Lieben Sie es auch so hier auf Curacao.?Sie haben einen Haus auf Curacao gekauft oder ueberlegen vielleicht um das zu tun. Oder Sie wollen vielleicht umsiedlen nach Curacao. Haben Sie Curacao durch einen Kreuzfahrt kennengelernt?
Wenn Sie schritte in dieser Richtung machen dann muessen Sie viele Fragen haben.
Wie mache ich alles Korrekt im Deutschland im Bezirk auf Besteuerung?
Auf welche Art und Weise mache ich das auf Curacao. Was sind die steuerliche moeglichkeiten auf Curacao?
Und kann ich ohne Niederlaendisch oder Englisch zu reden doch geholfen werden auf Curacao?
Ja das kann. Rufen Sie uns an oder schreiben Sie einen Email. Wir sind Ihnen gerne behilflich.
Muller & Associates wurde in 2001 von Peter Muller auf Curacao gegruendet. Es gibt eine zweite Kanzlei auf Bonaire. Peter hat Jura studiert in den Niederlanden (Groningen, 1993) mit spezialisation auf Steuerrecht. In 1995 hat Peter sich entschieden auf Curacao zu leben.
Peter kennt sich aus mit dem Steuerrecht auf alle Inseln im Karibik die zum Niederaendischen Koenigreich gehoeren. Wir machen die Steueranzeigen, schreiben beschwerde wenn die Anschlagen nicht stimmen, beraten und prozedieren auch vor dem Gericht. (Peter is da zugelassen.)
Peter ist in de Niederlanden geboren. Sein Urgrossvater war aber Deutsch.
Neben Deutsch spricht er Niederlaendisch, Englisch, Spanisch und Franzoesisch. Manche Deutschsprachige Mandanten haben den Weg zu seiner Kanzlei gefunden.
www.mullertax.com/ Schouwburgweg 3/ Curacao, Dutch West Indies (**) 599 9 7374916/ info@mullertax.com
Showing posts with label peter muller. Show all posts
Showing posts with label peter muller. Show all posts
July 30, 2019
September 12, 2014
Deutschprachige Kunden
Waehrend den letzten Wochen koennten wir 4 neue Kunden begruessen aus Oesterreich, Der Schweiz und der Bundesrepublik.
Wir sind Superstolz das wir in dem Niederlaendischen Karibik zustaendig sind um Deutschprachigen in ihre eigene Sprache zu zutreten und behilflich zu sein.
Wir sind Superstolz das wir in dem Niederlaendischen Karibik zustaendig sind um Deutschprachigen in ihre eigene Sprache zu zutreten und behilflich zu sein.
August 10, 2014
Jort Kelder op Curacao
Gistermiddag -het was zaterdag- zat ik wat te stoeien op het internet en kwam bijgaand filmpje tegen:
Belastingadvies op Curacao
Jort Kelder, iemand die beroemd is geworden toen hij hoofdredacteur van de Quote was en naar ik meen vanwege een relatie met een fraaie BN-er gaat op onderzoek uit naar belastingbesparing. Hij spreekt met twee mensen uit de trustsector (de beroemde Greg Elias heeft ze ooit trustboeren genoemd en dat mag omdat hij dat zelf ook is) en een belastingadviseur van KPMG. De mensen uit de trust weten eigenlijk meteen wat er moet gebeuren zonder dat ze veel inzicht krijgen in de financiële positie van heer Kelder. De belastingadviseur, de heer mr. Wendell Meriaan van mijn overburen KPMG, is veel voorzichtiger en houdt wat slagen om de arm. Hoewel ik natuurlijk liever geen reclame maak voor KPMG gaat mijn voorkeur wel uit naar de insteek van Meriaan.
Tot achterin de negentiger jaren van de vorige eeuw werden door trustboeren en belastingadviseurs standaardadviezen verstrekt aan hun (potentiële) cliënten. Aangezien ik in 1995 op Curaçao ben beland heb ik dat nog van dichtbij meegemaakt. Door wetswijzigingen op Curaçao en in bijvoorbeeld Nederland is het tegenwoordig niet heel verstandig om nog standaardadviezen te verstrekken. Het is maatwerk en daarom zie je dat Meriaan zich heel voorzichtig uitlaat. Mocht u geïnteresseerd zijn in belastingbesparing waarin bijvoorbeeld Curaçao een rol in kan spelen wil u ook dan ook aanraden om u in eerste instantie tot een belastingadviseur te wenden. De latere invulling kan dan door een trustkantoor worden uitgevoerd.
Belastingadvies op Curacao
Jort Kelder, iemand die beroemd is geworden toen hij hoofdredacteur van de Quote was en naar ik meen vanwege een relatie met een fraaie BN-er gaat op onderzoek uit naar belastingbesparing. Hij spreekt met twee mensen uit de trustsector (de beroemde Greg Elias heeft ze ooit trustboeren genoemd en dat mag omdat hij dat zelf ook is) en een belastingadviseur van KPMG. De mensen uit de trust weten eigenlijk meteen wat er moet gebeuren zonder dat ze veel inzicht krijgen in de financiële positie van heer Kelder. De belastingadviseur, de heer mr. Wendell Meriaan van mijn overburen KPMG, is veel voorzichtiger en houdt wat slagen om de arm. Hoewel ik natuurlijk liever geen reclame maak voor KPMG gaat mijn voorkeur wel uit naar de insteek van Meriaan.
Tot achterin de negentiger jaren van de vorige eeuw werden door trustboeren en belastingadviseurs standaardadviezen verstrekt aan hun (potentiële) cliënten. Aangezien ik in 1995 op Curaçao ben beland heb ik dat nog van dichtbij meegemaakt. Door wetswijzigingen op Curaçao en in bijvoorbeeld Nederland is het tegenwoordig niet heel verstandig om nog standaardadviezen te verstrekken. Het is maatwerk en daarom zie je dat Meriaan zich heel voorzichtig uitlaat. Mocht u geïnteresseerd zijn in belastingbesparing waarin bijvoorbeeld Curaçao een rol in kan spelen wil u ook dan ook aanraden om u in eerste instantie tot een belastingadviseur te wenden. De latere invulling kan dan door een trustkantoor worden uitgevoerd.
July 24, 2014
Wees voorbereid/ korte maar belangrijke mededeling van onze of counsel mr Leo Delfgaauw
Wees voorbereid.
Van het concert des levens heeft niemand
een programma, is een tegeltjeswijsheid waarvan de juistheid de afgelopen week
op gruwelijke wijze weer duidelijk is geworden.
Zowel voor ondernemers, werknemers als
particulieren geldt dus: bedenk eens wat de achterblijvers allemaal moeten
weten als je van het ene op het andere moment er niet meer bent en ook nooit
meer terugkomt.
Het gaat dan niet alleen om wachtwoorden
van allerlei apparaten (pc, laptop, telefoon), maar ook van cruciale bestanden
(belastingdienst) of (virtuele) opbergplaatsen (shurgard of dropbox). Hoe komt
men bij de saldi op bankrekeningen, die met name bij de kleine onderneming of
in de privésfeer acuut beschikbaar moeten zijn. Waar liggen de
verzekeringspolissen, testamenten, huwelijksvoorwaarden, personeelsdossiers, recente
boekhouding en dergelijke.
Doe dus het volgende.
1. Maak
een document waarin het antwoord op de hierboven gestelde vragen staat
2. Deponeer
dat document als papier en/of elektronisch (op een usb-stick maar dan zonder
wachtwoord) in een verzegelde envelop bij
een vertrouwensman, bijvoorbeeld een notaris, accountant of advocaat.
Notarissen hebben speciale deponeringsaktes daarvoor.
3. Geef
die vertrouwenspersoon instructie onder welke omstandigheden hij in bijzijn van
wie de envelop mag openen en de inhoud mag afgeven.
4. Laat
aan een aantal personen in de omgeving weten dat het stuk daar ligt en in welke
gevallen van nood het kan worden geraadpleegd.
Zorg voor een regelmatige actualisering.
Het kost even moeite maar het maakt in
ieder geval de zoektocht van de nabestaanden een stuk gemakkelijker.
Leo Delfgaauw
June 28, 2014
inkeerregeling
Maandag loopt in Nederland een soepele inkeerregeling af. Vanaf september vorig jaar heeft dat de Nederlandse staat al zo een 675 Euri opgelevered. Op Curacao heeft een soepele regeling vreemd genoeg maar weinig opgeleverd als ik de betrokken belastingambtenaren mag geloven. Wij hebben de nodige nieuwe en bestaande clienten begeleid bij het opgeven van verzwegen inkomsten. Voor nieuwe clienten is dat op zich minder problematisch dan voor bestaande clienten. Een kantoor in Nederland beschreef het dilemma van de belastingadviseur als een spagaat. Want uiteraard wil je je bestaande clienten niet kwijtraken, anderzijds wil je ook niet beschuldigd worden als medeschuldig aan een strafbaar feit zoals witwassen. Voor de bestaande clienten die bij ons kwamen opbiechten hebben wij dan ook aangegeven dat er geen middenweg was. Du moment dat wij op de hoogte werden gesteld van verzwegen inkomsten hebben wij aangegeven dat dit ofwel opgegeven moest worden of dat uitgekeken moet worden naar een andere belastingadviseur. Gelukkig hadden de bestaande clienten wijsheid om ons advies op te volgen. De nieuwe clienten zijn client gebleven. De soepele inkeerregeling was op Curacao van tijdelijke aard. De algemene inkeerregeling bestaat echter nog steeds en wij hebben nu de kennis en ervaring om u daarin bij te staan. Een woord van waarschuwing, de inkeerregeling kan enkel toegepast worden als de fiscus nog niet wist -cq kon weten- dat u inkomen heeft verzwegen. Het initiatief ligt derhalve bij de zwartverdiener.
Een andere ervaring die ik graag met u wil delen is de volgende. Velen die inkeren zijn op leeftijd en zij willen hun zaakjes geregeld hebben voor het tijdelijke met het eeuwige wordt verwisseld. Daarmee voorkomt u dan meteen dat u uw kinderen zwart geld laat erven en daarmee voor de soms diabolische keuze worden gesteld welke actie te nemen. Indien er nog een overblijvende echtgenoot of echtgenote is en er zijn meerdere kinderen is er weinig fantasie nodig om je van de discussies in de familie een voorstelling te kunnen maken.
Een andere ervaring die ik graag met u wil delen is de volgende. Velen die inkeren zijn op leeftijd en zij willen hun zaakjes geregeld hebben voor het tijdelijke met het eeuwige wordt verwisseld. Daarmee voorkomt u dan meteen dat u uw kinderen zwart geld laat erven en daarmee voor de soms diabolische keuze worden gesteld welke actie te nemen. Indien er nog een overblijvende echtgenoot of echtgenote is en er zijn meerdere kinderen is er weinig fantasie nodig om je van de discussies in de familie een voorstelling te kunnen maken.
