September 30, 2026

Ik ben niet anti-Nederland. Maar jaagt Nederland zijn vermogende burgers weg?

Ik ben niet anti-Nederland. Maar jaagt Nederland zijn vermogende burgers weg? Bijvoorbeeld naar Curacao? Laat ik beginnen met iets persoonlijks: ik ben niet anti-Nederland. Mijn kritiek op het Nederlandse fiscale beleid komt niet voort uit afkeer van het land. Wel vraag ik mij af of Nederland voldoende beseft wat het doet wanneer het vermogen steeds nadrukkelijker als een beschikbare financieringsbron voor de overheid beschouwt. Een belastingstelsel moet rechtvaardig zijn. Daar hoort bij dat ook vermogende burgers bijdragen aan de samenleving. Maar rechtvaardigheid vraagt eveneens om redelijkheid, voorspelbaarheid en oog voor de gevolgen van beleid. Wie alleen berekent hoeveel een belastingmaatregel kan opleveren, zonder rekening te houden met de reacties van degenen die moeten betalen, maakt een onvolledige rekensom. De recente berichtgeving over box 3 illustreert het probleem. Volgens Accountancy Vanmorgen zou de coalitie willen overstappen naar een vermogenswinstbelasting, waarbij waardestijgingen in beginsel bij realisatie worden belast. De precieze inhoud van het nieuwe voorstel was bij publicatie echter nog niet bekend. Voorlopig gaat het dus om een politieke koers, waarvan de uitwerking nog moet blijken. Het verschil tussen vermogensaanwas en vermogenswinst is wezenlijk. Een jaarlijkse belasting over ongerealiseerde waardestijgingen kan een aanslag opleveren terwijl de belastingplichtige geen geld heeft ontvangen. Een hogere waarde op papier betaalt geen belastingrekening. Bij een vermogenswinstbelasting sluit het heffingsmoment doorgaans beter aan bij het moment waarop geld beschikbaar komt. Maar daarmee is de belangrijkste vraag nog niet beantwoord: welk fiscaal klimaat wil Nederland zijn burgers bieden? Vermogen bestaat niet uitsluitend uit geërfde rijkdom of speculatiewinsten. Het kan ook het resultaat zijn van tientallen jaren werken, ondernemen, sparen en risico dragen. Voor iemand die zijn onderneming heeft verkocht, kan dat vermogen bovendien de voorziening voor zijn oude dag vormen. Het verdient daarom een zorgvuldiger benadering dan de gedachte dat er bij vermogende burgers altijd nog wel iets te halen valt. Ook onzekerheid heeft een prijs. Mensen nemen financiële beslissingen voor de lange termijn. Zij willen weten waar zij aan toe zijn wanneer zij beleggen, investeren of hun pensioen organiseren. Wanneer de fiscale spelregels voortdurend ter discussie staan, wordt plannen moeilijker en kan het vertrouwen in de overheid afnemen. Daar komt bij dat burgers keuzes hebben. Verhuizen naar het buitenland is een ingrijpende stap, waarbij familie, taal, gezondheid en sociale banden zwaar wegen. Belastingen zijn zelden de enige reden om te vertrekken. Maar het fiscale klimaat kan wel de doorslag geven wanneer iemand toch al over een verhuizing nadenkt.
Ik beweer niet dat iedere vermogende Nederlander zijn koffers pakt. Evenmin bewijst de discussie over box 3 op zichzelf dat sprake is van een massale fiscale uittocht. Mijn zorg is dat Nederland het risico op vertrek onderschat. Wie dat risico serieus neemt, moet onderzoeken welke gevolgen het beleid heeft voor woonplaatskeuzes, investeringen en toekomstige belastingopbrengsten. Wanneer een vermogende burger vertrekt, verdwijnen overigens niet automatisch alle Nederlandse belastingclaims. Ook blijven investeringen niet noodzakelijkerwijs achterwege. Maar Nederland kan wel toekomstige bestedingen, nieuwe investeringen en een deel van zijn belastinggrondslag verliezen. Dat mogelijke verlies hoort thuis in de afweging. Solidariteit vraagt om bijdragen naar draagkracht. Zij vraagt ook om een overheid die zorgvuldig omgaat met degenen van wie zij die bijdragen verlangt. Een stabiel en evenwichtig belastingstelsel kan beide dienen. Mijn kritiek is daarom een oproep om verder te kijken dan de opbrengst van de volgende begroting. Nederland heeft er belang bij dat mensen er willen wonen, ondernemen, investeren en hun toekomst opbouwen. Ik ben niet anti-Nederland. Juist daarom vind ik dat Nederland zich moet afvragen of het met zijn fiscale beleid vermogende burgers aan zich bindt — of hun steeds meer redenen geeft om te vertrekken. peter.muller@mullertax.com

