September 21, 2026

Je bankrekening uitlenen aan een fraudeur: zelf geen oplichter, toch veroordeeld

Witwassen is een strafrechtelijk -althans voor mij- fascinerend onderwerp. Waarom? Het komt enorm vaak voor. Daders beseffen vaak niet wat zij aan het doen zijn en anderzins is het witwasdelict voor het Openbaar Ministerie vaak makkelijk te bewijzen. Een opmerkelijke uitspraak van de Rechtbank Gelderland laat goed zien dat er strafrechtelijk een groot verschil kan bestaan tussen het plegen van fraude en het beschikbaar stellen van de middelen waarmee die fraude wordt uitgevoerd. Een man werd ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij fraude via twee webwinkels. Klanten bestelden en betaalden onder meer barbecues en gereedschap, maar kregen hun goederen niet geleverd. Het geld kwam uiteindelijk terecht op bankrekeningen die op naam van de verdachte stonden. Dat lijkt op het eerste gezicht tamelijk belastend. Toch werd de verdachte vrijgesproken van de internetfraude. Tegelijkertijd werd hij wél veroordeeld voor het medeplegen van witwassen. Hoe kan dat? De fraude was duidelijk, maar wie pleegde haar? In april en mei 2023 deden tientallen personen aankopen bij twee webwinkels. Zij betaalden voor hun producten, maar kregen niets geleverd. In totaal ging het om een bedrag van € 8.812,31. Dat sprake was van fraude stond voor de rechtbank nauwelijks ter discussie. Ook kon een duidelijk verband worden gelegd met de verdachte. Een onderneming stond op zijn naam, bankrekeningen stonden op zijn naam en via betaaldiensten kwamen de opbrengsten van de webwinkels uiteindelijk op zijn rekeningen terecht. Maar dat is nog niet hetzelfde als bewijzen dat hij degene was die de fraude daadwerkelijk pleegde. De rechtbank onderzocht onder meer de telefoon van de verdachte. Daaruit kwamen geen concrete handelingen naar voren waaruit bleek dat hij zelf de producten online had aangeboden, klanten had benaderd of op andere wijze de frauduleuze verkopen had uitgevoerd. De verdachte verklaarde bovendien dat hij zijn identiteitsgegevens, DigiD en bankgegevens aan een ander had gegeven om een onderneming op te richten waarmee hij snel geld zou kunnen verdienen. De rechtbank achtte onvoldoende bewezen dat hij zelf de fraude had uitgevoerd. En daar deed zich een interessant strafprocesrechtelijk punt voor. De tenlastelegging bepaalt de speelruimte van de rechter Uit het dossier leek volgens de rechtbank wel degelijk enige betrokkenheid van de verdachte te volgen. Maar bij de fraude was hem uitsluitend verweten dat hij die zelf had gepleegd. Medeplegen of medeplichtigheid was voor dit feit niet ten laste gelegd. Dat is essentieel. Een strafrechter kan niet eenvoudig zeggen: wij kunnen niet bewijzen dat u de fraude zelf hebt gepleegd, maar wij vinden wel dat u de dader hebt geholpen en daarom veroordelen wij u voor medeplichtigheid. De tenlastelegging bepaalt in belangrijke mate waarover de strafrechter moet oordelen. Omdat onvoldoende bewezen kon worden dat de verdachte zelf de frauduleuze verkopen had uitgevoerd en een deelnemingsvorm niet was ten laste gelegd, volgde vrijspraak voor de fraude. Dat betekende echter niet dat de verdachte daarmee van alle strafrechtelijke aansprakelijkheid was verlost. De bankrekeningen waren zijn probleem Voor het tweede feit, witwassen, lag dat anders.
De € 8.812,31 die afkomstig was van de frauduleuze webwinkels was op rekeningen terechtgekomen die op naam van de verdachte stonden. De verdachte stelde dat hij die rekeningen feitelijk niet beheerde. Hij had de inloggegevens aan een ander gegeven. De rechtbank accepteerde dat argument niet. Als rekeninghouder had hij in beginsel zeggenschap over de rekening. Hij kon bijvoorbeeld de rekening laten blokkeren of beëindigen. Het enkele feit dat iemand zijn inloggegevens aan een ander geeft, betekent volgens de rechtbank niet dat hij daardoor geen feitelijke zeggenschap meer heeft over het saldo. Daarmee had de verdachte de bedragen in strafrechtelijke zin voorhanden gehad. Maar voor witwassen is uiteraard meer nodig. De verdachte moet ook wetenschap hebben gehad van de criminele herkomst van het geld, waarbij onder omstandigheden ook voorwaardelijk opzet voldoende kan zijn. En juist daar brak de verdachte zijn eigen verdediging op. Snel geld verdienen zonder vragen te stellen De verdachte had verklaard dat hem was voorgehouden dat hij snel en gemakkelijk geld kon verdienen. Hij had bedrijven op zijn naam gezet, bankrekeningen geopend en zijn DigiD, bankgegevens, identiteitsgegevens en zelfs een foto van zichzelf ter beschikking gesteld. Daarvoor had hij naar eigen zeggen tussen € 3.000 en € 4.000 ontvangen. Verder had hij verklaard dat hij er niet werkelijk over had nagedacht of de constructie legaal of illegaal was. Bij bepaalde betalingen was zelfs bij hem opgekomen dat het mogelijk geen “zuivere koffie” was. Ook had hij op enig moment gehoord dat goederen werden verkocht zonder dat deze werden geleverd. Voor de rechtbank was dat voldoende om vast te stellen dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de bedragen op zijn rekeningen afkomstig waren uit fraude. Daar kwam bij dat zijn bijdrage bepaald niet beperkt was tot het toevallig ontvangen van geld. Hij was samen met de medeverdachte naar de Kamer van Koophandel gegaan, had ondernemingen op zijn naam laten zetten en had de gegevens beschikbaar gesteld die nodig waren om de financiële infrastructuur van de constructie te laten functioneren. Die bijdrage was volgens de rechtbank van voldoende gewicht om niet slechts van medeplichtigheid, maar van medeplegen van witwassen te spreken. Niet ieder onverklaard bedrag is witgewassen geld Ook op een ander punt is de uitspraak interessant. Het Openbaar Ministerie meende dat de verdachte niet alleen de € 8.812,31 uit de internetfraude had witgewassen, maar daarnaast nog ongeveer € 360.957. Dat bedrag zou onder meer niet in de belastingaangifte zijn aangegeven. De rechtbank zette daar terecht een belangrijke rem op. Het enkele feit dat een geldbedrag niet fiscaal is aangegeven, bewijst nog niet dat dat volledige bedrag uit een misdrijf afkomstig is. Er was onvoldoende onderzoek gedaan naar de herkomst van deze gelden. De rechtbank beperkte de bewezenverklaring daarom tot € 8.812,31. Dat onderscheid is belangrijk. Witwassen vereist uiteindelijk bewijs dat het betreffende voorwerp — in dit geval geld — onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Een groot of fiscaal niet verantwoord bedrag kan aanleiding geven tot onderzoek, maar vormt niet automatisch het bewijs van een criminele herkomst. Vrijspraak maar toch veroordeeld Het eindresultaat lijkt misschien tegenstrijdig, maar is dat juridisch niet. Voor de internetfraude was onvoldoende bewijs dat de verdachte zelf de uitvoeringshandelingen had verricht. Omdat medeplegen of medeplichtigheid bij dat feit niet was ten laste gelegd, volgde vrijspraak. Voor het witwassen lag er daarentegen voldoende bewijs dat de verdachte bewust de infrastructuur ter beschikking had gesteld waarmee de opbrengsten van de fraude konden worden ontvangen en dat hij daarbij ten minste bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat het om crimineel geld ging. De rechtbank veroordeelde hem daarom tot een taakstraf van 90 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaar. De taakstraf werd enigszins verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Ook opvallend: de slachtoffers kregen in deze strafzaak niets toegewezen Nog een opmerkelijk gevolg van de vrijspraak was dat 29 benadeelde partijen niet-ontvankelijk werden verklaard in hun vorderingen. Hun schade vloeide immers voort uit de internetfraude waarvan de verdachte was vrijgesproken. De veroordeling betrof het witwassen van de opbrengsten daarvan. Volgens de rechtbank bestond onvoldoende rechtstreeks verband tussen dat bewezenverklaarde witwassen en de schade die de kopers hadden geleden. Ook hier blijkt hoe belangrijk de exacte juridische kwalificatie van een feit kan zijn. De praktische les De belangrijkste les uit deze uitspraak is misschien wel dat iemand niet zelf achter een computer hoeft te zitten om uiteindelijk strafrechtelijk diep in de problemen te komen. Een bankrekening, DigiD, identiteitsbewijs of onderneming “even” aan iemand anders beschikbaar stellen is juridisch bepaald niet zonder risico. Vooral wanneer daar een vergoeding tegenover staat, grote geldstromen ontstaan en degene op wiens naam alles staat bewust geen vragen stelt, kan het argument “ik wist niet precies wat ze ermee deden” weinig bescherming bieden. Sterker nog: bewust wegkijken kan onder omstandigheden juist bijdragen aan het bewijs van voorwaardelijk opzet. Tegelijkertijd laat de uitspraak ook de andere kant van het strafrecht zien. Dat iemand zich verdacht gedraagt of zijn bankrekening voor dubieuze transacties beschikbaar stelt, betekent nog niet automatisch dat bewezen is dat hij ook het onderliggende misdrijf heeft gepleegd. Voor ieder strafbaar feit moet afzonderlijk worden vastgesteld wat de verdachte daadwerkelijk heeft gedaan, welke vorm van deelneming hem ten laste is gelegd en wat hij wist of bewust op de koop toe heeft genomen. Dat onderscheid lijkt technisch, maar in deze zaak maakte het precies het verschil tussen vrijspraak en veroordeling. Rechtbank Gelderland 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6701.

