico dat te weinig belasting wordt voldaan. In het onderkennen van het risico ligt immers niet besloten dat daarmee willens en wetens dat risico is aanvaard. Het lijkt erop dat de Hoge Raad de in de loop der tijd ogenschijnlijk wat verwaterde grens tussen opzet en grove schuld met de hiv-arresten weer wat heeft aangescherpt[13] en een inzichtelijke motivering verlangt van waarom er sprake is van aanvaarding van het gevolg. Feit blijft dat, ondanks deze laatste arresten, er regelmatig weinig voor nodig is om de mate van bewustzijn nodig voor (voorwaardelijk) opzet bewezen te achten.

d)         De aanmerkelijke kans en het strekkings vereiste

“De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.”[14]
Ons beperkende tot het misdrijf van het doen van een onjuiste aangifte, is een belangrijke vraag of de beoordeling van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zich voordoet, tevens ziet op de kans dat met die aangifte te weinig belasting wordt geheven (het zogenoemde strekkingsvereiste). Het antwoord op deze vraag, althans de huidige lijn daarin, is hiervoor enigszins weergegeven, waar geconstateerd wordt dat de rechtspraak niet uitgaat van ‘boos opzet’. Elke adviseur weet wel dat belastingwetgeving omvangrijk en ingewikkeld is, nog  afgezien van de vele elkaar opeenvolgende wijzigingen die nauwelijks meer bij te houden zijn, dat het naïef zou zijn te beweren dat een (niet al te basale) aangifte foutloos is. Door betrokken te zijn en te blijven bij het doen van aangifte aanvaardt elke adviseur dat hij bij tijd en wijle onjuiste aangiften doet en neemt hij het risico daarvan op de koop toe. Deze constatering is overigens niet nieuw. Ook Wattel[15] constateerde aldus in 1989. Dat de adviseur niet bij voortduring misdrijven pleegt, is enerzijds een gevolg van de nuancering van de aanvaarding (hij weet dat het fout kan gaan, maar streeft naar het doen van juiste aangiften en aanvaardt het gevolg derhalve niet), anderzijds van het strekkingsvereiste. Alle onjuiste aangiften die (uit de geobjectiveerde aard van de onjuistheid) niet leiden tot belastingnadeel voor de overheid zijn niet strafbaar onjuist. Met dit strekkingsvereiste heeft de wetgever duidelijk gemaakt dat het niet alleen of zozeer gaat om de valsheid, maar mede om het gevolg van die valsheid.. Deze bedoeling overziende, is de vraag of een op zichzelf genomen onjuiste aangifte, die geen aanmerkelijke kans in zich draagt dat er te weinig belasting wordt betaald, nog mag worden bestraft? Mag de Belastingdienst (of het OM) bijvoorbeeld iemand nog voor de voeten werpen dat gegevens die bij de Belastingdienst bekend zijn maar niet in de aangifte worden verwerkt, hetwelk vanzelfsprekend bij de aanslagregeling wordt onderkend, een strafbare aangifte oplevert? De huidige jurisprudentie lijkt uit te gaan van het mogen bestraffen van niet in de aangifte opgenomen, maar wel aan de Belastingdienst gerenseigneerde, gegevens. Ik zou menen dat wegens het ontbreken van de aanmerkelijke kans dat er te weinig belasting wordt geheven, of dat nou een gebrek is aan het opzet, dan wel een gebrek aan het strekkingsvereiste, dit soort onjuistheden niet meer in aanmerking komt voor beboeting of vervolging.

e)         Toerekening van willen en weten

In het standaardarrest van 15 juli 1988[16] oordeelde de Hoge Raad dat opzet of grove schuld van de belastingadviseur de belastingplichtige niet disculpeert, tenzij hij in redelijkheid aan de fiscale aanvaardbaarheid van de gedragingen van de adviseur niet behoefde te twijfelen. Slechts bij zorgvuldige selectie van de adviseur en duidelijk getroffen maatregelen waaruit blijkt dat de belastingplichtige de begane fout heeft trachten te voorkomen, vond de min of meer automatische toerekening van kennis, kunde en opzet of grove schuld van de adviseur aan de belastingplichtige niet plaats. In zijn arrest van 1 december 2006[17] komt de Hoge Raad op dit oordeel terug. De Hoge Raad komt tot het inzicht dat de min of meer automatische toerekening van opzet of grove schuld van een ander aan de belastingplichtige in strijd zou kunnen zijn met de onschuldpresumptie van het EVRM. Sindsdien geldt dat slechts toerekening plaatsvindt indien de belastingplichtige niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en/of in de samenwerking met die adviseur. Hiermee is een einde gekomen aan het verschil dat er sinds 1988 bestond tussen de strafrechtelijke wijze van toerekening en de fiscaalrechtelijke. Daarna zijn veel boeteopleggingen gesneuveld,[18]omdat de Belastingdienst de mate van verwijtbaarheid bij de belastingplichtige zelf onvoldoende had gemotiveerd. De motiveringen beschreven enkel de verwijtbaarheid van de adviseur die zonder bijkomende omstandigheden te schetsen aan de belastingplichtige werd toegerekend.