September 29, 2026

Box 3: de fiscus kan niet leven van papieren winst, de belegger evenmin

De Nederlandse politiek lijkt opnieuw van koers te veranderen met box 3. Volgens Accountancy Vanmorgen zou de coalitie nu kiezen voor een vermogenswinstbelasting en afzien van belasting over nog niet gerealiseerde waardestijgingen. De precieze uitwerking is echter nog niet openbaar. Van een definitief nieuw stelsel is dus geen sprake. Het bericht wordt gepresenteerd als een beweging naar rechts. Maar achter dat politieke etiket schuilt een principiële fiscale vraag: wanneer behoort een waardestijging tot het inkomen waarover belasting moet worden betaald? Meer waard, maar niets ontvangen Bij een vermogensaanwasbelasting wordt een waardestijging jaarlijks belast, ook wanneer de belegger niets heeft verkocht. Een vermogenswinstbelasting verschuift dat moment in beginsel naar de verkoop. Rente, dividend en andere reguliere inkomsten kunnen daarbij gewoon jaarlijks worden belast. Het wetsvoorstel dat bij de Eerste Kamer ligt, combineert beide systemen: vermogensaanwas als hoofdregel en vermogenswinst voor onder meer onroerende zaken.
Dat verschil in heffingsmoment is voor de belastingplichtige bepaald geen detail. Stel dat een aandelenportefeuille stijgt van € 100.000 naar € 120.000, zonder verkoop of dividenduitkering. Er is dan € 20.000 aan waardestijging, maar geen extra geld op de bankrekening. Een belastingaanslag moet ondertussen wel met echt geld worden betaald. Bij beursgenoteerde aandelen kan de belegger een gedeelte verkopen. Maar daarmee beïnvloedt de belastingheffing zijn beleggingsbeslissing. En wanneer de koers vervolgens daalt, blijkt hoe kwetsbaar het belasten van tussentijdse waardestijgingen kan zijn. Een behoorlijke verliesverrekening is dan essentieel. Waarom geldt draagkracht niet overal hetzelfde? De Raad van State heeft bovendien gewezen op de verschillen tussen de boxen. Voor dezelfde vermogensbestanddelen kan het heffingsmoment uiteenlopen, afhankelijk van de box waarin zij vallen. De Raad vraagt waarom ongerealiseerde waardestijgingen in box 3 wel worden belast, terwijl voor vermogenswinsten in box 1 en box 2 in beginsel bij realisatie wordt aangesloten. Zulke verschillen kunnen ook fiscale structuurkeuzes uitlokken. Die kritiek verdient meer aandacht dan de vraag welke politieke partij zich winnaar mag noemen. Een belastingstelsel moet een overtuigende verklaring bieden voor verschillen in behandeling. Belasten bij verkoop heeft ook een prijs Een vermogenswinstbelasting kent eveneens nadelen. Wie belasting kan uitstellen door niet te verkopen, krijgt een fiscale reden om een belegging langer vast te houden. Ook moeten aankoopprijzen, latere investeringen en eerdere transacties soms jarenlang worden bijgehouden. De Raad van State bespreekt deze uitvoeringsproblemen en het risico van uitstelgedrag. Een verschuiving naar heffing bij verkoop vraagt daarom om zorgvuldige regels voor verliezen, schenking, overlijden en emigratie. Anders ontstaat een stelsel waarin gerealiseerde winst wordt belast, maar bepaalde waardestijgingen langdurig buiten bereik blijven. De begroting is geen definitie van inkomen Voor mij weegt zwaar dat een belastingplichtige belasting moet kunnen betalen uit opbrengsten die daadwerkelijk beschikbaar zijn. Dat pleit voor heffing over waardestijgingen bij realisatie, met een evenwichtige behandeling van verliezen. De overheid heeft begrijpelijkerwijs behoefte aan voorspelbare inkomsten. Maar de gewenste belastingopbrengst mag niet bepalen wat als inkomen wordt aangemerkt. Eerst moet er een verdedigbaar stelsel liggen; vervolgens moet de begroting daarop worden afgestemd. De fiscus kan zijn uitgaven niet betalen met papieren winst. Van de belegger mag evenmin worden verwacht dat hij dat wel kan.