September 19, 2026

BOX 3 IN CURACAO

Uiteraard volg ik de Nederlandse discussies omtrent de wijzingen in box 3 met grote belangstelling evenals de discussie rond het mogelijk afschaffen van hypotheekrente bij eigen woningen. Het pijnpunt van box 3 is dat men ficties belast en niet daadwerkelijk inkomen en het pijnpunt van hypotheekrente-aftrek is uiteraard dat huurders indirect meebetalen aan het opbouwen van vermogen van eigen-woning bezitters. En dan denk ik: Curacao heeft dit allemaal prima geregeld en Nederland zou daar een voorbeeld aan kunnen nemen. Indien je als ingezetene kapitaal stort bij een lokale bank wordt de interest belasting met 8,5% procent inkomstenbelasting. De bank houdt dat in en draagt dat af zodat je de belastingdruk eigenlijk nauwelijks voelt. Interest die opkomt vanuit het buitenland wordt tegen het het aanmerkelijk belang tarief van 19,5 procent in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Geen fictieve heffingen derhalve. Het huurwaardeforfait is jaren geleden afgeschaft. Hypothecaire interest is beperkt aftrekbaar als persoonlijke last. Ben je getrouwd en heb je geen andere aftrekbare interestlasten is de aftrek maximaal Cg 32.500,--.
De huuropbrengsten van onroerende zaken worden voor 65% in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Daarvan mogen eerst typische eigenaarskosten op in aftrek worden gebracht zoals bijvoorbeeld de bijdrage aan een Vereninging van Eigenaren. De interest mag daarop in aftrek worden gebracht. Leidt dat tot negatief inkomen dan mag dat 5 jaar vooruitgewenteld worden. Ok dat zou wat mij betreft 10 jaar mogen zijn -de winstbelastig kent een regeling voor compensabele verliezen voor die periode- maar het is niet slecht. Wij zijn vaker als juridische proeftuin voor Nederland gebruikt, denk bijvoorbeeld aan de moderne BV-wetgeving. Ook nu zou Nederland wellicht de blik op het westen kunnen richten. Ik ben trots op ons eerlijke systeem waar het betreft heffing over vermogen. Wel -ik kreeg wat input van een collega- kan gesteld worden dat onze onroerendezaakbelasting aan de hoge kant is vergeleken met andere landen. Een onderwerp dat op zich deze blog te buiten gaat en ik schreef er eerder over. Het zou afgekapt moeten worden tot een maximumbedrag wat mij betreft. peter.muller@mullertax.com