June 12, 2014
Voor de VS is Nederland hét favoriete belastingparadijs
Voor de VS is Nederland hét favoriete belastingparadijs
Door: Sybren Kooistra, Gerard Reijn − 11/06/14, 04:00
© AFP. In Engeland was er grote ophef toen bleek dat de koffieketen Starbucks zijn winst grotendeels doorsluisde naar Nederland, alwaar er nauwelijks belasting over wordt betaald.
Nederland is niet zomaar een belastingparadijs voor Amerikaanse multinationals, het is hét belastingparadijs. Er is geen land waar om fiscale redenen zo veel geld naartoe wordt gesluisd als Nederland. De 500 grootste Amerikaanse ondernemingen, de Fortune 500, stalden in 2010 127 miljard dollar (93 miljard euro) fiscaal vriendelijk in Nederland.
- © reuters.De Amerikaanse supermarktketen Walmart staat op nummer één in de Fortune 500-lijst met een omzet van bijna een half biljoen dollar.
Daarmee was Nederland veel populairder dan beruchte belastingparadijzen als Bermuda (94 miljard dollar) en de Kaaiman Eilanden (51 miljard). Er is ook geen land in de wereld dat van zoveel multinationals een of meer bv's heeft. Van de Fortune 500 heeft 48 procent een of meer bv's in Nederland. Naaste concurrenten zijn Singapore (42 procent) en Hongkong (40 procent).
Dat blijkt uit onderzoek van twee Amerikaanse organisaties dat vorige week werd gepubliceerd. Het gaat om Citizens for Tax Justice (CTJ) en de Public Interest Research Group PIRG, activistische groepen die stammen uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. In hun rapport The Offshore Shell Games stellen zij dat de Fortune 500-bedrijven dankzij belastingparadijzen jaarlijks 90 miljard dollar aan Amerikaanse belastingen weten te ontwijken.
Dat blijkt uit onderzoek van twee Amerikaanse organisaties dat vorige week werd gepubliceerd. Het gaat om Citizens for Tax Justice (CTJ) en de Public Interest Research Group PIRG, activistische groepen die stammen uit de jaren zeventig van de vorige eeuw. In hun rapport The Offshore Shell Games stellen zij dat de Fortune 500-bedrijven dankzij belastingparadijzen jaarlijks 90 miljard dollar aan Amerikaanse belastingen weten te ontwijken.
Notoire belastingparadijzen
Volgens het onderzoek boekten alle Amerikaanse multinationals samen in 2010 929 miljard dollar aan winsten bij hun overzeese dochters. Daarvan kwam 505 miljard terecht bij twaalf 'notoire belastingparadijzen'. De 127 miljard die Nederland binnenhaalde komt overeen met 16 procent van het nationaal inkomen.
Het ministerie van Financiën wijst erop dat Amerikaanse bedrijven hier niet alleen om fiscale redenen zitten, maar ook echt actief zijn met productiebedrijven, hoofdkantoren en distributiecentra die goed zijn voor duizenden banen. Dat verklaart echter slechts een klein deel van de 127 miljard uit het rapport. Uit eerder onderzoek werd al bekend dat door Nederlandse brievenbusmaatschappijen jaarlijks 12 duizend miljard euro vloeit, twintig keer het bruto nationaal inkomen.
Vorig jaar kwam de ontwikkelingsorganisatie Action Aid met een soortgelijk onderzoek naar de fiscale constructies van 100 grote Britse bedrijven (de FTSE 100). Daarin bleek alleen de kleine Amerikaanse staat Delaware populairder dan Nederland. Nederland huisvestte van die 100 bedrijven maar liefst rond 1.200 bv's.
Volgens het onderzoek boekten alle Amerikaanse multinationals samen in 2010 929 miljard dollar aan winsten bij hun overzeese dochters. Daarvan kwam 505 miljard terecht bij twaalf 'notoire belastingparadijzen'. De 127 miljard die Nederland binnenhaalde komt overeen met 16 procent van het nationaal inkomen.
Het ministerie van Financiën wijst erop dat Amerikaanse bedrijven hier niet alleen om fiscale redenen zitten, maar ook echt actief zijn met productiebedrijven, hoofdkantoren en distributiecentra die goed zijn voor duizenden banen. Dat verklaart echter slechts een klein deel van de 127 miljard uit het rapport. Uit eerder onderzoek werd al bekend dat door Nederlandse brievenbusmaatschappijen jaarlijks 12 duizend miljard euro vloeit, twintig keer het bruto nationaal inkomen.
Vorig jaar kwam de ontwikkelingsorganisatie Action Aid met een soortgelijk onderzoek naar de fiscale constructies van 100 grote Britse bedrijven (de FTSE 100). Daarin bleek alleen de kleine Amerikaanse staat Delaware populairder dan Nederland. Nederland huisvestte van die 100 bedrijven maar liefst rond 1.200 bv's.
- © photo news.De Britse Maagdeneilanden, een befaamd belastingparadijs.
Nederland staat al langer te boek als belastingparadijs, zelfs zozeer dat de Tweede Kamer een motie aannam waarin werd gesteld dat Nederland geen belastingparadijs mag worden genoemd.
Dubbele belastingheffing
Nederland is populair omdat het met heel veel andere landen verdragen heeft gesloten tegen dubbele belastingheffing. Nederland is daardoor een draaischijf geworden tussen belastingparadijzen en multinationals. Verder heft Nederland geen belasting op royalties, zoals inkomsten uit de exploitatie van merken.
Belastingfaciliteiten zoals die in Nederland zijn steeds meer in opspraak gekomen. Zo was er in Engeland grote ophef toen bleek dat de koffieketen Starbucks zijn winst grotendeels doorsluisde naar Nederland, alwaar er nauwelijks belasting over wordt betaald.
De Nederlandse belastingfaciliteiten hebben ook de aandacht getrokken van de Europese Commissie. Die zal waarschijnlijk, mogelijk al vandaag, besluiten een onderzoek in te stellen. Anderzijds is staatssecretaris Wiebes van Financiën juist beducht dat Nederland zijn voorsprong kwijtraakt. Toen Starbucks in april bekendmaakte zijn hoofdkantoor uit Nederland over te brengen naar Londen, stelde Wiebes dat Engeland druk bezig was Nederlands fiscale voortreffelijkheden te kopiëren.
Dubbele belastingheffing
Nederland is populair omdat het met heel veel andere landen verdragen heeft gesloten tegen dubbele belastingheffing. Nederland is daardoor een draaischijf geworden tussen belastingparadijzen en multinationals. Verder heft Nederland geen belasting op royalties, zoals inkomsten uit de exploitatie van merken.
Belastingfaciliteiten zoals die in Nederland zijn steeds meer in opspraak gekomen. Zo was er in Engeland grote ophef toen bleek dat de koffieketen Starbucks zijn winst grotendeels doorsluisde naar Nederland, alwaar er nauwelijks belasting over wordt betaald.
De Nederlandse belastingfaciliteiten hebben ook de aandacht getrokken van de Europese Commissie. Die zal waarschijnlijk, mogelijk al vandaag, besluiten een onderzoek in te stellen. Anderzijds is staatssecretaris Wiebes van Financiën juist beducht dat Nederland zijn voorsprong kwijtraakt. Toen Starbucks in april bekendmaakte zijn hoofdkantoor uit Nederland over te brengen naar Londen, stelde Wiebes dat Engeland druk bezig was Nederlands fiscale voortreffelijkheden te kopiëren.
(Reblog van de Volkskrant van 11 juni 2014)
June 05, 2014
Vermogensetikettering blijft ons bezighouden.
Toepassing foutenleer ten onrechte afgewezen
Bij de berekening van de stakingswinst die is behaald op een bedrijfspand kan de fiscus niet zomaar ervan uitgaan dat het gehele pand behoort tot het ondernemingsvermogen. Het pand kan immers in de loop der jaren ook voor privédoeleinden worden gebruikt. Dit kan worden rechtgezet door toepassing van de foutenleer.
De eigenaar van een glashandelbedrijf spande een rechtszaak aan tegen de fiscus toen hij een aanslag inkomstenbelasting over 2005 inclusief boete kreeg opgelegd. In geschil was of het pand waarin de man zijn glashandel dreef geheel of slechts voor een deel behoorde tot het ondernemingsvermogen. Dat was van belang voor de berekening van de stakingswinst. Volgens het hof had de man zijn onderneming in 2005 geheel gestaakt. Een gemachtigde van de man had namelijk eerder verklaard dat de onderneming per 1 januari 2006 was overgegaan op de zoon. Het hof vond het aannemelijk dat voorafgaand aan die overname al stappen waren ondernomen om tot staking van de onderneming te komen. Nu vaststond dat de staking al in 2005 had plaatsgevonden, onderzocht de rechter vervolgens of het pand tot het ondernemingsvermogen behoorde. De man had het gehele pand vanaf het moment van aankoop aangemerkt als ondernemingsvermogen. Hij woonde zelf op de bovenverdieping, een deel van de begane grond werd gebruikt voor de onderneming en het andere deel werd verhuurd (keuzevermogen). De rechter was het met de man eens dat door het aanmerken van het woongedeelte als ondernemingsvermogen en niet als privévermogen de grenzen der redelijkheid waren overschreden. De inspecteur had het beroep van de man op de foutenleer dus ten onrechte afgewezen. Dit leidde echter niet tot een vernietiging van de aanslag, want de man kon niet aannemelijk maken dat de aanslag te hoog was vastgesteld. De door de rechter berekende stakingswinst op het pand en het belastbare inkomen uit werk en woning bedroegen zelfs meer dan de ambtshalve vastgestelde bedragen.
Reblog van: http://www.taxence.nl/fiscaal-nieuws/nieuws/uitgelicht-homepage/toepassing-foutenleer-ten-onrechte-afgewezen.79095.lynkx?utm_campaign=05juni2014&utm_content=Nieuws&utm_medium=email&utm_source=
DE INSTEEK VAN MULLER & ASSOCIATES:
Als eerste is van belang om te vermelden dat het hier om een eenmanszaak gaat. Een vennootschap wordt namelijk altijd geacht met zijn gehele vermogen een onderneming te drijven. Met andere woorden indien dit pand eigendom zou zijn van een vennootschap zou bovenstaande discussie niet opdoemen. Het geeft wel aan dat een goede planning vooraf een boel ellende kan voorkomen. U kunt u namelijk voorstellen dat de Glashandel in kwestie nu een boel centjes kwijt is aan deze procedure. Voorkomen is beter (en goedkoper) dan genezen!