September 28, 2026

EMIGREREN NAAR CURACAO: VERGEET DE NEDERLANDSE AOW NIET!

omatisch dat de Nederlandse AOW-verzekering eindigt. De feitelijke situatie en de toepasselijke verzekeringsregels zijn bepalend. Voor iemand die daadwerkelijk niet meer verzekerd is, zijn de financiële gevolgen echter eenvoudig te berekenen. Voor ieder niet-verzekerd jaar wordt de uiteindelijke AOW met 2% verminderd. Tien jaar buiten de Nederlandse AOW-verzekering betekent dus in beginsel 20% minder AOW. Twintig jaar betekent 40% minder. Dat kan behoorlijk aantikken. Vooral mensen die relatief jong naar Curaçao zijn verhuisd, ontdekken soms pas vlak voor hun pensioendatum dat hun Nederlandse AOW aanzienlijk lager is dan zij hadden verwacht. De verhuizing naar Curaçao betekent overigens niet dat reeds opgebouwde AOW-rechten verdwijnen. Wie AOW heeft opgebouwd, kan die uitkering in beginsel ook ontvangen terwijl hij op Curaçao woont. De SVB behandelt wonen in het Caribische deel van het Koninkrijk voor de AOW wel als wonen buiten Nederland. De wijze van uitbetaling en de inhoudingen kunnen daardoor verschillen van de situatie van een AOW-gerechtigde die in Nederland woont. Een ander punt dat vaak wordt vergeten, is de mogelijkheid van vrijwillige verzekering. Wie Nederland verlaat en daardoor niet langer verplicht verzekerd is voor de AOW, kan onder voorwaarden de verzekering vrijwillig voortzetten. Daarbij geldt een belangrijke termijn: volgens de SVB moet men zich in beginsel binnen één jaar nadat de verplichte verzekering is geëindigd aanmelden. Daar staat uiteraard een premie tegenover. In 2026 bedraagt de premie voor vrijwillige AOW-verzekering 17,9% van het relevante inkomen, waarbij een minimum- en maximumpremie gelden. Voor 2026 noemt de SVB bedragen van minimaal € 569 en maximaal € 5.693 per jaar. Of vrijwillig verzekeren financieel aantrekkelijk is, hangt sterk af van leeftijd, inkomen, het aantal nog op te bouwen jaren en de persoonlijke omstandigheden. Dat is dus geen beslissing die uitsluitend op basis van het premiebedrag moet worden genomen. Er is bovendien nog een praktisch verschil tussen emigreren vóór en ná de AOW-leeftijd. Wie al AOW ontvangt en daarna naar het buitenland verhuist, houdt in beginsel zijn opgebouwde rechten. Wel kunnen het nettobedrag, de inhoudingen, de wijze van betaling en administratieve verplichtingen veranderen. Zo kan de SVB in bepaalde gevallen een levensbewijs verlangen.
Wie daarentegen vóór de AOW-leeftijd naar Curaçao verhuist, moet vooral kijken naar de vraag of hij na emigratie nog voor de Nederlandse AOW verzekerd blijft. Is dat niet het geval, dan stopt vanaf dat moment de verdere opbouw. Dat verschil lijkt eenvoudig, maar wordt in de praktijk nogal eens over het hoofd gezien. De conclusie is daarom niet dat emigreren naar Curaçao slecht is voor uw AOW. De juiste conclusie is dat emigratie gevolgen kán hebben voor de verdere opbouw van uw Nederlandse AOW. Wie overweegt Nederland te verlaten, doet er daarom verstandig aan vóór vertrek vast te stellen hoeveel AOW inmiddels is opgebouwd, of de verzekeringsplicht na emigratie eindigt en of vrijwillige voortzetting mogelijk en zinvol is. De zon op Curaçao is gratis. Een ontbrekend stukje AOW helaas niet. peter.muller@mullertax.com

September 24, 2026

Private equity in de accountancy: wie trekt er straks aan de touwtjes?