September 12, 2026

AL JAREN GEEMIGREERD MAAR DE FISCUS LAAT U NIET ZO MAAR GAAN

Ons oog viel het het volgende. Een man stelt dat hij al sinds 1992 uit Nederland is geëmigreerd. Zijn woning, gezin, sociale leven en economische activiteiten bevinden zich volgens hem in het buitenland. Ook zijn huisarts zit daar, zijn dagelijkse uitgaven worden daar gedaan en zijn telefoonabonnementen lopen daar. Toch wil de Nederlandse Belastingdienst weten of deze man misschien nog steeds — of opnieuw — fiscaal inwoner van Nederland is. En de fiscus gaat daar behoorlijk ver in. Lees maar verder. De Rechtbank Den Haag besliste op 2 september 2026 in kort geding dat de man binnen vier weken een zeer omvangrijke hoeveelheid persoonlijke en financiële informatie moet verstrekken. Doet hij dat niet, dan bedraagt de dwangsom maar liefst € 50.000 per dag, met een maximum van € 5 miljoen. Daarmee is deze uitspraak bepaald spectaculair. Maar er moet meteen iets worden verduidelijkd: de rechter heeft niet geoordeeld dat de man in Nederland woont. De rechter heeft alleen geoordeeld dat de Belastingdienst voldoende aanleiding heeft om zijn fiscale woonplaats te onderzoeken en dat de man daarvoor informatie moet verschaffen. Dat is iets wezenlijk anders. Uitschrijven is niet hetzelfde als emigreren Deze procedure illustreert een belangrijk punt dat bij emigratie nogal eens wordt onderschat. Fiscaal emigreren gebeurt niet simpelweg door u uit te schrijven uit de Nederlandse Basisregistratie Personen, een huis in het buitenland te kopen en tegen de Nederlandse Belastingdienst te zeggen: “Ik woon daar.” Het Nederlandse Artikel 4 AWR (Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) bepaalt dat waar iemand woont, naar de omstandigheden wordt beoordeeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gaat het daarbij om de vraag of tussen iemand en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Daarbij moeten alle relevante omstandigheden worden bekeken. Er bestaat niet één beslissend criterium. En daar zit meteen een addertje onder het gras. Die band met Nederland hoeft volgens de Hoge Raad namelijk niet sterker te zijn dan de band met een ander land. In uitzonderlijke gevallen kan iemand naar nationaal recht dus zelfs tegelijkertijd in twee landen wonen. Wie naar Curaçao verhuist, doet er goed aan dat te beseffen. Wat vond de Belastingdienst verdacht? De Belastingdienst begon in oktober 2023 met het woonplaatsonderzoek. Volgens de fiscus waren er verschillende aanknopingspunten met Nederland. De man beschikte over Nederlands onroerend goed en Nederlandse bankrekeningen. Hij was betrokken bij Nederlandse rechtspersonen, had familie in Nederland en had de Nederlandse nationaliteit. Daarnaast meende de Belastingdienst aanwijzingen te hebben dat hij regelmatig in Nederland verbleef en daar werkzaamheden verrichtte. Geen van deze omstandigheden bewijst op zichzelf dat iemand inwoner van Nederland is. Een inwoner van Curaçao kan natuurlijk een Nederlandse bankrekening hebben. Hij kan onroerend goed in Nederland bezitten. Hij kan aandeelhouder of bestuurder zijn van een Nederlandse vennootschap en hij kan familie in Nederland hebben. Maar wanneer dergelijke omstandigheden zich opstapelen, kan voor de Belastingdienst voldoende reden ontstaan om te willen weten hoe de werkelijkheid precies in elkaar zit. En dan komt artikel 47 AWR in beeld. De lange arm van artikel 47 AWR Artikel 47 AWR geeft de inspecteur een zeer ruime bevoegdheid om gegevens en inlichtingen op te vragen die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Ook boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen worden verlangd. In deze zaak gaat het bepaald niet om een paar vragen. De man moet onder andere informatie verstrekken over Nederlandse én buitenlandse bankrekeningen, creditcards en betaalpassen, telefoonabonnementen, schulden en vorderingen, Nederlands onroerend goed, deelnemingen en andere betrokkenheid bij rechtspersonen, inkomsten uit Nederland en werkzaamheden die hij in Nederland heeft verricht. Voor 2023 en 2024 wil de fiscus bovendien weten op welke adressen hij tijdens zijn verblijf in Nederland heeft verbleven. Daarmee wordt duidelijk hoe een modern woonplaatsonderzoek eruit kan zien. Bankafschriften laten zien waar iemand zijn dagelijkse boodschappen doet. Creditcardafschriften kunnen laten zien in welk land iemand zich bevindt. Telefoonrekeningen kunnen iets zeggen over verblijfspatronen. Vastgoed, werkzaamheden, bestuursfuncties en gezinsbanden vullen het beeld verder aan. De vraag “waar woont u?” wordt daardoor steeds minder een kwestie van wat iemand zelf verklaart (of wat iemand wil) en steeds meer een kwestie van wat de beschikbare data laten zien. Honderden pagina's waren niet genoeg De man had bepaald niet stilgezeten. Volgens zijn advocaat waren al honderden pagina's aan informatie, juridische analyses en stukken overgelegd. Ook was een woonplaatsrapportage opgesteld. Maar de rechter vond dat niet voldoende en dat vind ik een interessant onderdeel van de uitspraak. Een belastingplichtige kan namelijk niet zonder meer zelf bepalen welke informatie voldoende is en vervolgens van de inspecteur verlangen dat deze op basis daarvan maar een conclusie trekt. De rechter overwoog in wezen dat een door de belastingplichtige zelf samengestelde woonplaatsanalyse niet hetzelfde is als het verstrekken van de onderliggende gegevens waarmee de Belastingdienst zelfstandig onderzoek kan verrichten. Daar zit voor de praktijk een belangrijke les in. Wie zijn emigratiepositie wil verdedigen, moet niet alleen een goed verhaal hebben. De onderliggende feiten moeten dat verhaal ondersteunen. Maar de Belastingdienst gedroeg zich zelf ook niet voorbeeldig De zaak heeft overigens een merkwaardige andere kant. De Belastingdienst had in augustus 2024 een informatiebeschikking afgegeven. De man maakte daartegen bezwaar. Vervolgens wilde de inspecteur wachten met zijn beslissing totdat informatie van buitenlandse belastingautoriteiten was ontvangen. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant maakte daar in november 2025 korte metten mee. De inspecteur moest binnen twee weken uitspraak op bezwaar doen en kreeg zelf een dwangsom opgelegd. De rechtbank vond dat langer wachten afbreuk deed aan de rechtsbescherming van de belastingplichtige. Opmerkelijk genoeg was ten tijde van het kortgedingvonnis van 2 september 2026 nog steeds niet op dat bezwaar beslist. De Belastingdienst is tegen de eerdere uitspraak in hoger beroep gegaan. We krijgen daardoor een enigszins merkwaardig beeld. Aan de ene kant weigert de Belastingdienst tijdig te beslissen op het bezwaar van de belastingplichtige. Aan de andere kant stapt diezelfde Belastingdienst naar de civiele rechter om de belastingplichtige onder dreiging van een dwangsom van € 50.000 per dag tot medewerking te dwingen. Dat wringt aan alle kanten lijkt mij. Maar het ontslaat de belastingplichtige volgens de voorzieningenrechter niet van zijn informatieverplichtingen. En hoe zit dat wanneer iemand naar Curaçao is geëmigreerd? Of denkt te zijn geëmigreerd.
Voor inwoners van Curaçao is nog een tweede laag van belang. Stel dat Nederland op basis van artikel 4 AWR meent dat iemand in Nederland woont, terwijl diezelfde persoon volgens de Curaçaose belastingwetgeving inwoner van Curaçao is. Dan zijn we er nog niet. De Belastingregeling Nederland Curaçao (is een rijkswet maar lijkt op een belastingverdrag) kent namelijk haar eigen woonplaatsregels. Wanneer een natuurlijke persoon volgens de nationale wetgeving inwoner is van beide landen, wordt voor toepassing van de BRNC eerst gekeken waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft. Heeft hij in beide landen een duurzaam tehuis, dan wordt gekeken naar het land waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn: het middelpunt van de levensbelangen. Biedt ook dat geen uitkomst, dan wordt gekeken naar het land waar hij gewoonlijk verblijft. Pas daarna resteert zo nodig onderling overleg tussen Nederland en Curaçao. Dat onderscheid tussen de nationale woonplaats en de woonplaats voor toepassing van de BRNC is belangrijk. Het enkele feit dat de Nederlandse fiscus meent dat een duurzame persoonlijke band met Nederland bestaat, betekent dus nog niet automatisch dat Nederland voor alle onder de BRNC vallende inkomsten als woonstaat kan optreden. De echte les voor emigranten De uitspraak is daarom vooral een waarschuwing voor mensen die denken dat emigratie na verloop van tijd een voldongen feit wordt. Deze man zegt al in 1992 te zijn geëmigreerd. Toch onderzoekt de Belastingdienst meer dan dertig jaar later zijn fiscale woonplaats over de jaren 2018 tot en met 2024. Fiscaal wonen is geen status die men bij vertrek voor altijd verkrijgt. De woonplaats wordt beoordeeld op basis van de feitelijke situatie in het betreffende tijdvak. Wie na emigratie geleidelijk weer steeds meer banden met Nederland opbouwt, kan daardoor opnieuw in beeld komen bij de Nederlandse fiscus. Dat geldt zeker voor mensen die na emigratie een woning in Nederland aanhouden, daar regelmatig verblijven, Nederlandse ondernemingen besturen, vanuit Nederland werkzaamheden verrichten of een belangrijk deel van hun persoonlijke leven daar blijven organiseren. Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat die omstandigheden automatisch tot Nederlandse belastingplicht leiden. Dat is precies wat in deze procedure nog níet is beslist. De fiscus moet eerst nog bewijzen waar deze man woont En dat is misschien wel het belangrijkste punt van deze hele zaak. Na een procedure met 67 producties aan de zijde van de Belastingdienst, honderden pagina's van de belastingplichtige en uiteindelijk een dwangsom die kan oplopen tot € 5 miljoen, weten we nog steeds niet waar deze man voor fiscale doeleinden woont. Dat zal later moeten worden vastgesteld. De uitspraak van 2 september 2026 gaat uitsluitend over de vraag of hij de informatie moet verstrekken waarmee de Belastingdienst dat kan onderzoeken. Maar één conclusie kunnen we nu al trekken. Wie fiscaal emigreert, moet niet alleen emigreren op papier. Zijn feitelijke leven moet hetzelfde verhaal vertellen. En tegenwoordig beschikt de fiscus over steeds meer middelen om dat verhaal te controleren. Voor emigraties werken wij samen met mr. Van der Pol die net is geemigreerd naar Curacao. Hij is deskundig als fiscalist maar dus ook ervaringsdeskundige. mr. P.E. Muller fiscaal-jurist peter.muller@mullertax.com Bron: Rechtbank Den Haag 2 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25140; naar aanleiding van de berichtgeving van Accountancy Vanmorgen van 3 september 2026.