June 03, 2014
Certificering van aandelen (familiebedrijven)
Probleem bij familiebedrijven:
Wanneer bij
overlijden van de directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een BV of NV de
erfgenamen de aandelen van deze DGA erven, komt vaak de continuïteit van de
onderneming in gevaar. Door het verkrijgen van deze aandelen krijgen de
erfgenamen – of zij nou wel of niet betrokken zijn (geweest) bij de onderneming
- zeggenschap in de onderneming. Het
hebben van meerdere kapiteins op één schip, kapiteins met allemaal hun eigen
belang en niet persé dat van de onderneming voorop, vormt een groot risico voor
de continuïteit van het bedrijf. Immers, kinderen en andere familieleden zonder
band met het bedrijf zouden kunnen eisen dat de volledige winst zou worden
uitgekeerd.
Oplossing:
De oplossing voor
bovenstaande probleemstelling is het certificeren van aandelen.
Certificering van
aandelen maakt het mogelijk de winstrechten los te koppelen van de
zeggenschapsrechten. Door certificering kan worden voorkomen dat bijvoorbeeld
kinderen/erfgenamen die niet in de onderneming werkzaam zijn (en derhalve geen
zicht hebben op het reilen en zeilen van de organisatie), ineens wel invloed
hebben op het beleid van de onderneming. Terwijl deze erfgenamen anderzijds toch
profiteren van de winst die de onderneming maakt.
Anders gezegd: de
erfgenamen hebben wel recht op dividend, maar hebben geen zeggenschap in de
onderneming.
Hoe gaat dat in de praktijk?
De aandeelhouder
draagt zijn aandelen over ten titel van beheer aan een speciaal daartoe in het
leven geroepen Stichting Administratiekantoor (StAk). De StAk geeft in ruil
daarvoor certificaten van aandelen uit aan de oorspronkelijke aandeelhouder,
thans certificaathouder. De oude aandeelhouder heeft zijn stemrecht overgedragen
aan de stichting. Het stichtingsbestuur, dat wordt samengesteld door de DGA
zelf, kan daarmee beslissen over het wel en wee van de onderneming. Omdat het
bestuur is samengesteld uit mensen die (vaak) meewerken in maar in ieder geval
betrokken zijn bij het bedrijf, zullen zij de continuïteit van het bedrijf hoog
in het vaandel houden. Het is daarbij wel van belang met niet-royeerbare
certificaten te werken; deze kunnen niet zonder instemming van het bestuur
worden omgewisseld voor aandelen. Royeerbare certificaten kunnen te allen tijde
worden omgewisseld, waardoor de opzet zou mislukken.
Decertificering van aandelen:
In geval van
decertificering draagt het StAK de gecertificeerde aandelen weer over aan de
certificaathouder, die dan weer aandeelhouder wordt en alsdan weer zijn
stemrecht zal kunnen uitoefenen. In geval van niet-royeerbare certificaten is
hierbij toestemming van het bestuur van de SA vereist, bij royeerbare
certificaten kan dit dus zonder toestemming van het bestuur gebeuren.
Overigens kunnen
op dezelfde wijze ook andere vermogensbestanddelen worden gecertificeerd. Het
is bekend dat sommige kunstverzamelingen zijn gecertificeerd en ook met
onroerende goederen komt dit regelmatig voor. Bedoeling daarvan is telkens om
“de boel bij elkaar te houden” danwel belanghebbenden een stuk zeggenschap met
betrekking tot het bezit te ontnemen zonder ook meteen de vruchten van het
bezit aan hen te onttrekken.
May 19, 2014
Beslag op salarissen (2)
January 08, 2014
Nieuwe bilaterale regeling tussen Nederland en Curaçao, alsmede toepassing artikel 35a huidige BRK in 2016
Nieuwe bilaterale regeling tussen Nederland en Curaçao, alsmede toepassing artikel 35a
huidige BRK in 2016
1. Inleiding
In december 2013 is tussen Curaçao en Nederland overeenstemming bereikt over de tekst van een
nieuwe bilaterale regeling ter voorkoming van dubbele belasting tussen beide landen. Bedoeling is
dat deze nieuwe bilaterale regeling de huidige uit 1964 daterende Belastingregeling voor het
Koninkrijk (BRK) in de verhouding Nederland- Curaçao gaat vervangen.
De nieuwe bilaterale regeling zal de formele status krijgen van een Rijkswet. Alvorens de nieuwe
bilaterale regeling toepassing kan vinden, dient het parlementaire traject in beide landen doorlopen
te zijn. De verwachting is dat de nieuwe bilaterale regeling vanaf 1 januari 2015 zal gaan gelden.
2. Hoofdlijnen uit de regeling en toepassing artikel 35a huidige BRK
Tot 5 jaar na emigratie kan erf- en schenkingsrecht worden geheven onder verrekening van
de heffing in het andere land (subsidiair heffingsrecht);
Nederland en Curacao zullen (automatisch) informatie uitwisselen conform de internationale
standaard;
naast een bronheffingspercentage voor dividenden van 15 procent zal er voor actieve
vennootschappen een nulprocenttarief komen op deelnemingsdividend. Hierbij zal worden
voorzien in een zogenoemde ‘limitation on benefitsbepaling’;
voor bestaande participaties van ten minste 25 procent die niet in aanmerking komen voor het
nulprocenttarief geldt tot uiterlijk eind 2019 een bronheffingspercentage op
deelnemingsdividenden van 5 procent;
voor niet overheidspensioenen geldt een gedeeld heffingsrecht met een bronstaatheffing van
15% in combinatie met eerbiedigende werking (woonstaatheffing) voor ingegane pensioenen
van Nederlanders die reeds op Curacao wonen;
een bronstaatheffing voor de beloningen van sporters en artiesten;
een bronstaatheffing voor beloningen voor het verrichten van diensten langer dan 183 dagen
(service PE);
een bronheffingsrecht voor dividenden en vervreemdingswinsten over voor emigratie
opgebouwde aanmerkelijk belangwinsten;
een regeling gericht op zogenoemde hybride entiteiten;
een regeling voor onderling overleg met de mogelijkheid van (verplichte) arbitrage;
in 2014 blijft, vooruitlopend op de nieuwe bilaterale regeling, artikel 35a van de huidige BRK
achterwege met betrekking tot de toepassing van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969, met dien verstande dat dit laatste artikel niet wordt
toegepast.
November 27, 2013
EEN GOED VERZORGDE OUDE DAG
Memorandum inzake Beschikking Pensioen
Bij Ministeriele
Beschikking met algemene werking van 29 juli 2000 (Pb 2000, No 76 is de
Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 ingrijpend gewijzigd. Vervolgens
hebben deze wijzigingen bij Landsverordening van 3 augustus 2001 (Pb, 94)
kracht van wet gekregen. Ook zijn door de wetgever in de Landsverordening op de
loonbelasting 1976 wijzigingen aangebracht. Onder meer zijn de artikelen 6A en
6B ingevoegd welke een kader scheppen voor een wettelijke regeling omtrent
pensioenen. Dit kader is bij Publicatieblad No 35, 2002 (Beschikking
pensioenen) nader ingevuld. Onderstaand wordt op deze regeling nader ingegaan.
Artikel 6A geeft
een definitie van een pensioenregeling welke er op neer komt dat een dergelijke
regeling ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij
invaliditeit of ouderdom alsmede van hun nagelaten betrekkingen. Verder mag een
pensioenregelingen niet uitgaan boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen
redelijk wordt geacht. Tevens dient het lichaam dat als pensioenverzekeraar
optreedt de pensioenverplichting tot haar binnenlandse ondernemingsvermogen
rekenen.
Lid 2 van artikel
6A geeft dan aan de Minister van Financien de bevoegdheid om nadere regels te
geven omtrent het hierboven genoemde en om onder voorwaarden een afwijkende
regeling toch als een pensioenregeling in de zin van artikel 6A aan te wijzen.
Artikel 6B bepaalt
welke gebeurtenissen aanleiding geven om de pensioenaanspraak aan te merken als
loon. Dit doet zich voor bij afkoop en vervreemding en ingeval de regeling
voorwerp van zekerheid wordt; de verzekeraar ophoudt binnen de Nederlandse
Antillen te zijn gevestigd dan wel het pensioenvermogen niet langer (geheel of
gedeeltelijk) tot het binnenlands pensioenvermogen rekent; aan aanspraak
ingevolge een pensioenregeling wordt prijsgegegeven.
Afkoop wordt niet
getroffen door het hierboven bepaalde indien de pensioenverplichting geheel of
gedeeltelijk overgaat naar een binnen de Curacao gevestigde pensioenverzekeraar
die de verplichting tot zijn binnenlands ondernemingsvermogen rekent. Onder
voorwaarden kan de Minister van Financien dit ook van toepassing verklaren, zo
bepaalt lid 3 van artikel 6B, op pensioenverplichtingen welke geheel of
gedeeltelijk overgaan op een in Nederland, Aruba dan wel een verdragsland
gevestigde verzekeraar.
De Beschikking
pensioenen (hierna: “de Beschikking”) geeft nadere invulling aan 6A lid 2 en 6B
lid van de Landsverordening op de loonbelasting 1976 (hierna: “LLB”).
De Beschikking is
opgebouwd uit 16 artikelen. Artikel 1 geeft aan wie als verzekeraar wordt
beschouwd. Op grond van lid 1 letter d van dit artikel kan worden geconcludeerd
dat in ieder geval de opbouw in eigen beheer nog steeds mogelijk is. Expliciet
is uitgezonderd dat een Stichting Particulier Fonds als verzekeraar van een
pensioen kan fungeren.
Artikel 2 geeft aan
wat onder een maatschappelijk aanvaardbaar pensioen dient te worden beschouwd.