f)          Medeplegen

“De rechtspraak van de Hoge Raad heeft de laatste decennia een verruiming van het medeplegen ten koste van de medeplichtigheid getoond. Dat voor medeplegen niet meer noodzakelijk is dat de verdachte zelf een uitvoeringshandeling pleegt is inmiddels vaste rechtspraak. Als er maar van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking sprake is. Die volledige en nauwe samenwerking zal erin hebben kunnen bestaan dat de medepleger nauw bij de planning, voorbereiding en organisatie van het voorgenomen misdrijf betrokken is geweest. (...) Voor medeplegen is niet eens nodig dat men lijfelijk aanwezig is op de plaats van de uitvoering van het delikt. Wel nodig is dat men hetzij een uitvoeringshandeling heeft gepleegd, hetzij bewust volledig en nauw heeft samengewerkt. Ontbreekt zowel het een als het ander dan zal van medeplegen geen sprake kunnen zijn.”[19]
Er moet sprake zijn van een bewuste samenwerking en een gezamelijke uitvoering. Voor strafbaarheid van de medepleger is niet vereist dat zowel hij als de pleger alle bestanddelen van het delict vervullen[20], wel – zo lijkt het – dient niet alleen de samenwerking bewust te zijn, maar moet dit bewustzijn zich ook uitstrekken tot de beoogde strafbare gedraging.[21] Samenwerken kan voorts ook bestaan uit niets doen, daar waar handelen (meestal in de zin van je distantiëren) verwacht mocht worden.[22] Hoewel het verschil tussen medeplegen en medeplichtigheid straks bij boeteprocedures doorslaggevend gaat zijn, is het velen duidelijk dat de strafrechtelijke jurisprudentie weinig aanknopingspunten biedt voor een helder en eenduidig onderscheid. Zoals in voorgaande paragraaf is aangegeven kan (ook) bij fiscale beboeting sinds 1 december 2006 kennis, kunde en geestesgesteldheid van de adviseur niet meer automatisch worden toegerekend aan de belastingplichtige. In deze paragraaf is aangegeven dat voor medeplegen bewuste samenwerking nodig is. Bewuste samenwerking impliceert opzet bij zowel de pleger als de medepleger. Overeenkomstig oordeelde de Hoge Raad (in een niet fiscale procedure) dat van medeplegen geen sprake kan zijn als opzet bij de mededader ontbreekt (voetnoot: HR 6 december 2005, nr. 03430/04, NJ 2007/456). Beide uitspraken gecombineerd houdt in dat indien het opzet van de belastingplichtige niet kan worden bewezen, de adviseur ook niet kan worden beboet of worden veroordeeld.
De lijn van deze jurisprudentie betekend aldus evenzeer dat indien een belastingplichtige terzake een verwijt de duimschroeven worden aangedraaid en alsdan zijn adviseur aanwijst als degene die moet worden aangekeken op de fout, de adviseur er geen goed aan doet dit doorgeschoven verwijt te weerleggen. Gelet op de primaire focus bij adviseurs op beroepsfouten en civiele aansprakelijkheid, zal het nog een enorme opgaaf zijn te weten wanneer er boete-/strafrechtelijk beter kan worden gezwegen en een verwijt van een cliënt zinvoller kan worden geslikt of zelfs moet worden onderschreven.

g)         Het pleitbaar standpunt

Nagenoeg alle hiervoor besproken begrippen zijn vanuit het strafrecht in het (fiscaal) bestuursrecht overgenomen en worden, enkele nuanceringen daargelaten, op dezelfde wijze uitgelegd. Zelfs bij de toerekening zit de belastingrechter inmiddels op de strafrechtelijke lijn. Een van de weinige begrippen die vanuit het fiscaal boeterecht langzaam maar gestaag zijn intrede doet in het fiscaal strafrecht is het pleitbaar standpunt. Volgens een recente wijziging van het Nederlandse boetebesluit is van een pleitbaar standpunt sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt,  gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen.[23]
Het heeft er de schijn van dat de strafkamers er een ietwat eigen interpretatie op na houden. De fiscale leer is een geobjectiveerde. Dat wil zeggen dat de vraag of de belastingplichtige bij het doen van aangifte meende juist te handelen (hetgeen immers op zichzelf al een gebrek aan het opzet oplevert) niet doorslaggevend is, maar de vraag of het in de aangifte ingenomen standpunt op zichzelf genomen redelijkerwijs verdedigbaar is (desnoods achteraf). Strafrechtelijk wordt duidelijk de subjectieve leer aangehouden, zoals bijvoorbeeld bij de Hiddink-uitspraak[24], maar ook uit andere recente jurisprudentie moge dit dblijken.