Tourist Entry Tax: een nieuwe pijler onder de begroting van Curaçao

Curaçao wil vanaf 2027 een Tourist Entry Tax invoeren. Volgens de begrotingsplannen moet deze belasting direct een forse bijdrage leveren aan de overheidsinkomsten. Voor 2027 wordt gerekend op ongeveer Cg 82 miljoen, waarna de opbrengst in de daaropvolgende jaren verder zou moeten oplopen. Dat is ambitieus. Misschien zelfs iets té ambitieus. Op zichzelf is er namelijk best iets te zeggen voor een belasting op toeristen. Bezoekers maken gebruik van wegen, stranden, veiligheid, afvalverwerking en andere collectieve voorzieningen. Het is dus niet vreemd dat zij daaraan bijdragen. Toch is er bij deze discussie iets dat mij opvalt. De nieuwe Tourist Entry Tax wordt in de begroting al bijna behandeld als een zekere en structurele inkomstenbron, terwijl de belasting nog moet worden ingevoerd en de precieze uitvoering nog niet vaststaat. Daarmee wordt de volgorde eigenlijk omgedraaid: eerst wordt de opbrengst al uitgegeven en daarna moet nog blijken of de belasting daadwerkelijk zoveel gaat opleveren. In de discussie wordt regelmatig gezegd dat de Tourist Entry Tax de huidige logeerbelasting van 7 procent gaat vervangen. Dat is fiscaal-juridisch niet helemaal juist. De vroegere logeergastenbelasting is al jaren geleden opgegaan in de omzetbelasting. Het huidige tarief van 7 procent op kortdurend logies is dus onderdeel van de omzetbelasting en geen zelfstandige logeerbelasting meer. Dat onderscheid is belangrijk, vooral omdat de geschiedenis van deze heffing een nogal bijzondere is. Internationale hotelketens hebben in het verleden namelijk vrijstelling genoten van de logeergastenbelasting. Lokale hotels werden wél met die heffing geconfronteerd. Daarover is zelfs geprocedeerd. Er bestond dus jarenlang een situatie waarin niet iedere hotelondernemer fiscaal gelijk werd behandeld. Juist daarom kan een Tourist Entry Tax vanuit het oogpunt van neutraliteit voordelen hebben.
Wanneer iedere niet-ingezeten bezoeker bij binnenkomst in beginsel dezelfde belasting betaalt, maakt het immers niet meer uit of iemand verblijft in een groot internationaal hotel, een lokaal hotel, een appartement, een vakantiewoning of via Airbnb. De belasting wordt dan geheven van de toerist en niet langer via de exploitant van de accommodatie. Dat kan eenvoudiger en eerlijker zijn. Maar hoeveel kan een toerist betalen? Volgens de plannen wordt gesproken over een bedrag in de orde van USD 65 per bezoeker. Op het eerste gezicht lijkt dat misschien niet veel voor iemand die duizenden dollars uitgeeft aan vliegtickets, hotel en restaurants. Maar voor een gezin van vier personen gaat het al om USD 260. En een toerist vergelijkt Curaçao natuurlijk niet alleen met Curaçao. Hij vergelijkt onze bestemming met Aruba, de Dominicaanse Republiek, Mexico, Jamaica, Florida en andere vakantiebestemmingen. Daarom is de juiste vraag niet of een toerist USD 65 kán betalen. De juiste vraag is of hij bereid is dat te betalen boven op alle andere kosten. Toeristen hebben misschien geen stemrecht op Curaçao, maar zij kunnen wel degelijk stemmen. Zij stemmen met hun voeten. Als Curaçao te duur wordt, gaan zij eenvoudig ergens anders naartoe. De overheid wordt afhankelijker van toerisme Daar zit naar mijn mening het grootste risico. Curaçao zegt al jaren dat de economie minder afhankelijk moet worden van toerisme. Maar met de Tourist Entry Tax gebeurt voor de overheidsfinanciën eigenlijk het tegenovergestelde. Hoe meer de begroting afhankelijk wordt van belastinginkomsten uit toeristen, hoe gevoeliger de overheid wordt voor dalingen in het toerisme. Dat kan door van alles gebeuren: een recessie in de Verenigde Staten of Europa, hogere vliegtarieven, geopolitieke spanningen, orkanen of simpelweg veranderend reisgedrag. De coronaperiode heeft laten zien hoe snel toeristenstromen kunnen verdwijnen. Juist daarom is het riskant om structurele uitgaven te financieren met een belasting die afhankelijk is van een conjunctuurgevoelige sector. Een toeristenbelasting heeft voor een regering nog een ander aantrekkelijk aspect. De mensen die de belasting betalen, stemmen hier niet. Het verhogen van de inkomstenbelasting of omzetbelasting voor inwoners is politiek gevoelig. Een belasting op buitenlandse bezoekers is veel eenvoudiger te verkopen. Maar ook daar zit een grens aan. Toeristenbelasting is geen onbeperkte inkomstenbron. Uiteindelijk telt de totale prijs van een vakantie. Als die te hoog wordt, daalt het aantal bezoekers. En dan daalt niet alleen de opbrengst van de Tourist Entry Tax, maar ook de omzet van hotels, restaurants, winkels, autoverhuurders en andere bedrijven. Daarmee dalen uiteindelijk ook andere belastingopbrengsten. Op zichzelf geen slecht idee De Tourist Entry Tax is dus niet per definitie een slechte belasting. Integendeel. Een uniforme heffing bij binnenkomst kan eenvoudiger en neutraler zijn dan een systeem waarbij belasting wordt geheven via hotels en andere accommodatieverstrekkers. Zeker gezien de historische vrijstellingen voor internationale hotelketens kan een algemene entry tax zelfs bijdragen aan een gelijker speelveld. Maar er is een groot verschil tussen zeggen dat de belasting een goed idee is en zeggen dat de verwachte opbrengst onmiddellijk als vaste pijler onder de begroting kan worden gelegd. Dat laatste gaat mij wel een beetje snel. Eerst moet blijken hoeveel de belasting werkelijk oplevert. Vervolgens moet worden bekeken wat het effect is op het aantal bezoekers en hun bestedingen. Pas daarna kan worden beoordeeld of deze inkomsten ook werkelijk geschikt zijn om structurele overheidsuitgaven mee te financieren. Een Tourist Entry Tax kan best een nuttige nieuwe belasting zijn. Maar een begroting bouwen op geld dat nog moet worden geheven, is iets anders. Eerst invoeren, meten en evalueren. Daarna pas structureel uitgeven. mr. P.E. Muller fiscaal-jurist

September 11, 2026

De Stichting Particulier Fonds: afgescheiden vermogen of toch gewoon uw eigen vermogen?