De navolgende criteria zijn van belang:
v Het pensioen bedraagt maximaal 70 procent van het pensioengevend loon
en wordt met een percentage van maximaal 2 per jaar opgebouwd. Er wordt een
rekenrente in aanmerking genomen van tenminste 4 procent.
v De pensioenrichtleeftijd van een ouderdomspensioen is 60 jaar en het
pensioen gaat niet eerder in dan op de 55-jarige leeftijd en iet later dan op
65-jarige leeftijd.
v Gaat het ouderdomspensioen eerder in dan bij de 60-jarige leeftijd dan
wordt het pro rata herrekend met inachtneming van actuariele grondslagen.
v Het ouderdomspensioen kan niet uitgaan boven 70 procent van het
pensioengevend loon op het tijdstip van ingang.
v Het weduwe-of-weduwenpensioen alsmede het wezenpensioen zijn
gemaximeerd tot respectievelijk 70 en 14 procent van het ouderdomspensioen en
mogen tezamen meer bedragen dan het voordien genoten pensioengevend loon
v Een invaliditeitspensioen bedraagt maximaal 80 procent van het
pensioengevend loon
v De pensioenuitkeringen mogen in hoogte varieren ten opzichte van
elkaar. De mate van variatie moet echter worden vastgesteld en verder geldt dat
de laagste uitkering niet lager mag zijn dan 75% van de hoogste uikering.
v Verder is een partnerpensioen toegestaan. Wordt er verder fiscaal enkel
rekening gekeken of men gehuwd of ongehuwd is; de beschikking houdt rekening
met degenen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren.
Het pensioengevend
loon omvat maximaal alle structurele vaste loonbestanddelen. Expliciet is
bepaald dat loon in natura eveneens hiertoe gerekend kan worden waardoor
bijvoorbeeld de auto van de zaak voor 15% van de cataloguswaarde tot het
pensioengevend loon kan behoren. Loonstijgingen welke zich voordoen gedurende 5
jaren voorafgaand aan de pensioendatum mogen slechts in aanmerking worden
genomen tot maximaal 2% boven de gemiddelde loonindex. Dit ligt anders indien
sprake is van een normale leeftijdsperiodiek of een gangbare functiewijziging.
Daartegenover staat dan weer dan met een loonsverlaging wegens demotie of het
aanvaarden van een deeltijdfunctie buiten aanmerking kan blijven indien deze
zich voordoet binnen 10 jaren voorafgaand aan de ingangsdatum van het pensioen.
De waardering van
de pensioenverplichtingen vindt plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde
actuariele grondslagen. De te hanteren rekenrente bedraagt mininmaal 4%. Het
pensioenlichaam mag echter een algemene reserve van 10% van de wiskundige
reserve aanhouden. Een interessante aspect van deze waarderingsregels is de
volgende. De Beschikking is een uitvoeringsregeling van de artikelen 6A, tweede
lid ne 6B derde lid van de Landsverordening op de loonbelasting 1976. De
waardering van pensioenen regardeert de loonbelasting echter niet. Hetgeen de
vraag oproept of de Minister van Financien met deze beschikking op dit punt dan
ook niet te ver gaat. Volgens mij moet deze vraag bevestigend worden beantwoord
en is de Beschikking op dit dan ook onverbindend. Indien de Minister
waarderingsregels voor pensioenen wil invoeren zal dat moeten door daarvoor de
Landsverordening op de winstbelasting 1940 te wijzigen. Indien deze
bijvoorbeeld een kader hiervoor zouden scheppen zouden met een eenvoudige
wijziging van de Beschikking –door een verwijzing naar het desbetreffende artikel in de
Landsverordening op de winstbelasting 1940- de waarderingsregels voor
pensioenopbouw in mijn optiek niet langer onverbindend zijn. De beschikking
gaat echter nog verder. In artikel 12 stelt zij dat de waardering van
pensioenverplichtingen welke worden opgebouwd door lichamen vallende onder
artikel 2 lid 44 van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, onder
bovengenoemde waarderingsregels vallen. Hier draait de Minister de zaken echt
om. Het kan nooit zo zijn dat een Uitvoeringsregeling van de loonbelasting
invulling geeft aan de winstbelasting zonder de in de desbetreffende
landsverordening daarvoor ruimte wordt geboden. De Beschikking is immers van
lagere orde dan de Landsverordening op de winstbelasting 1940. De Minister
schendt in casu dus tweemaal een beginsel. Als eerste door in de beschikking
zaken op te nemen welke deze niet mag regelen nu hier enkel invulling mag
worden gegeven aan zaken welke de loonbelasting betreffen en als tweede door
deze regeling van lagere orde aan te wenden om aan een landsverordening (van
hogere orde dus) invulling te geven terwijl daarvoor de basis ontbreekt.
Artikel 12 van de Beschikking is mijn visie derhalve eveneens onverbindend.
Artikel 13 bepaalt
dan nog dat op 31 december bestaande pensioenaanspraken van een directeur
–grootaandeelhouder en andere belastingplichtigen zonder gevolgen voor de
belastingheffing tot en met 31 december 2001 respectievelijk 31 juni 2002 in
overeenstemming kunnen worden gebracht met artikel 6A van de Landsverordening
op de loonbelasting 1976 en de daarop gebaseerde regelgeving. Tot dan mogen er
geen dotaties aan het pensioenlichaam en aftrek op het inkomen plaatsvinden.
Ook deze bepaling is wederom grotendeels zinledig omdat deze met name kijkt
naar pensioenopbouw welke de winstbelasting betreft en niet de loonbelasting.
Waar in de Beschikking melding wordt gemaakt van belastingheffing kan dit
immers enkel terugslaan op de heffing van loonbelasting omdat de Beschikking
niet verder mag gaan dan omtrent nadere invulling te geven.
www.mullertax.com
Division of an N.V. under Curacao law
Introduction
The new possibilities of the legal division
are interesting. There are two types of division: the absolute division and the split-off. Where we use the abbreviation N.V. same goes for a B.V..
With an absolute
division the entire capital of the existing N.V (f.i. A N.V.) passes over
to two or more other N.V.’s or B.V.’s (f.i. B N.V. and C N.V.) which can be
created on the occasion of the division if desired. The shareholders of A. N.V.
become shareholders of B N.V. and C N.V and A N.V. ceases to exist.
It is also possible within the frame of an absolute division
that the splitting N.V. (A N.V.) acquires all the shares of B N.V. and/or C
N.V, in which case A N.V. continues to exist.
In case of a split-off
only a part of the assets and liabilities of an N.V. (f.i. D N.V.) is
transferred to two or more other N.V.’s or B.V.’s (f.i. E N.V and F N.V.) Either
E N.V. or F N.V. or both have to issue shares to D N.V. or its shareholders. As
in the case of the absolute division it is possible to pass the assets and
liabilities over to existing N.V’s or to N.V.’s that are founded at the
splitting.
To prevent abuse of the legal splitting, it is required by
law that the net worth of the assets and liabilities that any N.V. acquires is
not negative. The same holds for the net worth that stays in the splitting N.V.
Procedure
The procedure of a splitting looks rather complicated, but
we have to take into account that without this legal possibility, it would be a
lot more difficult and complicated to get the same result, if possible.
A division (whether an absolute one or a split-off) can only
be executed by a notarial deed.
The Board of Management has to prepare a detailed proposal
for the splitting, containing a.o.:
–
the legal form of the receiving corporation
–
the articles of incorporation (statuten) of both the
splitting and the receiving N.V.’s. In case the receiving N.V.’s will be
created at the occasion of the splitting,
a draft of the deed of incorporation (ontwerp van de akte van
oprichting).
–
whether all the assets and liabilities will be
transferred or only a part of them
–
a detailed description of the assets and liabilities
each receiving N.V. will acquire, and the same for the assets and liabilities
that will remain in the splitting N.V. (if any).
–
the value of the part of all the assets and liabilities
that any of the receiving N.V.’s will acquire and the value of the part of all
the assets and liabilities that remain in the splitting N.V (if any).
–
the intentions about the composition of the Board of
Management of all the N.V.’s concerned.
–
the intended measures as regards the acquisition of
shares in the receiving N.V.’s by the current shareholders of the splitting
N.V.
The Board of Management has to state in writing the reasons
for the division and the expected consequences for the activities with an
explanation from a juridical, business and social point of view.
This proposal should be presented to the Chamber of Commerce
with the latest three approved annual accounts. In case the latest fincancial
year for which annual accounts have been adopted, has expired more than six
months before, the Board of Management has to compile a interim statement of
assets and liabilities. The division should be announced officially in the
“Publicatieblad van de Nederlandse
Antillen” and a local newspaper.
Within a month after this publication, any creditor or other
contractual party can lodge an objection against the intended division. The
judge decides on such an objection.
The decision to divide or split the N.V. has to be taken by
the general meeting of shareholders, at least a month after the official
announcement of the division. The same formalities and the same majority rules
apply as in case of a change of the articles of incorporation.
All N.V’s that take part in the division are liable for the
performance of contracts of the splitting N.V.
Simplified procedure
Unless the articles of incorporation rule otherwise, an
existing receiving N.V. can decide to agree with the division by a decision of
the Board of Management. The same holds for the splitting N.V. if all receiving
N.V.’s are founded on occasion of the splitting and the splitting N.V. will
become their only shareholder. In that case it is not necessary to include in
the proposal for the splitting a detailed calculation of the exchange ratio of
the shares, approved by a registered account. This would be necessary in the
case of existing N.V’s that receive assets and liabities.
Fiscal aspects
The assets and liabilities of the splitting N.V. are
transferred to the acquiring N.V.’s and, withour further regulations, this
would cause taxable profit if the net value thereof is higher than the book
value, except in case the acquiring N.V.’s exist already and all are part of a
fiscal entity together with the splitting N.V.
In the near future a regulation is expected for the merger
and division as regards the passing on of reserves (hidden and fiscal) and
goodwill to the acquiring N.V.’s comparable to the existing regulation for the
transition of assets from a sole proprietorship to an N.V. The aforementioned
regulation holds that the difference between market value and book value of the
business that is brought into the N.V, is exempted from income tax on the
condition that the N.V. that continues the business, will apply the same valuation
principle and the same book values of the assets and liabilities (including
goodwill) as they had in the sole proprietorship. This means that the N.V. has
to apply lower depreciations during the depreciable life of the assets than in
the case wherein it could value those assets (including goodwill) at the
takeover price, as would be sound commercial practice.
After the division, the dividing N.V. (if it continues to
exist and acquires the shares in the receiving N.V.’s) can apply the
participation exemption when it sells the shares in the receiving N.V.’s. The
shares should not be sold within a three year period though, because in that
case the division is supposed not to have taken place for business purposes,
and the facilities for the division will not be applicable, unless business purposes
for the division can be proved or made plausible.
But at the moment there is no such a regulation for the
merger nor for the division. For this reason, it is necessary to negotiate with
the tax authorities to assure a division without fiscal problems.
For the immovable property of the dividing N.V. the transfer
tax has also to be taken into account. At this moment there is no provision in
the transer tax for the transition of
immovable property in within the framework of a legal division. The N.V. that
acquires immoval property during the division, would owe this tax according to
the letter of the law, which amounts to 4%. But we have a notarial commitment
that the transfer tax is not applicable in case of a division.