10        Conclusie
De strijd tegen witwassen en het corrumperen van het financiële systeem lijkt zijn hoogtepunt nog niet te hebben bereikt. Bovendien lijkt de strijd tegen witwassen hoe langer hoe meer synoniem te zijn aan de strijd tegen niet verantwoord buitenlands vermogen. Het belang van de uitspraak van de Hoge Raad van 7 oktober 2008 kan hierbij dan ook moeilijk onderschat worden. Immers, als gevolg van deze uitspraak geldt dat de bezitter van zwart geld, die dit telkenjare bij het doen van zijn aangifte verzwijgt, zich wegens de verhulling van het kapitaal, naast het jaarlijkse aangiftedelict, bij voortduring schuldig maakt aan het witwasdelict. Hierdoor zal het delict niet verjaren.
Naast de extra aandacht dat het belastingdelict heeft gekregen door zijn samenloop met witwassen is ogenschijnlijk de publieke verontwaardiging over het niet afdragen van belasting, in het bijzonder het zwart sparen, erg toegenomen. Was sjoemelen met een aangifte in de jaren 70 van afgelopen eeuw nog een volkssport, thans lijkt het naast het incasseren van een te hoge bonus een halsmisdrijf. Gelijk op met – in ieder geval in Nederland – een repressief politiek klimaat en een toenemende uitbreiding bij wetgeving van  fiscale delicten, loopt de strafmaat . Het strafrecht is geen ‘ultimum remedium’ meer, daadwerkelijk ‘zitten’ voor een belastingmisdrijf inmiddels niet meer uitzonderlijk, boetes ontstijgen de 100%.
Opeens opduikende informatie over zwartspaarders, de crisis, toenemende mogelijkheden voor informatie-uitwisseling tussen overheden (en niet te vergeten toenemende druk op landen die niet mee willen in deze ontwikkeling) , veel bangmakerij in de media en bovengenoemde ontwikkelingen verklaren de aandacht voor de ‘vrijwillige verbetering’. Inkeer lijkt aantrekkelijk, maar hoe lang kan nog ontkend worden dat “hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Inspecteur of een van de in artikel 48, tweede lid AWR, bedoelde ambtenaren en personen de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden”, gelet op het feit dat de pakkans wordt vergroot door ondermeer de uitbreiding van informatie-uitwisseling met landen die voorheen het bankgeheim als marketinginstrument zagen? Feit is wel dat de ontwikkeling op de Antillen niet parallel loopt aan die in Nederland. De inkeerregeling in Nederland wordt vanaf 2010 beperkt, inmiddels is de parlementaire discussie wanneer de boete bij inkeer (van nu 15%) moet worden opgehoogd. Op de Antillen is de inkeerregeling juist nieuw leven ingeblazen.
De belastingadviseur ontspringt de hier aangehaalde repressieve tendens niet. Terecht of onterecht wordt de belastingadviseur veelal gezien als de ‘facilitator’ van al dit kwaad, minst genomen een gerede kandidaat die onwenselijk fiscaal gedrag kan tegengaan. Het strafrecht bood altijd al de mogelijkheid de adviseur mede te bestraffen voor zijn rol, maar die drempel, al is het maar vanwege de capaciteit bij het OM, bleef en blijft betrekkelijk hoog. De vierde tranche van de AWB maakt dat de adviseur in Nederland nu ook administratief als medepleger van een fiscaal delict kan worden beschouwd. Aangenomen mag worden dat een aantal bestuursrechtelijke tendensen zich op enigerlei wijze naar het Nederlands- Antilliaanse belastingrecht zal gaan uitbreiden, aan de Internationale ontwikkelingen kunnen de Antillen zich al helemaal niet onttrekken. Het is wel te hopen dat – in tegenstelling tot Nederland – de Antillen de ernst van het belastingmisdrijf een beetje in perspectief blijven zien: ‘it’s only money’.