Op 4 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een interessante uitspraak gedaan over een Curaçaose Stichting Particulier Fonds (SPF). De zaak laat opnieuw zien dat bij dit soort structuren niet de juridische vorm doorslaggevend is, maar vooral de vraag wie in werkelijkheid over het vermogen kan beschikken. De uitspraak betreft Nederlandse belastingplichtigen die gebruikmaakten van een naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte SPF. Voor de Nederlandse inkomstenbelasting was de centrale vraag of het vermogen daadwerkelijk van de betrokken belastingplichtige was afgescheiden, of dat hij daarover feitelijk nog steeds kon beschikken alsof het zijn eigen vermogen was. Dat onderscheid is vanuit fiscaal perspectief van groot belang De SPF was eind 1999 opgericht. Vervolgens werden onder meer aandelen en andere vermogensbestanddelen in de stichting ondergebracht. Formeel was een professionele bestuurder aangesteld. Op papier lijkt daarmee sprake te zijn van een afzonderlijke rechtspersoon met een eigen bestuur en een eigen vermogen. Slechts een maand na de oprichting werd de zogenaamde oprichtersrechten aan de belanghebbenden overgedragen. Daardoor kon de belanghebbende onder meer de managementovereenkomst met de bestuurder beëindigen en bepalen aan wie het bestuur vervolgens zou worden overgedragen. Het Hof acht dat van groot belang: de belanghebbende kon daarmee een hem onwelgevallig bestuur vervangen en was daardoor feitelijk in staat het beleid van de SPF te bepalen. Daar bleef het niet bij. Uit de stukken bleek dat belangrijke beslissingen binnen de SPF telkens op initiatief van de belanghebbende werden genomen. Zo gaf hij aanwijzingen over de bestemming van dividenden en over leningen die door de SPF moesten worden verstrekt. Het Hof kende daarom slechts geringe betekenis toe aan het feit dat de formele bestuurder juridisch bevoegd was de besluiten te nemen. Ook de liquidatie van de SPF speelde een belangrijke rol. De voorbereidingen daarvoor begonnen nadat de belanghebbende daarom had gevraagd. De liquidatie hield bovendien verband met het vrijmaken van middelen waarmee zijn Nederlandse belastingschuld kon worden betaald. Uiteindelijk vond één liquidatie-uitkering plaats, aan de belanghebbende zelf. Het Hof kwam daarom tot een duidelijke conclusie: de belanghebbende was over het vermogen van de SPF blijven beschikken alsof het zijn eigen vermogen was. Hierdoor was de facto geen sprake van werkelijk afgezonderd vermogen. Dat oordeel heeft een opmerkelijk fiscaal gevolg. Artikel 2.14a Wet inkomstenbelasting 2001 bevat de Nederlandse regeling voor het zogenoemde afgezonderd particulier vermogen, het APV. Die regeling is juist geschreven voor situaties waarin particulier vermogen juridisch wordt afgezonderd, bijvoorbeeld in een trust of stichting. Maar voordat men aan die regeling toekomt, moet er wel daadwerkelijk sprake zijn van vermogensafzondering. De Hoge Raad had in deze procedure al geoordeeld dat wanneer een belastingplichtige over vermogen dat bij een derde — zoals een SPF — is ondergebracht, kan blijven beschikken alsof het zijn eigen vermogen is, dat vermogen überhaupt niet als afgezonderd vermogen in de zin van artikel 2.14a Wet IB 2001 kan worden beschouwd. Dat is een belangrijk uitgangspunt. Wie een vermogen formeel overdraagt aan een stichting, maar feitelijk de touwtjes in handen houdt, kan zich fiscaal dus niet zonder meer op het bestaan van die stichting beroepen.
De fiscale werkelijkheid kan dan luiden: het vermogen is nooit werkelijk uit uw beschikkingsmacht verdwenen; de SPF is fiscaal transparant. De uitspraak gaat over de Nederlandse inkomstenbelasting en moet daarom niet zonder meer worden vertaald naar de Curaçaose belastingheffing. Toch is zij voor de Curaçaose praktijk interessant. De SPF is immers een rechtsfiguur die in onze jurisdictie voorkomt en die in internationale vermogensstructuren jarenlang veelvuldig is gebruikt. Deze uitspraak laat goed zien waar het gevaar zit: een juridisch afgescheiden vermogen is niet noodzakelijkerwijs ook fiscaal een afgescheiden vermogen. Wie een SPF opricht, maar tegelijkertijd: het bestuur kan vervangen; bepaalt hoe beleggingen worden gedaan; beslist aan wie leningen worden verstrekt; bepaalt wanneer vermogen moet worden uitgekeerd; en uiteindelijk zelf over dat vermogen kan beschikken, loopt het risico dat de fiscale autoriteiten en de rechter tot de conclusie komen dat van werkelijke vermogensafzondering geen sprake is. De namen die aan bevoegdheden worden gegeven — “founder”, “protector”, “beneficiary”, “letter of wishes” of anderszins — zijn daarbij uiteindelijk minder belangrijk dan de feitelijke machtsverhoudingen. Waarom wij terughoudend zijn met de SPF Deze uitspraak bevestigt mede waarom ons kantoor een zeer terughoudende houding inneemt tegenover de Stichting Particulier Fonds. Ik ben sinds 1997 betrokken bij wat nu heet het Caribisch Juristenblad. De SPF bestaat sinds 1998. Los van allerlei fiscaal gedoe kan er ook civielrechtelijk de nodige discussie ontstaan. Dat betekent niet dat een SPF civielrechtelijk nooit een functie zou kunnen vervullen. Maar vanuit fiscaal oogpunt zien wij vooral een structuur waarvan de gevolgen sterk afhankelijk kunnen zijn van de woonplaats van de oprichter en begunstigden, de feitelijke zeggenschap, de wijze waarop het bestuur functioneert en de fiscale wetgeving van meerdere betrokken landen. Daarmee ontstaat gemakkelijk een verschil tussen wat men denkt juridisch te hebben geregeld en hetgeen de belastingrechter uiteindelijk als economische en fiscale werkelijkheid beschouwt. En juist dat is in deze zaak gebeurd. Vorm volgt niet altijd werkelijkheid Het belangrijkste dat uit ECLI:NL:GHARL:2026:5188 kan worden meegenomen, is daarom niet alleen een technisch punt over artikel 2.14a Wet IB 2001. Het is een fundamenteler beginsel. Een stichting kan bestaan. Er kunnen statuten zijn. Er kan een professionele bestuurder zijn. Het vermogen kan juridisch op naam van die stichting staan. Maar wanneer degene die het vermogen heeft ingebracht uiteindelijk kan blijven bepalen wat ermee gebeurt, kan de fiscale conclusie nog altijd zijn: het is in wezen nog steeds zijn vermogen. Dat maakt deze uitspraak niet alleen interessant voor Nederlandse belastingplichtigen met een Curaçaose SPF, maar ook voor adviseurs die zich bezighouden met internationale vermogensstructuren. Bij fiscale structurering is de juridische verpakking belangrijk. Maar de feitelijke beschikkingsmacht is vaak nog belangrijker.

September 02, 2026

Curaçao voert de minimumbelasting in: wat betekent Pillar 2 voor Curaçaose ondernemingen?