As far as the sales tax is concerned, there is a regulation
for the transfer of a business that dates from 2001, years before the
introduction of the legal merger and division. But the wordings of it are
rather general and this regulation seems to be applicable to legal merger and
division.
We have advised on splitting a company in a case where 2 siblings were shareholders in an N.V. with sizable assets. The siblings differed in opinion on how to proceed so we made two separate N.V.'s out of one so that both could go their merry way.
www.mullertax.com
Structuring of E-zone companies
Muller & Associates has extensive experience with respect to Curacao based e-zone companies. We can act as your agent when it comes to e-zone. Agent in the sense that we can act your middle man between you and the local director of your e-zone company.
If one adheres to some simple rules taxation on e-zone income is limited to 2 percent.
That is not difficult nor a challenge. Where then lies the challenge? That is in that one now has low taxed income in a Curacao e-zone company. How does one keep this income available and low-taxed at the same time? I am not saying that I have all the answers here because this strongly depends on every different case at hand. Sometimes it is possible with a simple structuring to achieve this goal of low-taxation; sometimes it takes high-level planning and discussions with tax lawyer/advisers based in other juridictions. So the set-up of an e-zone is not difficult but keeping the e-zone income low-taxed is something one should consider from the beginning. It is just each and every time tailor-made. So don't let yourself be fooled by those only offering to assist you in setting up an e-zone company. That is the easy part.
For any input on this do not hesitate to contact us via: peter.muller@mullertax.com
If one adheres to some simple rules taxation on e-zone income is limited to 2 percent.
That is not difficult nor a challenge. Where then lies the challenge? That is in that one now has low taxed income in a Curacao e-zone company. How does one keep this income available and low-taxed at the same time? I am not saying that I have all the answers here because this strongly depends on every different case at hand. Sometimes it is possible with a simple structuring to achieve this goal of low-taxation; sometimes it takes high-level planning and discussions with tax lawyer/advisers based in other juridictions. So the set-up of an e-zone is not difficult but keeping the e-zone income low-taxed is something one should consider from the beginning. It is just each and every time tailor-made. So don't let yourself be fooled by those only offering to assist you in setting up an e-zone company. That is the easy part.
For any input on this do not hesitate to contact us via: peter.muller@mullertax.com
www.mullertax.com
November 21, 2013
Balance between Law in theory and Law in practice
The university professors ingrained the idea in me that as a lawyer one should be versed in practice and theory. As a student I have been assisting in a research project for three years. That whole experience taught me a lot and I was very proud that this ended with a PhD with honors. Also I made my own small discovery in the field of sociology of law.
After graduating in 1993 I immediately started writing my first publication. As it was on the levying of taxes by waterships it was probably not much read but still.
Please find hereunder a bibliography of articles sofar.
After graduating in 1993 I immediately started writing my first publication. As it was on the levying of taxes by waterships it was probably not much read but still.
Please find hereunder a bibliography of articles sofar.
Tijdschrift voor
Antilliaans Recht – Justicia (Antilles law review)
2010 nr 2 “Witwassen,
inkeer en de rol van de financiele dienstverlener” (samen met mr L. Jager) (article
on moneylaundering and possible criminal consequences for the financial
services provider) (co-author)
2005 nr 3 “Time-share,
belasting op bedrijfsomzetten, tax holiday en toetsing door de overheid” (article
on time share, tax holiday and St. Maarten sales tax)
2003 nr 4 “De belastingadviseur als instrument in de strijd tegen money
laundering” (samen met mr L. Jaeger, (co-author) article on the role of the tax
lawyer in fighting money laundering)
2003 nr 1 “Een
goed verzorgde oude dag?” (samen
met drs J. Sybesma) article on fiscal pension planning) (co-author)
2002 nr 3 “Artikel
30 lid 2 Algemene Landsverordening Landsbelastingen” (article on formal tax
law)
2001 nr 4 “Aantekeningen
bij de Algemene Landsverordening Landsbelastingen” (article on formal tax law)
2001 nr 3 “De
nieuwe aanmerkelijk belangregeling” (the new substantial interest legislation)
2001 nr 2 “Invoering Algemene Termijnenlandsverordening” (article on
the extension Time limits act)
2001 nr 1 “Deelnemingsdivdenden onder de belastingregeling voor het
koninkrijk” (Participation dividends under the scope of the Tax Arrangement of
the Kindom)
2000 nr 2 “Vrije vestiging in de Nederlandse Antillen” (Free business
establishment in the Netherlands Antilles)
1999 nr2 “Terugwerkende kracht van belastingwetgeving” (co-author Dr
L.J.J.Rogier) (Retroactive force of fiscal legislation)
1999 nr 3 “Invoering Landsverordening omzetbelasting” (co-author Dr
L.J.J. Rogier) (Introduction of the Sales tax)
1999 nr 1 “De Stichting Particulier Fonds” (The Private Foundation)
(co-author Mr. R.O.L. Palm)
1998 nr 2 “Recente
wijzigingen in de Nederlands-Antillaanse belastingwetgeving (Recent changes in
Netherlands-Antilles fiscal legislation)
Boekenrecencies/Book reviews:
2010
nr 2 Jeroen Adeler en Jacques
Gankema, De algemene Landsverordening Landsbelastingen in de Nederlandse
Antillen
2004 nr 3 mr F.W. Lunsingh Scheurleer (Bundel
onder redactie van) Nederlands- Antilliaans recht voor de bank- en
financieringspraktijk. Nederlands Instituut
Bank-, Verzekerings- en Effectenbedrijf
2003 nr 2 Mr.
S.R. Vanenburg, mr. A. Kattouw, Het Nieuw Fiscaal Raamwerk op de Nederlandse
Antillen; de Antillen als ‘nieuwe’
vestigingsplaats voor de internationale financiële dienstensector
2001 nr 4 H.F.
Munneke; Recht en samenleving in de Nederlandse Antillen, Aruba en Suriname
Forfaitair
1993 “De
heffing van omslag door waterschappen” (levying of taxation by waterships)
2002 “Aantekeningen
bij de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (bewerking van twee artikelen
uit het Tijdschrift voor Antilliaans Recht-Justicia) (edited article on formal
tax law previously published in the Antilles law review)
2010 “Witwassen, inkeer en de rol van
de financiele dienstverlener” (samen met mr L. Jager) (article on
moneylaundering and possible penal consequences for the financial services
provider) co-author)
Practical
European Tax Strategies
2011 Tax
planning opportunities in Curacao: linking Spanish ETVE and a Curacao NABV
Offshore Red
2011 Tax
planning opportunities in Curacao: linking Spanish ETVE and a Curacao NABV
September 22, 2013
So, let's talk, what kind of tax lawyer/consultant do you want
Muller & Associates proudly delivers honest and original tax advice from 2001 on. We are service-minded and from that approach want you to like all and everything we have to offer. The way we welcome you into our life, offer you a coffee, our attitude to your specific problem and end of the day even our invoice. If in any part of our relationship you feel something went not as expected, trust us to understand you and address the issue at hand. We are service-minded to the bone and have the attitude to prove this to you every day of the week.
Feel welcome to join the Muller & Associates family!
www.mullertax.com
Feel welcome to join the Muller & Associates family!
www.mullertax.com
August 19, 2013
Witwassen, inkeer en de rol van de financiele adviseur/mr. P.E. Muller en mr. B.J.G.L. Jaeger
1 Inleiding
Onderstaand wordt ingegaan op witwassen, de dwarsverbanden met fiscale
fraude en de positie van mogelijke medeplegers en medeplichtigen daarbij. Aanleiding
voor het schrijven van dit artikel vormt het bijwonen van het Congres van de
Nederlandse Vereniging van Advocaten-belastingkundigen op Curaçao dat
plaatsvond in april 2009.
2 Wat
is witwassen?
Witwassen bestaat uit een combinatie van handelingen die er op zijn gericht
om zwart geld dat haar oorsprong in illegale activiteiten vindt te “witten”
door dit geld afkomstig te doen lijken uit legale activiteiten.
Het geheel van handelingen heeft als doel “rechtvaardiging”, hetgeen wil
zeggen het bedenken van een ogenschijnlijk wettige oorsprong van het geld, zo
schrijft Mul in zijn nog immer lezenswaardige dissertatie uit 1999.[1]
De intentie van bovenstaande -vanuit het perspectief van de witwasser- is
om in het maatschappelijk verkeer het vrije genot over zijn illegaal verkregen
inkomen te verkrijgen. Wetgevers misgunnen dit de witwasser uiteraard en hebben
witwassen strafbaar gesteld.Voorts kennen we in Nederland en de Nederlandse
Antillen daarnaast zogenaamde “Pluk ze”-wetgeving die als doel kent het gehele
wederrechtelijk verkregen voordeel weg te nemen.
Witwassen is in Nederland strafbaar gesteld in de artikelen 420bis, 420ter
en 420quater WvSr en in de Nederlandse Antillen in de artikelen 435a, 435b en
435c WvSr (zoals in werking getreden bij Pb. 2008/46).
3 Geschiedenis
De wieg van het witwasbegrip stond in Wenen waar in 1988 het VN verdrag
tegen sluikhandel in verdovende middelen en psychotropische stoffen werd
gesloten (Verdrag van Wenen, 18 december 1988). Dit verdrag is goedgekeurd voor
het gehele koninkrijk en de Nederlandse Antillen hebben daaraan in 1993 gevolg
geven (zie hieronder).
Daarna zijn er in Europa nog een aantal relevante verdragen tot stand
gekomen als ook Europese richtlijnen. Het gaat het bestek van dit artikel te
buiten om die hier te behandelen.
Voor invoering van de witwaswetgeving kon vervolging plaatsvinden op basis
van opzetheling, gewoonteheling en schuldheling. Volgens vaste rechtspraak valt
het helen van een gestolen goed door degene die de diefstal begaat niet te
bestraffen. In de strafrechtpraktijk wordt dit de “heler-steler-regel” genoemd.
Voor het Openbaar Ministerie vormde deze rechtspraak derhalve een beletsel bij
de vervolging van ‘witwassen’. Enkel het helen van de opbrengst van een ander
viel te bestraffen.De Nederlandse advocatuur heeft, omdat het in sommige
gevallen redelijk evident is dat advocaten betaald worden uit gelden met een
criminele herkomst, met justitie een ‘herenakkoord’ gesloten ter voorkoming van
vervolging voor heling. Deze zogenaamde Bruijninckx richtlijn zorgt dat
advocaten deze clienten (op betalende basis) kunnen bijstaan zonder zelf het
risico te lopen te worden blootgesteld aan strafvervolging op grond van
schuldheling[2].