[1] V. Mul, Banken en witwassen, Gouda, 1999
[2] ontleend aan: Nieuwsbrief Strafrecht nr. 13, 2000, SDU uitgevers
[3] Voor de Nederlandse inkomstenbelasting geldt dat ook indien er geen sprake is van opbrengsten er geacht wordt fictief opbrengst te worden genoten vanwege de zogenaamde box drie in de Nederlandse inkomstenbelasting.
[4] Koster, www.accountancynieuws.nl
[5] HR 7 oktober 2008 met nr. 03511/06, LJN: BD2774
[6] TK 2008/2009, 959 respectievelijk TK 2008/2009, 2064
[7] Het niet beboeten respectievelijk het niet bestraffen na inkeer. Met ingang van 1 januari 2010 wordt de boetebepaling 67n ingrijpend gewijzigd en is een inkeer alleen boeteloos bij inkeer binnen 2 jaar, daarna geldt een inkeer louter als strafverminderend, waarbij thans wordt gedacht aan een beboeting van 15% i.p.v. de gebruikelijke 50% of zelfs 100% van het fiscaal nadeel. De strafrechtelijke vrijwaring blijft wel in tact.
[8]   In beperkte vorm (tevens) gecodificeerd in art. 5:10a Awb.
[9]   EHRM 3 mei 2001, nr 31827/96 (JB/Zwitserland), BNB 2002/26 en V-N 2002/4.4, zie ook A-G Wattel 1 juni 2007, nr. 43070. V-N 2007/35.8, onder 4.17 en 4.18:(...) dat bij documenten niet beslissend is of zij reeds bestaan (of zij wel of niet door de verdachte opgesteld zouden moeten worden), maar of zij een bestaan als bewijsmateriaal hebben los van de wil van de verdachte, dus of de vervolgende instantie hen zonder actieve medewerking van de verdachte legaal kan bemachtigen.
[10]   Noyon-Langemeijer-Remmelink, het wetboek van strafrecht, inleiding Opzet(*1) Aantekening2, digital.
[11]   Zie hiervoor de conclusie van A-G Jorg bij HR 22 september 1998, nr. 108.687, NJ 1998/911 en voorts G.J.M.E. de bont, Opzet in fiscaal boete- en strafrecht, TFB 2002/6, p. 5-11
[12]   HR 15 oktober 1996, nr 102826 (Porsche-arrest), NJ 1997/199.
[13]   HR 25 maart 2003, nr. 02664/01, NJ 2003/552, HR 24 juni 2003, nr. 01513/02, NJ 2003/555, HR 18 januari 2005, nr. 02659/03, NJ 2005/154 en HR 20 februari 2007, nr 02965/05, NJ 2007/313.
[14]   Overweging 3.6 van het in voorgaande noot eerstgenoemde hiv-arrest.
[15]   P.J. Wattel, fiscaal straf- en strafprocesrecht, 2e herziene druk, Deventer: FED 1989, p.126, zie ook: R.W.J. Kerckhoffs, “Strafrechtelijke risico’s van de belastingadviseur”, TEB 2000/7-8, p. 13-17.
[16]   HR 15 juli 1988, nr 24.483, BNB 1988/270 en V-N 1988/2039.
[17]   HR 1 december 2006, nr. 40.518 en 40.369, LJN AZ3355 en AU7741, BNB 2007/151 en V-N 2006/62.4.
[18]   Onder andere Hof Den Bosch 4 augustus 2006, nr.04/2458, BNB 2007/206, Rb. Leeuwaarden 23 januari 2007 met nr AWB 06/1592, V-N 2007 met nr. BK-06/00156, V-N 2007/23.7.
[19]   Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van strafrecht, Eerste boek, Titel V deelneming aan strafbare feiten(*1), artikel 47 Medeplegen, aantekening 29, digitaal.
[20]   Rb. Den Bosch 27 februari 2007, nr. 01/996038-05, de adviseur van Hiddink, LJN AZ9322
[21]   HR 11 januari 2000, nr. 113.115, NJ 2000/228.
[22]   Hof Amsterdam 14 maart 2006. LJN AV4924.
[23]   Besluit Staatssecretaris van Financiën van 21 maart 2007, nr CPP2006/2918M, Stcrt. 2007, 63, V-N 2007/17.14.
[24]   Rb. Den Bosch 27 februari 2007, nr. 01/996040-05, Hiddink, LJN AZ9321: Anders dan door de verdediging aangevoerd kan in casu niet worden aanvaard dat sprake was van een pleitbaar standpunt. [Verdachte] is immers feitelijk niet uitgegaan van een onjuiste juridische opvatting omtrent datgene wat daadwerkelijk nodig was voor het kwalificeren van hem als fiscaal inwoner van België.