Op 1 september 2026 hebben de Staten van Curaçao met algemene stemmen de Ontwerplandsverordening minimumbelasting 2024 aangenomen. Daarmee zet Curaçao een belangrijke stap in de invoering van de internationale afspraken over een wereldwijd minimumniveau van winstbelasting voor grote multinationale ondernemingen. De nieuwe regeling is onderdeel van wat internationaal bekendstaat als Pillar 2. De kern daarvan is betrekkelijk eenvoudig: zeer grote internationale ondernemingsgroepen moeten over hun winsten uiteindelijk ten minste 15% belasting betalen. Maar wat betekent dat voor Curaçao? En moeten Curaçaose ondernemingen zich nu zorgen gaan maken over een nieuwe belasting van 15%? Voor de overgrote meerderheid is het antwoord: nee. Waarom komt er een minimumbelasting? De minimumbelasting komt niet uit de lucht vallen. Zij vloeit voort uit internationale afspraken binnen het OECD/G20 Inclusive Framework on BEPS. Het probleem dat men internationaal probeert aan te pakken is bekend. Multinationale concerns kunnen hun activiteiten, financieringsstromen en intellectuele eigendom over verschillende landen verdelen. Daardoor kunnen winsten terechtkomen in jurisdicties waar daarover weinig of geen winstbelasting wordt geheven. Belasting is als water; het zoekt altijd het laagste punt. Pillar 2 probeert daaraan een ondergrens te stellen. Het uitgangspunt is dat grote multinationale groepen over hun winst per jurisdictie een effectief belastingniveau van ten minste 15% bereiken. Wordt in een bepaald land effectief minder geheven, dan kan onder de internationale regels een aanvullende belasting – een zogenaamde top-up tax – in beeld komen. Curaçao kan zich aan die ontwikkeling moeilijk onttrekken. De regering wijst er in de behandeling van het wetsvoorstel op dat inmiddels meer dan 55 landen de regels hebben geïmplementeerd en dat nog meer landen bezig zijn met invoering. Niet iedere Curaçaose onderneming valt hieronder; sterker nog; de meeste niet Dit is misschien wel het belangrijkste punt voor de praktijk.
De minimumbelasting is geen algemene verhoging van de Curaçaose winstbelasting naar minimaal 15% voor iedere vennootschap. De huidige winstbelasting kent twee tarieven. 15 procent tot een fiscale winst van Cg 5 ton en daarboven 22 procent. De regeling richt zich op zeer grote multinationale ondernemingsgroepen. In het bijgevoegde stuk wordt gesproken over multinationale ondernemingen met een wereldwijde jaaromzet van € 750 miljoen of meer. Een lokale Curaçaose N.V. of B.V. met een restaurant, hotel, vastgoedbedrijf, adviespraktijk of winkel wordt dus niet ineens vanwege deze landsverordening geconfronteerd met een verplichte minimumbelasting van 15%. Het gaat om concerns van een geheel andere omvang. Waarom voert Curaçao de regeling dan toch in? Dat is fiscaal gezien wellicht het interessantste onderdeel. Als een grote multinationale groep in Curaçao een effectief belastingniveau beneden 15% heeft, betekent dit door Pillar 2 niet noodzakelijk dat de groep dat belastingvoordeel behoudt. Een ander land kan onder omstandigheden de ontbrekende belasting heffen. Dan ontstaat voor Curaçao een voor de hand liggende vraag: als die belasting internationaal toch wordt geheven, waarom zou Curaçao die belastingopbrengst dan aan een ander land laten? Daar komt de binnenlandse bijheffing om de hoek kijken. Een gekwalificeerde binnenlandse minimumbijheffing – internationaal doorgaans aangeduid als een Qualified Domestic Minimum Top-up Tax (QDMTT) – maakt het in beginsel mogelijk dat het land waar de laagbelaste winst wordt behaald zelf de aanvullende belasting heft. De opbrengst blijft dan in Curaçao in plaats van dat een andere jurisdictie de top-up tax incasseert. Curaçao heeft juist over die binnenlandse bijheffing lang nagedacht Uit de parlementaire stukken blijkt dat hierover uitvoerig is gediscussieerd. Interessant is dat de regering naar aanleiding van de behandeling het wetsvoorstel heeft aangepast en de binnenlandse bijheffing uit het ontwerp heeft verwijderd. Daarbij wordt onder meer gewezen op de administratieve lasten die daarmee gepaard gaan. Dat betekent echter niet dat Curaçao definitief afscheid heeft genomen van die mogelijkheid. In het ontwerp is een zogenoemde switch-offbepaling opgenomen. Daardoor kan de regering op een later moment alsnog besluiten een binnenlandse bijheffing in Curaçao in te voeren. Volgens de toelichting wordt de mogelijkheid daarmee als het ware gereserveerd voor later. Dat is fiscaal-beleidsmatig een belangrijk detail. Curaçao implementeert dus het internationale raamwerk, maar houdt tegelijkertijd ruimte om de eigen positie later aan te passen. De gewone winstbelasting verdwijnt niet De minimumbelasting moet bovendien niet worden verward met de bestaande Landsverordening op de winstbelasting 1940. De reguliere Curaçaose winstbelasting blijft bestaan. De Pillar 2-regels vormen een afzonderlijk systeem dat boven op de bestaande nationale winstbelastingregels functioneert voor de ondernemingsgroepen die binnen de reikwijdte daarvan vallen. Het gaat daarbij bovendien niet simpelweg om de vraag welk nominaal winstbelastingtarief Curaçao kent. Pillar 2 kijkt naar de effectieve belastingdruk volgens zijn eigen internationale berekeningsregels. Een nominaal belastingtarief en een effectief Pillar 2-tarief zijn dus niet noodzakelijk hetzelfde. Een opmerkelijke ontwikkeling voor Curaçao De invoering is ook vanuit historisch perspectief interessant. Curaçao heeft gedurende lange tijd fiscale faciliteiten gebruikt om internationale bedrijvigheid aan te trekken. Internationale belastingconcurrentie was daarbij een belangrijk onderdeel van het fiscale beleid van kleine jurisdicties. Pillar 2 verandert het speelveld. Voor de allergrootste internationale concerns wordt het steeds moeilijker om uitsluitend door vestiging in een laagbelastende jurisdictie een zeer lage effectieve belastingdruk te realiseren. Als Curaçao niet heft, kan onder omstandigheden een ander land dat immers alsnog doen. Daarmee verschuift ook de concurrentie tussen landen. Zaken als rechtszekerheid, kwaliteit van wetgeving en bestuur, infrastructuur, beschikbaarheid van deskundig personeel en daadwerkelijke economische aanwezigheid worden belangrijker wanneer het fiscale tariefverschil minder doorslaggevend wordt. En nu? De Staten hebben het wetsvoorstel op 1 september 2026 met algemene stemmen aangenomen. Het stuk vermeldt daarbij dat de wet nog door de regering moet worden bekrachtigd om de status van landsverordening te verkrijgen en vervolgens op de gebruikelijke wijze moet worden afgekondigd in het Publicatieblad van Curaçao. Daarmee is Curaçao weer een stap verder in een ontwikkeling die enkele jaren geleden nog tamelijk theoretisch leek: een internationaal systeem waarin voor de grootste multinationale ondernemingen feitelijk een bodem onder de winstbelasting wordt gelegd. Voor de gemiddelde Curaçaose ondernemer verandert hierdoor weinig. Voor Curaçao als internationale fiscale jurisdictie is het daarentegen een fundamentele ontwikkeling. De interessante vraag is straks niet alleen hoeveel winstbelasting Curaçao zelf wil heffen, maar ook wie de belasting ontvangt wanneer Curaçao minder heft dan de internationale minimumnorm. En juist daarom verdient de discussie over een eventuele Curaçaose binnenlandse bijheffing de komende jaren bijzondere aandacht.