4 Witwassen
in het Wetboek van strafrecht NA en NL
In artikel 420bis, eerste lid onder a WvSr en het gelijkluidende artikel in
het Nederlands Antilliaanse WSR wordt witwassen als volgt omschreven: “hij die
van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de
vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of
verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft,
terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is
uit enig misdrijf“.De Hoge Raad heeft in 2004(LJN: AP 2124, HR, 02679/03)
beslist dat “afkomstig uit enig misdrijf” in de delictsomschrijving gelezen
dient te worden als dat het niet anders kan zijn dan dat het desbetreffende
geldbedrag middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf. In de
literatuur ontstond een discussie over de interpretatie van deze gedachtegang.
Die discussie kan als volgt worden samengevat. Stel dat aangetoond wordt dat
iemand beschikt over zwart geld, dat wil zeggen gelden die voor de fiscus zijn
verzwegen. Verder is echter duidelijk dat de herkomst van deze gelden op zich
niet de opbrengst vormen van illegale activiteiten. Kan het openbaar ministerie
dan met rede de stelling betrekken dat het jaarlijks foutief invullen van de
aangifte het misdrijf vormt op basis waarvan sprake is van witwassen? Immers, het
verzwijgen van de rendementen op deze gelden is fiscaal onjuist,[3]
maar het niet afdragen aan de belastingdienst is niet de herkomst van het geld:
er is sprake van het crimineel behouden van geld, niet van het door
criminaliteit verwerven van geld. Koster heeft dit verwoord op de website van
Accountanynieuws[4].
In een tweetal artikelen bespreekt zij de gevolgen van een uitspraak van de
rechtbank Amsterdam waarbij de verdachte door het wegzetten op een Luxem-burgse
coderekening van de gelden en door deze gelden niet op te geven aan de
Belastingdienst zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 69
Algemene Wet inzake Rijksbelastingen hetgeen een misdrijf oplevert. Op 7
oktober 2008 heeft de Hoge Raad aan deze discussie een einde gemaakt:[5]
Ook het belastingmisdrijf kwalificeert als witwasdelict, ook het ontduiken van
belastingen maakt dat een gedeelte van het geld afkomstig is uit misdrijf. Nu
de verwachting is dat een aantal landen die voorheen vasthielden aan het
bankgeheim binnen afzienbare tijd meer transparantie zullen gaan vertonen zult
u begrijpen dat dit ook voor de praktijk een zeer relevante vraag was. In het
kader van de inkeerregeling is het een belangrijke vraag gebleven, aangezien de
inkeer slechts straffeloosheid voor het belastingmisdrijf toezegt en het de
vraag werd of vervolging voor witwassen na inkeer wel mogelijk zou zijn. Hoewel
er op dit onderdeel nog wel de nodige onduidelijkheid is blijven bestaan kan
uit de beantwoording van kamervragen worden opgemaakt dat het niet de bedoeling
is dat er na inkeer wordt vervolgd voor witwassen als de herkomst van de gelden
legaal is.[6]
6 Inkeerbepalingen
in de ALL en AWR voorkomt strafvervolging
Nederland en de Nederlandse Antillen kennen in respectievelijk artikel 67n
en het derde lid van artikel 69 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (P.B.
2001, no. 89) [7]
en artikel 49 lid 3 Algemene Landsverordening Landsbelastingen zogenaamde
inkeerbepalingen. Deze houden kort gezegd in dat indien men alsnog juiste en
volledige aangifte doet danwel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of
aanwijzingen verstrekt, voordat men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat
de Inspecteur of een van de in artikel 48, tweede lid, (Algemene
Landsverordening Landsbelastingen), bedoelde ambtenaren en personen de onjuistheid
of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, fiscale beboeting of
strafvervolging achterwege zal blijven. Daarbij moet bedacht worden dat de
inkeerregeling momenteel enorm aan populariteit wint bij degenen die in het
verleden gelden in het buitenland hebben gestald. Hiervoor zijn een drietal
redenen aan te voeren. Als eerste geldt de toenemende informatie-uitwisseling
tussen landen als gevolg van de Europese spaarrente-richtlijn en ook zogenaamde
Tax Exchange Information Agreements
welke tussen een aantal landen bestaan. Ook de Nederlandse Antillen
hebben een aantal van dergelijke verdragen afgesloten. Daarnaast zijn er een
aantal incidenten bij banken geweest zoals de KBL-zaak en de Van Lanschot Bank
te Luxemburg en meer recentelijk de LGT Bank te Liechtenstein. Onlangs heeft
Nederland zelfs informatie gekocht van een vermogensbeheerder en een vergoeding
voor die informatie toegekend op basis van een percentage van het na te
vorderen belastingbedrag. Als derde reden geldt dat het langzaam duidelijk
wordt dat het bankgeheim zoals dat bestaat in genoemde landen en ook in Zwitserland
zijn langste tijd heeft gehad. Al deze omstandigheden betekenen echter dat het
hoe langer hoe meer de vraag wordt of
het moment “voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de
Inspecteur of een van de in artikel 48, tweede lid bedoelde ambtenaren en
personen de onjuistheid of onvolledigheid bekend is” niet is gepasseerd.Een
enigszins geïnformeerde burger begrijpt immers dat de pakkans groter wordt
wanneer de opsporingsambtenaren al figuurlijk bij zijn tuinhekje staan. Hierbij
doet zich dan overigens nog het fenomeen voor dat de fiscale- en de
strafrechter deze kennis bij de toekomstige verdachte anders duiden. De fiscale
rechter neigt naar een meer objectieve inschatting terwijl de strafrechter van
huis uit meer kijkt naar de subjectieve inschatting die is gemaakt danwel
gemaakt had kunnen worden door degene die voor hem staat. Dan kan het opeens
van grote betekenis worden of men zich dient te verantwoorden voor een
strafrechter dan wel een belastingrechter. De strafrechter heeft in een
dergelijk geval de zaak namelijk “rond” door de inkeer als bekentenis aan te
merken.
7 De
positie van de (financiele) dienstverlener als medepleger en medeplichtige bij
witwassen
Mede door de per 1 juli 2009 ingevoerde vierde tranche van de AWB (Algemene
wet bestuursrecht) is in Nederland momenteel sprake van verhoogde
belangstelling voor de plaats van de financiele dienstverlener als medepleger
of medeplichtige bij het begaan van een fiscaal delict. Tot 1 juli jl. konden
medeplegers alleen strafrechtelijk worden aangesproken op betrokkenheid bij een
fiscaal delict, nu kan een medepleger ook worden beboet, hetgeen natuurlijk een
lagere drempel is om adviseurs aan te spreken. Zoals aangegeven bepaalt de AWB
sinds de invoering van de vierde tranche ondermeer dat een adviseur - naast
degene op wiens schouders de verplichting rust - ook beboet kan worden bij een
fiscaal vergrijp. Een financiële dienstverlener zal, tenzij het om zijn eigen
aangifte gaat, niet gauw worden beschouwd als pleger van een fiscaal delict.
Dit omdat een fiscaal delict een zogenaamd kwaliteitsdelict is waarbij derhalve
geldt dat de pleger een bepaalde kwaliteit moet bezitten. De adviseur beschikt
-in zijn hoedanigheid van adviseur- niet over deze kwaliteit en zal derhalve
enkel vervolgd kunnen worden als deelnemer.
Het strafrecht kent vier typen deelnemers te weten:
1 de medepleger;
2 de doen-pleger;
3 de uitlokker; en,
4 de medeplichtige.
De eerst drie genoemde typen kunnen betrekking hebben op zowel een
overtreding als een misdrijf. Medeplichtig kan men echter enkel zijn aan een
misdrijf. De medepleger is iemand die naast de materiele dader staat in een min
of meer horizontale verhouding. Voor strafbaarheid van medeplegen is een
zogenaamd dubbel opzetvereiste nodig. Opzet dient te zijn die gericht op het
feit en op de samenwerking met de materiele dader en er moet gezamenlijke
uitvoering zijn. De doen-pleger is de auctor intellectualis van het strafbaar
feit die zich bedient van een materiele dader. Ook hierbij is sprake van dubbel
opzet van de doen-pleger: op de gedraging van de materiele dader alsmede
bewustheid van de doen-pleger op het handelen van de materiele dader. De
materiele dader moet hierbij straffeloos zijn (is hij dat niet dan is sprake
van bijvoorbeeld uitlokking en niet meer van doen-plegen). Als laatste geldt
dat het door de materiele dader begane feit strafbaar moet zijn.
Voor strafbare uitlokking gelden de navolgende vier eisen:
(1) wederom dubbel opzet; gericht op het uitgelokte feit als ook op de
uitlokking zelf; (2) de materiele dader moet tot initiatieven zijn gewekt; (3) de
uitlokking kan enkel worden bestraft indien deze plaatsvindt door middel van in
de wet genoemde uitlokkings-middelen; en, (4) het
uitgelokte feit moet strafbaar zijn. Voor medeplichtigheid geldt (in
tegenstelling tot medeplegen) dat meer sprake is van een verticale verhouding
ten opzichte van de hoofddader. Ook hier geldt wederom een dubbel opzet
(gericht op het strafbare feit als ook de ondersteuning daarvan); de
ondersteuning moet als doel hebben het plegen van het misdrijf en het
ondersteunde feitencomplex moet een strafbaar feit opleveren. Zoals hierboven
al genoemd is een fiscaal delict een zogenaamd kwaliteitsdelict en kan een
fiscaal adviseur daarin nimmer de hoofdpleger zijn maar enkel een deelnemer
zoals een medepleger. De fiscale boete heeft te gelden als een straf zoals
bedoeld in artikel 6 EVRM en boete-oplegging behoort in dat kader dan ook met
waarborgen omgeven te zijn.
8 De fiscale boete
Zoals elke bij de fiscaliteit betrokken adviseur wel weet, leidt het niet
naleven van de fiscale verplichtingen bijzonder snel tot oplegging van boeten.
Naast de verzuimboeten die zien op foutjes, zien op te leggen vergrijpboeten op
het administratief bestraffen van verwijtbaar handelen. In beginsel worden
verzuim- en vergrijpboeten tezamen met de aanslag opgelegd en treffen deze
slechts degene aan wie de aanslag moet worden opgelegd, de aangifteplichtige.
Even afgezien van civiele en eventueel tuchtrechtelijke consequenties, liep de
adviseur in Nederland tot 1 juli jl. administratiefrechtelijk derhalve geen
risico.