August 31, 2026

Keine Grunderwerbsteuer bei wirtschaftlichem Eigentum? Vergessen Sie die Umsatzsteuer nicht

 

Bei der Übertragung von Immobilien auf Curaçao richtet sich der erste Blick in der Regel auf die Grunderwerbsteuer. Das ist nachvollziehbar. Gerade bei der Übertragung des wirtschaftlichen Eigentums an einer Immobilie kann jedoch eine andere Steuer leicht übersehen werden: die Umsatzsteuer.

Vor Kurzem erhielt ich Einblick in eine Stellungnahme einer großen professionellen Beratungsgesellschaft, in der die Übertragung des wirtschaftlichen Eigentums an einer auf Curaçao belegenen Immobilie behandelt wurde. Darin wurde die Auffassung vertreten, dass bei der vorgesehenen Gestaltung keine Grunderwerbsteuer geschuldet sei.

Diese Schlussfolgerung ist für sich genommen durchaus vertretbar.

Was mir jedoch auffiel, war, dass anschließend offenbar nicht untersucht wurde, ob die Übertragung des wirtschaftlichen Eigentums möglicherweise sehr wohl eine Lieferung im Sinne der Umsatzsteuer darstellt. Das ist bemerkenswert, denn gerade die Landsverordening omzetbelasting 1999 – die Umsatzsteuerverordnung von Curaçao – verwendet einen Lieferungsbegriff, der wesentlich weiter reicht als die zivilrechtliche Übertragung des juristischen Eigentums.

Wirtschaftliches Eigentum und Grunderwerbsteuer

Die Grunderwerbsteuerverordnung von Curaçao, die Overdrachtsbelastingverordening 1908, knüpft in erheblichem Maße an die rechtliche Übertragung von Immobilien an.

Der Begriff der Übertragung wird unter anderem auf bestimmte dingliche Rechte wie Nießbrauch, Erbbaurecht und Baurecht erweitert. Eine allgemeine Vorschrift, nach der der Erwerb des wirtschaftlichen Eigentums an einer Immobilie der Übertragung des juristischen Eigentums gleichgestellt wird, enthält die Regelung auf Curaçao jedoch nicht.

Dies ist ein wesentlicher Unterschied zu den Niederlanden, wo der Erwerb des wirtschaftlichen Eigentums ausdrücklich in der Wet op belastingen van rechtsverkeer erfasst wird.

Bei einer reinen Übertragung ausschließlich des wirtschaftlichen Eigentums an einer Immobilie auf Curaçao kann daher grundsätzlich die Auffassung vertreten werden, dass keine Grunderwerbsteuer anfällt.

Selbstverständlich ist stets auf den tatsächlichen Inhalt der Transaktion abzustellen. Wird neben dem wirtschaftlichen Eigentum beispielsweise zugleich ein dingliches Recht begründet oder übertragen, kann die Beurteilung anders ausfallen.

Nehmen wir jedoch an, dass tatsächlich ausschließlich das wirtschaftliche Eigentum übertragen wird und der rechtliche Eigentumstitel beim Veräußerer verbleibt.

Dann kann die Grunderwerbsteuer möglicherweise außer Betracht bleiben.

Damit ist die steuerliche Analyse jedoch noch keineswegs abgeschlossen.

Der Lieferungsbegriff der Umsatzsteuer

Artikel 3 Absatz 1 Buchstabe a der Landsverordening omzetbelasting 1999 bezeichnet als Lieferung:

„die Übertragung oder den Übergang der Befähigung, wie ein Eigentümer über einen Gegenstand zu verfügen.“

Dieser Begriff ist wirtschaftlich geprägt.

Das Gesetz verlangt nicht, dass das juristische Eigentum übertragen wird. Entscheidend ist vielmehr, ob der Erwerber die Befähigung erhält, wie ein Eigentümer über den Gegenstand zu verfügen.

Genau an dieser Stelle wird die Übertragung des wirtschaftlichen Eigentums relevant.

Nehmen wir an, A ist juristischer Eigentümer einer vermieteten Immobilie auf Curaçao. A überträgt das wirtschaftliche Eigentum auf B. Ab diesem Zeitpunkt stehen beispielsweise die Mieteinnahmen B zu, B trägt das Risiko von Wertsteigerungen und Wertverlusten und erhält in wirtschaftlicher Hinsicht eine solche Verfügungsmacht über die Immobilie, dass er wie ein Eigentümer darüber verfügen kann.

Das juristische Eigentum verbleibt vorerst bei A.

Für Zwecke der Grunderwerbsteuer liegt dann möglicherweise kein steuerbarer Vorgang vor.

Für Zwecke der Umsatzsteuer ist jedoch eine andere Frage zu stellen:

Hat B durch diese Transaktion die Befähigung erhalten, wie ein Eigentümer über die Immobilie zu verfügen?

Wird diese Frage bejaht, kann eine Lieferung im Sinne von Artikel 3 der Landsverordening omzetbelasting vorliegen.

Nicht jede Übertragung wirtschaftlichen Eigentums ist automatisch eine umsatzsteuerliche Lieferung

An dieser Stelle ist ausdrücklich ein Vorbehalt angebracht.

Allein die Tatsache, dass die Parteien ihren Vertrag mit „Übertragung des wirtschaftlichen Eigentums“ überschreiben, bedeutet noch nicht automatisch, dass für Zwecke der Umsatzsteuer eine Lieferung stattgefunden hat.

Für die Umsatzsteuer ist der tatsächliche rechtliche und wirtschaftliche Inhalt der Vereinbarungen maßgeblich.

Von Bedeutung können unter anderem folgende Fragen sein:

  • Wem stehen ab dem Zeitpunkt der Übertragung die Erträge zu?
  • Wer trägt das Risiko von Wertsteigerungen und Wertverlusten?
  • Wer trägt das Risiko des Untergangs der Immobilie?
  • Wer entscheidet über die Art und Weise der Nutzung beziehungsweise Vermietung?
  • Über welche Verfügungsmöglichkeiten verfügt der Erwerber?
  • In welchem Umfang kann der juristische Eigentümer noch selbständig über die Immobilie verfügen?

Die wirtschaftliche Realität steht hierbei im Mittelpunkt.

Soweit ersichtlich, gibt es in der veröffentlichten umsatzsteuerlichen Rechtsprechung von Curaçao bislang keine Entscheidung, in der ausdrücklich festgestellt wurde, dass die Übertragung des wirtschaftlichen Eigentums an einer Immobilie ohne Weiteres eine Lieferung im Sinne von Artikel 3 der Landsverordening omzetbelasting darstellt.

Das bedeutet jedoch keineswegs, dass diese Frage deshalb ignoriert werden kann.

Im Gegenteil: Gerade der Wortlaut von Artikel 3 macht eine solche Prüfung meines Erachtens erforderlich.




Der Veräußerer muss Unternehmer sein

Anschließend ist zu prüfen, ob der Veräußerer bei dieser Transaktion als Unternehmer für Zwecke der Umsatzsteuer handelt.

Auch insoweit ist das Gesetz von Curaçao weit gefasst.

Artikel 1a der Landsverordening omzetbelasting bestimmt, dass Unternehmer nicht nur derjenige ist, der selbständig ein Unternehmen oder einen Beruf ausübt, sondern auch:

„jeder, der einen Vermögensgegenstand nutzt, um daraus nachhaltig Einnahmen zu erzielen.“

Für Immobilien ist diese Bestimmung von erheblicher Bedeutung.

Wer eine Immobilie dauerhaft vermietet, kann bereits aus diesem Grund Unternehmer für Zwecke der Umsatzsteuer sein. Es ist nicht erforderlich, dass ein Unternehmen im üblichen betriebswirtschaftlichen Sinne betrieben wird.

Dieser weite Unternehmerbegriff wurde auch in der Rechtsprechung von Curaçao bestätigt. So entschied das Gerecht in eerste aanleg van Curaçao im Jahr 2025, dass die nachhaltige Vermietung von Villen eine wirtschaftliche Tätigkeit darstellte, die zur Unternehmereigenschaft für Zwecke der Umsatzsteuer führte (ECLI:NL:OGEAC:2025:257).

Das Argument „die Immobilie gehört zum Privatvermögen“ oder „der Eigentümer betreibt kein Unternehmen“ ist für umsatzsteuerliche Zwecke daher nicht ohne Weiteres entscheidend.

Und die Steuerbefreiung für Immobilien?

Damit kommen wir zu einem besonderen Aspekt der Umsatzsteuer von Curaçao.

Artikel 7 der Landsverordening omzetbelasting enthält eine Steuerbefreiung für die Lieferung von Immobilien, die der Grunderwerbsteuer unterliegen.

Bei einer regulären rechtlichen Übertragung ist die Systematik nachvollziehbar. Die Übertragung unterliegt der Grunderwerbsteuer und wird anschließend von der Umsatzsteuer befreit.

Bei der ausschließlichen Übertragung des wirtschaftlichen Eigentums kann sich jedoch gerade die umgekehrte Situation ergeben.

Wenn keine Grunderwerbsteuer geschuldet ist, kann nicht ohne Weiteres eine Steuerbefreiung in Anspruch genommen werden, die gerade daran anknüpft, dass die Lieferung der Grunderwerbsteuer unterliegt.

Damit kann sich eine bemerkenswerte Konstellation ergeben:

keine Grunderwerbsteuer, aber möglicherweise sehr wohl Umsatzsteuer.

Genau dieser Punkt darf bei der Beratung über die Übertragung wirtschaftlichen Eigentums nicht übersehen werden.

Von 4 % zu möglicherweise 6 %

Die finanziellen Auswirkungen können erheblich sein.

Nehmen wir an, das wirtschaftliche Eigentum an einer vermieteten Immobilie wird gegen eine Vergütung von Cg 1.000.000 übertragen.

Wenn keine Grunderwerbsteuer anfällt, scheint auf den ersten Blick die Grunderwerbsteuer von 4 % vermieden zu werden.

Wenn die Übertragung des wirtschaftlichen Eigentums jedoch für Zwecke der Umsatzsteuer als Übertragung der Befähigung anzusehen ist, wie ein Eigentümer über die Immobilie zu verfügen, der Veräußerer dabei als Unternehmer handelt und weder eine Steuerbefreiung noch eine besondere Regelung Anwendung findet, kann die Transaktion dem allgemeinen Umsatzsteuersatz von 6 % unterliegen.

Bei einer Vergütung von Cg 1.000.000 geht es dann potenziell um Cg 60.000 Umsatzsteuer.

Ob diese Steuer zusätzlich zum vereinbarten Kaufpreis geschuldet ist oder aus dem vereinbarten Betrag herausgerechnet werden muss, kann wiederum von den vertraglichen Vereinbarungen abhängen.

Eine übersehene Umsatzsteuerkomponente kann daher sehr kostspielig werden.

Auch Artikel 7a verdient Beachtung

Damit ist allerdings noch nicht jeder Fall abschließend beurteilt.

Die Landsverordening omzetbelasting enthält in Artikel 7a eine besondere Regelung für die Übertragung eines Gesamtvermögens oder eines Teils eines solchen Gesamtvermögens.

Wenn in Wirklichkeit nicht lediglich eine einzelne Immobilie übertragen wird, sondern eine selbständig betriebene wirtschaftliche Einheit, die vom Erwerber fortgeführt wird, ist zusätzlich zu prüfen, ob diese Regelung Anwendung findet.

Bei der Übertragung beispielsweise eines vollständigen Vermietungsbetriebs einschließlich der damit verbundenen Rechte und Verpflichtungen kann dies von Bedeutung sein.

Auch aus diesem Grund kann nicht pauschal behauptet werden, dass jede Übertragung wirtschaftlichen Eigentums automatisch zu einer Umsatzsteuer von 6 % führt.

Die eigentliche Botschaft lautet vielmehr:

Die umsatzsteuerlichen Folgen müssen geprüft werden.

Rechtliche Form und wirtschaftliche Realität können auseinanderfallen

Der Kern des Problems liegt darin, dass Grunderwerbsteuer und Umsatzsteuer dieselbe Transaktion aus unterschiedlichen Perspektiven betrachten können.

Die Grunderwerbsteuer von Curaçao knüpft in erheblichem Maße an die rechtliche Übertragung und bestimmte dingliche Rechte an.

Die Umsatzsteuer fragt hingegen danach, wer die Befähigung erhalten hat, wie ein Eigentümer über den Gegenstand zu verfügen.

Gerade beim wirtschaftlichen Eigentum kann deshalb ein Unterschied zwischen der rechtlichen Form und der steuerlichen Behandlung entstehen.

Und dieser Unterschied kann teuer werden.

Eine übersehene Analyse

Die Stellungnahme der großen Beratungsgesellschaft, die ich einsehen konnte, war für mich Anlass, dieses Thema näher zu untersuchen.

Bemerkenswert an dieser Stellungnahme ist meines Erachtens nicht, dass darin die Schlussfolgerung gezogen wurde, bei der Übertragung des wirtschaftlichen Eigentums falle keine Grunderwerbsteuer an. Diese Schlussfolgerung kann durchaus richtig sein.

Bemerkenswert ist vielmehr, dass die Analyse dort offenbar endete.

Wenn eine Immobilie nachhaltig genutzt beziehungsweise vermietet wird, der Veräußerer dadurch Unternehmer für Zwecke der Umsatzsteuer sein kann und anschließend das wirtschaftliche Eigentum übertragen wird, sollte meines Erachtens zusätzlich geprüft werden, ob damit die Befähigung übertragen wird, wie ein Eigentümer über die Immobilie zu verfügen.

Diese Prüfung kann letztlich durchaus zu dem Ergebnis führen, dass keine Umsatzsteuer geschuldet ist.

Diese Schlussfolgerung sollte jedoch nach einer entsprechenden Prüfung gezogen werden – und nicht dadurch entstehen, dass die Umsatzsteuer bei der Analyse vollständig außer Betracht bleibt.

Fazit

Die Übertragung des wirtschaftlichen Eigentums an einer Immobilie auf Curaçao kann steuerlich attraktiv erscheinen, weil möglicherweise keine Grunderwerbsteuer anfällt.

Damit darf die Analyse jedoch nicht enden.

Wenn der Veräußerer die Immobilie nachhaltig nutzt beziehungsweise vermietet, kann er Unternehmer für Zwecke der Umsatzsteuer sein. Wird anschließend zusammen mit dem wirtschaftlichen Eigentum auch die Befähigung übertragen, wie ein Eigentümer über die Immobilie zu verfügen, kann eine umsatzsteuerliche Lieferung vorliegen.

Ob tatsächlich 6 % Umsatzsteuer geschuldet sind, hängt von den konkreten Umständen, möglichen Steuerbefreiungen und besonderen Regelungen wie Artikel 7a der Landsverordening omzetbelasting ab.

Soweit ersichtlich, ist dieses konkrete Zusammenspiel bislang noch nicht unmittelbar in der veröffentlichten Rechtsprechung von Curaçao entschieden worden.

Gerade deshalb verdient es Aufmerksamkeit.

Denn bei der steuerlichen Beratung über wirtschaftliches Eigentum ist die Feststellung „keine Grunderwerbsteuer“ nicht das Ende der Analyse.

Möglicherweise ist sie erst der Anfang.