9 Het punitieve
begrippenkader
a) De ‘criminal charge’
Zowel strafrechtelijk als (inmiddels) administratiefrechtelijk kan de
adviseur geconfronteerd worden met punitieve, bestraffende, maatregelen. Beide
maatregelen hebben gemeen dat ze, in tegenstelling tot het materieel
belastingrecht, vallen onder de vigeur van art. 6 EVRM. Zodra sprake is van een
uitgesproken voornemen tot het treffen van een van beide maatregelen dan wel de
adviseur uit een handeling van het bestuursorganaan in redelijkheid kan opmaken
dat hem (mede) een verwijt wordt gemaakt, komen aan de ‘verdachte’ de
waarborgen van voornoemd artikel toe. De adviseur komen het zwijgrecht,[8]
het recht niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling, en het recht op
bijstand toe. De informatieverplichtingen en meewerkverplichtingen zijn (nog)
minder vanzelfsprekend en ook naar het gebruik van onrechtmatig verkregen
bewijs moet genuanceerder worden gekeken. Hoewel het laatste woord er nog niet
over is gezegd, sterker nog, de lijn van de Hoge Raad anders is, kan worden
afgevraagd of medewerking ten aanzien van de vaststelling van het materiële
recht nog kan worden verlangd indien er sprake is van een ‘charge’[9].
Dulden moet, maar actief stukken overdragen hoeft (mogelijk) niet.
b) Het begrip ‘opzet’
“Het wetboek geeft geen definitie van ‘opzet’. In zijn kern is het begrip
trouwens voor ieder helder. Opzet bestaat in ieder geval ten aanzien van dat
gedrag waarop onze wil gericht is geweest, ten aanzien van de daarmee beoogde
gevolgen en ten aanzien van de
omstandigheden en gevolgen die men zich als zeker er mede verbonden
heeft voorgesteld. In zover is opzet willens en wetens”[10]
Voor de toetsing in het strafrecht hoeft dit willen en weten zich overigens
slechts uit te strekken tot de gedraging zelf, niet tot het wederrechtelijke
karakter daarvan (boos opzet). In de literatuur is dit wel betoogd,[11]
maar totnogtoe is de rechtelijke macht niet erg gevoelig gebleken voor het
inperken van opzet bij fiscale delicten, ondanks dat de handeling zelf, het
doen van aangifte, (in de regel) een verplichting is.
c) Voorwaardelijk opzet
Opzet kent vele vormen. Allereerst, aan de bovenkant, het zekerheids-,
noodzakelijkheids- of waarschijnlijkheidsbewustzijn. Daarnaast, aan de
onderkant, opzet als mogelijkheidsbewustzijn, ofwel voorwaardelijk opzet.
Voorwaardelijk opzet (in fiscale zin) is het zich willens en wetens blootstellen
aan de aanmerkelijke kans dat de gedane aangifte onjuist is, in de zin van het
aanvaarden van die kans en dat op de koop toe nemen.[12]
Het bewust zijn van de mogelijkheid, maar die niet aanvaarden, noch het bewust
horen te zijn of het redelijkerwijs horen te begrijpen, is onvoldoende voor
opzet. In een dergelijk geval is (eventueel) sprake van ‘grove schuld’. Ervan
uitgaan en er (blind) op vertrouwen dat de adviseur op juiste wijze invulling
geeft aan de fiscale verplichtingen, is – zonder bijkomende omstandigheden –
geen opzet. Volstrekt geen interesse hebben in wat de adviseur doet en om die
reden niets controleren, net wel. De ondergrens van voorwaardelijk opzet is
lastig te trekken, maar er is meer voor nodig dan het aanvaarden van het
geenszins te verwaarlozen risico dat te weinig belasting wordt voldaan. In het
onderkennen van het risico ligt immers niet besloten dat daarmee willens en
wetens dat risico is aanvaard. Het lijkt erop dat de Hoge Raad de in de loop
der tijd ogenschijnlijk wat verwaterde grens tussen opzet en grove schuld met
de hiv-arresten weer wat heeft aangescherpt[13] en een
inzichtelijke motivering verlangt van waarom er sprake is van aanvaarding van
het gevolg. Feit blijft dat, ondanks deze laatste arresten, er regelmatig
weinig voor nodig is om de mate van bewustzijn nodig voor (voorwaardelijk)
opzet bewezen te achten.
d) De aanmerkelijke kans en het strekkings vereiste
“De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een
bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het
geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de
omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het
begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg.
Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene
ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.”[14]
Ons beperkende tot het misdrijf van het doen van een onjuiste aangifte, is
een belangrijke vraag of de beoordeling van de aanmerkelijke kans dat het
gevolg zich voordoet, tevens ziet op de kans dat met die aangifte te weinig
belasting wordt geheven (het zogenoemde strekkingsvereiste). Het antwoord op
deze vraag, althans de huidige lijn daarin, is hiervoor enigszins weergegeven,
waar geconstateerd wordt dat de rechtspraak niet uitgaat van ‘boos opzet’. Elke
adviseur weet wel dat belastingwetgeving omvangrijk en ingewikkeld is, nog afgezien van de vele elkaar opeenvolgende
wijzigingen die nauwelijks meer bij te houden zijn, dat het naïef zou zijn te
beweren dat een (niet al te basale) aangifte foutloos is. Door betrokken te
zijn en te blijven bij het doen van aangifte aanvaardt elke adviseur dat hij
bij tijd en wijle onjuiste aangiften doet en neemt hij het risico daarvan op de
koop toe. Deze constatering is overigens niet nieuw. Ook Wattel[15]
constateerde aldus in 1989. Dat de adviseur niet bij voortduring misdrijven
pleegt, is enerzijds een gevolg van de nuancering van de aanvaarding (hij weet
dat het fout kan gaan, maar streeft naar het doen van juiste aangiften en
aanvaardt het gevolg derhalve niet), anderzijds van het strekkingsvereiste.
Alle onjuiste aangiften die (uit de geobjectiveerde aard van de onjuistheid)
niet leiden tot belastingnadeel voor de overheid zijn niet strafbaar onjuist. Met
dit strekkingsvereiste heeft de wetgever duidelijk gemaakt dat het niet alleen
of zozeer gaat om de valsheid, maar mede om het gevolg van die valsheid.. Deze
bedoeling overziende, is de vraag of een op zichzelf genomen onjuiste aangifte,
die geen aanmerkelijke kans in zich draagt dat er te weinig belasting wordt
betaald, nog mag worden bestraft? Mag de Belastingdienst (of het OM)
bijvoorbeeld iemand nog voor de voeten werpen dat gegevens die bij de
Belastingdienst bekend zijn maar niet in de aangifte worden verwerkt, hetwelk
vanzelfsprekend bij de aanslagregeling wordt onderkend, een strafbare aangifte
oplevert? De huidige jurisprudentie lijkt uit te gaan van het mogen bestraffen
van niet in de aangifte opgenomen, maar wel aan de Belastingdienst gerenseigneerde,
gegevens. Ik zou menen dat wegens het ontbreken van de aanmerkelijke kans dat
er te weinig belasting wordt geheven, of dat nou een gebrek is aan het opzet,
dan wel een gebrek aan het strekkingsvereiste, dit soort onjuistheden niet meer
in aanmerking komt voor beboeting of vervolging.
e) Toerekening van willen en weten
In het standaardarrest van 15 juli 1988[16] oordeelde
de Hoge Raad dat opzet of grove schuld van de belastingadviseur de
belastingplichtige niet disculpeert, tenzij hij in redelijkheid aan de fiscale
aanvaardbaarheid van de gedragingen van de adviseur niet behoefde te twijfelen.
Slechts bij zorgvuldige selectie van de adviseur en duidelijk getroffen
maatregelen waaruit blijkt dat de belastingplichtige de begane fout heeft
trachten te voorkomen, vond de min of meer automatische toerekening van kennis,
kunde en opzet of grove schuld van de adviseur aan de belastingplichtige niet
plaats. In zijn arrest van 1 december 2006[17] komt de
Hoge Raad op dit oordeel terug. De Hoge Raad komt tot het inzicht dat de min of
meer automatische toerekening van opzet of grove schuld van een ander aan de
belastingplichtige in strijd zou kunnen zijn met de onschuldpresumptie van het
EVRM. Sindsdien geldt dat slechts toerekening plaatsvindt indien de
belastingplichtige niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kon
worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en/of in de samenwerking met die
adviseur. Hiermee is een einde gekomen aan het verschil dat er sinds 1988
bestond tussen de strafrechtelijke wijze van toerekening en de
fiscaalrechtelijke. Daarna zijn veel boeteopleggingen gesneuveld,[18]omdat
de Belastingdienst de mate van verwijtbaarheid bij de belastingplichtige zelf
onvoldoende had gemotiveerd. De motiveringen beschreven enkel de
verwijtbaarheid van de adviseur die zonder bijkomende omstandigheden te
schetsen aan de belastingplichtige werd toegerekend.
f) Medeplegen
“De rechtspraak van de Hoge Raad heeft de laatste decennia een verruiming
van het medeplegen ten koste van de medeplichtigheid getoond. Dat voor
medeplegen niet meer noodzakelijk is dat de verdachte zelf een
uitvoeringshandeling pleegt is inmiddels vaste rechtspraak. Als er maar van een
bewuste, nauwe en volledige samenwerking sprake is. Die volledige en nauwe
samenwerking zal erin hebben kunnen bestaan dat de medepleger nauw bij de
planning, voorbereiding en organisatie van het voorgenomen misdrijf betrokken
is geweest. (...) Voor medeplegen is niet eens nodig dat men lijfelijk aanwezig
is op de plaats van de uitvoering van het delikt. Wel nodig is dat men hetzij
een uitvoeringshandeling heeft gepleegd, hetzij bewust volledig en nauw heeft
samengewerkt. Ontbreekt zowel het een als het ander dan zal van medeplegen geen
sprake kunnen zijn.”[19]
Er moet sprake zijn van een bewuste samenwerking en een gezamelijke
uitvoering. Voor strafbaarheid van de medepleger is niet vereist dat zowel hij
als de pleger alle bestanddelen van het delict vervullen[20], wel – zo
lijkt het – dient niet alleen de samenwerking bewust te zijn, maar moet dit
bewustzijn zich ook uitstrekken tot de beoogde strafbare gedraging.[21]
Samenwerken kan voorts ook bestaan uit niets doen, daar waar handelen (meestal
in de zin van je distantiëren) verwacht mocht worden.[22] Hoewel
het verschil tussen medeplegen en medeplichtigheid straks bij boeteprocedures
doorslaggevend gaat zijn, is het velen duidelijk dat de strafrechtelijke
jurisprudentie weinig aanknopingspunten biedt voor een helder en eenduidig
onderscheid. Zoals in voorgaande paragraaf is aangegeven kan (ook) bij fiscale
beboeting sinds 1 december 2006 kennis, kunde en geestesgesteldheid van de
adviseur niet meer automatisch worden toegerekend aan de belastingplichtige. In
deze paragraaf is aangegeven dat voor medeplegen bewuste samenwerking nodig is.
Bewuste samenwerking impliceert opzet bij zowel de pleger als de medepleger.
Overeenkomstig oordeelde de Hoge Raad (in een niet fiscale procedure) dat van
medeplegen geen sprake kan zijn als opzet bij de mededader ontbreekt (voetnoot:
HR 6 december 2005, nr. 03430/04, NJ 2007/456). Beide uitspraken gecombineerd
houdt in dat indien het opzet van de belastingplichtige niet kan worden
bewezen, de adviseur ook niet kan worden beboet of worden veroordeeld.
De lijn van deze jurisprudentie betekend aldus evenzeer dat indien een
belastingplichtige terzake een verwijt de duimschroeven worden aangedraaid en
alsdan zijn adviseur aanwijst als degene die moet worden aangekeken op de fout,
de adviseur er geen goed aan doet dit doorgeschoven verwijt te weerleggen.
Gelet op de primaire focus bij adviseurs op beroepsfouten en civiele
aansprakelijkheid, zal het nog een enorme opgaaf zijn te weten wanneer er
boete-/strafrechtelijk beter kan worden gezwegen en een verwijt van een cliënt
zinvoller kan worden geslikt of zelfs moet worden onderschreven.
g) Het pleitbaar standpunt
Nagenoeg alle hiervoor besproken begrippen zijn vanuit het strafrecht in
het (fiscaal) bestuursrecht overgenomen en worden, enkele nuanceringen
daargelaten, op dezelfde wijze uitgelegd. Zelfs bij de toerekening zit de
belastingrechter inmiddels op de strafrechtelijke lijn. Een van de weinige
begrippen die vanuit het fiscaal boeterecht langzaam maar gestaag zijn intrede
doet in het fiscaal strafrecht is het pleitbaar standpunt. Volgens een recente
wijziging van het Nederlandse boetebesluit is van een pleitbaar standpunt
sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de jurisprudentie en de
heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat
belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen.[23]
Het heeft er de schijn van dat de strafkamers er een ietwat eigen
interpretatie op na houden. De fiscale leer is een geobjectiveerde. Dat wil
zeggen dat de vraag of de belastingplichtige bij het doen van aangifte meende
juist te handelen (hetgeen immers op zichzelf al een gebrek aan het opzet
oplevert) niet doorslaggevend is, maar de vraag of het in de aangifte ingenomen
standpunt op zichzelf genomen redelijkerwijs verdedigbaar is (desnoods
achteraf). Strafrechtelijk wordt duidelijk de subjectieve leer aangehouden,
zoals bijvoorbeeld bij de Hiddink-uitspraak[24],
maar ook uit andere recente jurisprudentie moge dit dblijken.
10 Conclusie
De strijd tegen witwassen en het corrumperen van het financiële systeem
lijkt zijn hoogtepunt nog niet te hebben bereikt. Bovendien lijkt de strijd
tegen witwassen hoe langer hoe meer synoniem te zijn aan de strijd tegen niet
verantwoord buitenlands vermogen. Het belang van de uitspraak van de Hoge Raad
van 7 oktober 2008 kan hierbij dan ook moeilijk onderschat worden. Immers, als
gevolg van deze uitspraak geldt dat de bezitter van zwart geld, die dit
telkenjare bij het doen van zijn aangifte verzwijgt, zich wegens de verhulling
van het kapitaal, naast het jaarlijkse aangiftedelict, bij voortduring schuldig
maakt aan het witwasdelict. Hierdoor zal het delict niet verjaren.
Naast de extra aandacht dat het belastingdelict heeft gekregen door zijn
samenloop met witwassen is ogenschijnlijk de publieke verontwaardiging over het
niet afdragen van belasting, in het bijzonder het zwart sparen, erg toegenomen.
Was sjoemelen met een aangifte in de jaren 70 van afgelopen eeuw nog een
volkssport, thans lijkt het naast het incasseren van een te hoge bonus een
halsmisdrijf. Gelijk op met – in ieder geval in Nederland – een repressief
politiek klimaat en een toenemende uitbreiding bij wetgeving van fiscale delicten, loopt de strafmaat . Het
strafrecht is geen ‘ultimum remedium’ meer, daadwerkelijk ‘zitten’ voor een
belastingmisdrijf inmiddels niet meer uitzonderlijk, boetes ontstijgen de 100%.
Opeens opduikende informatie over zwartspaarders, de crisis, toenemende
mogelijkheden voor informatie-uitwisseling tussen overheden (en niet te
vergeten toenemende druk op landen die niet mee willen in deze ontwikkeling) ,
veel bangmakerij in de media en bovengenoemde ontwikkelingen verklaren de
aandacht voor de ‘vrijwillige verbetering’. Inkeer lijkt aantrekkelijk, maar
hoe lang kan nog ontkend worden dat “hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden
dat de Inspecteur of een van de in artikel 48, tweede lid AWR, bedoelde
ambtenaren en personen de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal
worden”, gelet op het feit dat de pakkans wordt vergroot door ondermeer de
uitbreiding van informatie-uitwisseling met landen die voorheen het bankgeheim
als marketinginstrument zagen? Feit is wel dat de ontwikkeling op de Antillen
niet parallel loopt aan die in Nederland. De inkeerregeling in Nederland wordt
vanaf 2010 beperkt, inmiddels is de parlementaire discussie wanneer de boete
bij inkeer (van nu 15%) moet worden opgehoogd. Op de Antillen is de
inkeerregeling juist nieuw leven ingeblazen.
De belastingadviseur ontspringt de hier aangehaalde repressieve tendens
niet. Terecht of onterecht wordt de belastingadviseur veelal gezien als de
‘facilitator’ van al dit kwaad, minst genomen een gerede kandidaat die
onwenselijk fiscaal gedrag kan tegengaan. Het strafrecht bood altijd al de
mogelijkheid de adviseur mede te bestraffen voor zijn rol, maar die drempel, al
is het maar vanwege de capaciteit bij het OM, bleef en blijft betrekkelijk
hoog. De vierde tranche van de AWB maakt dat de adviseur in Nederland nu ook
administratief als medepleger van een fiscaal delict kan worden beschouwd.
Aangenomen mag worden dat een aantal bestuursrechtelijke tendensen zich op
enigerlei wijze naar het Nederlands- Antilliaanse belastingrecht zal gaan
uitbreiden, aan de Internationale ontwikkelingen kunnen de Antillen zich al
helemaal niet onttrekken. Het is wel te hopen dat – in tegenstelling tot
Nederland – de Antillen de ernst van het belastingmisdrijf een beetje in
perspectief blijven zien: ‘it’s only money’.
[1] V. Mul, Banken en witwassen, Gouda, 1999
[2] ontleend aan: Nieuwsbrief Strafrecht nr. 13,
2000, SDU uitgevers
[3] Voor de
Nederlandse inkomstenbelasting geldt dat ook indien er geen sprake is van
opbrengsten er geacht wordt fictief opbrengst te worden genoten vanwege de
zogenaamde box drie in de Nederlandse inkomstenbelasting.
[4] Koster, www.accountancynieuws.nl
[6] TK 2008/2009, 959 respectievelijk TK
2008/2009, 2064
[7] Het niet beboeten respectievelijk het
niet bestraffen na inkeer. Met ingang van 1 januari 2010 wordt de boetebepaling
67n ingrijpend gewijzigd en is een inkeer alleen boeteloos bij inkeer binnen 2
jaar, daarna geldt een inkeer louter als strafverminderend, waarbij thans wordt
gedacht aan een beboeting van 15% i.p.v. de gebruikelijke 50% of zelfs 100% van
het fiscaal nadeel. De strafrechtelijke vrijwaring blijft wel in tact.
[9] EHRM 3 mei 2001, nr 31827/96 (JB/Zwitserland),
BNB 2002/26 en V-N 2002/4.4, zie ook A-G Wattel 1 juni 2007, nr. 43070. V-N
2007/35.8, onder 4.17 en 4.18:” (...) dat bij
documenten niet beslissend is of zij reeds bestaan (of zij wel of niet door de
verdachte opgesteld zouden moeten worden), maar of zij een bestaan als
bewijsmateriaal hebben los van de wil van de verdachte, dus of de vervolgende
instantie hen zonder actieve medewerking van de verdachte legaal kan
bemachtigen.”
[10] Noyon-Langemeijer-Remmelink, het wetboek
van strafrecht, inleiding Opzet(*1) Aantekening2, digital.
[11] Zie hiervoor de conclusie van A-G Jorg bij HR
22 september 1998, nr. 108.687, NJ 1998/911 en voorts G.J.M.E. de bont, “Opzet
in fiscaal boete- en strafrecht”, TFB 2002/6, p. 5-11
[12] HR 15 oktober 1996, nr 102826
(Porsche-arrest), NJ 1997/199.
[13] HR 25 maart 2003, nr. 02664/01, NJ 2003/552,
HR 24 juni 2003, nr. 01513/02, NJ 2003/555, HR 18 januari 2005, nr. 02659/03,
NJ 2005/154 en HR 20 februari 2007, nr 02965/05, NJ 2007/313.
[15] P.J. Wattel, fiscaal straf- en
strafprocesrecht, 2e herziene druk, Deventer: FED 1989, p.126, zie ook:
R.W.J. Kerckhoffs, “Strafrechtelijke risico’s van de belastingadviseur”, TEB
2000/7-8, p. 13-17.
[18] Onder andere Hof Den Bosch 4 augustus 2006,
nr.04/2458, BNB 2007/206, Rb. Leeuwaarden 23 januari 2007 met nr AWB 06/1592,
V-N 2007 met nr. BK-06/00156, V-N 2007/23.7.
[19] Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek
van strafrecht, Eerste boek, Titel V deelneming aan strafbare feiten(*1),
artikel 47 Medeplegen, aantekening 29, digitaal.
[23] Besluit Staatssecretaris van Financiën van 21
maart 2007, nr CPP2006/2918M, Stcrt. 2007, 63, V-N 2007/17.14.
[24] Rb. Den Bosch 27 februari 2007, nr.
01/996040-05, Hiddink, LJN AZ9321: “Anders dan door de verdediging
aangevoerd kan in casu niet worden aanvaard dat sprake was van een pleitbaar
standpunt. [Verdachte] is immers feitelijk niet uitgegaan van een onjuiste
juridische opvatting omtrent datgene wat daadwerkelijk nodig was voor het
kwalificeren van hem als fiscaal inwoner van België.”
Subscribe to:
Comments (Atom)