Private equity heeft de Nederlandse accountancy in betrekkelijk korte tijd ingrijpend veranderd. Accountantskantoren worden samengevoegd, kleinere praktijken worden opgekocht en achter steeds meer bekende namen staat inmiddels een financiële investeerder. Aanvankelijk werd daarbij vooral gesproken over de voordelen. Private equity brengt kapitaal mee. Dat geld kan worden gebruikt voor automatisering, digitalisering, kunstmatige intelligentie, uitbreiding en het aantrekken van personeel. Ook schaalvergroting kan in een sector waarin goede accountants schaars zijn voordelen hebben. Maar inmiddels komt een andere vraag steeds nadrukkelijker naar voren: past het bedrijfsmodel van private equity eigenlijk wel bij het bijzondere karakter van het accountantsberoep? Die vraag wordt urgenter nu de eerste grote private-equitypartijen alweer naar de uitgang kijken. De eerste exits komen eraan Accountancy Vanmorgen berichtte onlangs dat Waterland en Avedon de mogelijkheden onderzoeken om hun belangen in respectievelijk De Jong & Laan en Newtone te verkopen. Daarmee begint een volgende fase van de private-equitygolf. Eerst werden accountantskantoren gekocht en samengevoegd; nu moet blijken aan wie de aldus opgebouwde organisaties weer kunnen worden verkocht. Dat is geen onbelangrijk detail. Een private-equityfonds koopt een onderneming immers in beginsel niet om deze gedurende meerdere generaties te exploiteren. Het doel is waardecreatie en vervolgens, na verloop van tijd, verkoop van de investering. De AFM wees er al eerder op dat private-equitypartijen vaak werken met een exithorizon van ongeveer vijf tot zeven jaar. Juist rond zo'n exit kan de commerciële druk toenemen. En daar begint naar mijn mening het probleem. Een accountantskantoor is geen gewone onderneming Een fabrikant van schroeven mag uiteindelijk zoveel mogelijk schroeven tegen zo laag mogelijke kosten produceren. Een commerciële eigenaar die dat proces efficiënter maakt, doet in beginsel precies waarvoor een aandeelhouder is aangesteld. Bij accountants ligt dat ingewikkelder. Een accountant verkoopt niet uitsluitend een product of dienst. Hij vervult ook een maatschappelijke functie. Banken, aandeelhouders, werknemers, belastingdiensten en andere derden moeten kunnen vertrouwen op zijn oordeel. De AFM formuleert dat heel duidelijk: accountants moeten onafhankelijk zijn en mogen zich bij hun werkzaamheden niet laten leiden door commerciële of persoonlijke belangen. Zeker op Curacao weten we dat dat soms wel eens goed misgaat. En er ontstaa derhalve een principiële spanning. De investeerder wil rendement op het geïnvesteerde vermogen. De accountant moet soms juist werkzaamheden verrichten die veel tijd kosten, commercieel onaantrekkelijk zijn of zelfs tot verlies van een cliënt kunnen leiden.
Wat gebeurt er wanneer die twee belangen met elkaar botsen? Meer omzet, hogere marge, lagere kosten Het recept waarmee private equity waarde creëert is bekend: groeien, consolideren, efficiënter werken en de winstgevendheid verhogen. Op zichzelf is daar niets mis mee. Geen enkele accountantspraktijk kan structureel bestaan zonder winst te maken. Maar winstgevendheid wordt problematisch wanneer zij van randvoorwaarde tot primaire doelstelling verandert. Een controleopdracht wordt namelijk niet noodzakelijk beter wanneer er minder uren aan worden besteed. Een accountant wordt niet noodzakelijk onafhankelijker wanneer zijn commerciële targets omhooggaan. En een kantoor wordt niet automatisch professioneler wanneer met hetzelfde aantal mensen steeds meer cliënten moeten worden bediend. De AFM waarschuwt zelf voor precies dit spanningsveld. Zij noemt onder meer de wens om snel te groeien of winstgevender te worden, onzekerheid rond een toekomstige exit, risico's van hefboomfinanciering en mogelijke bedreigingen voor onafhankelijkheid en geheimhouding. De toezichthouder stelde in 2025 zelfs uitdrukkelijk dat zij bij private equity in de accountancy de risico's op dat moment zwaarder woog dan de kansen. Dat is een opmerkelijk harde waarschuwing. Wie bepaalt uiteindelijk het beleid? Een ander probleem is de zeggenschap. Formeel bestaan daarvoor regels. Bij accountantsorganisaties die wettelijke controles verrichten moet onder meer worden voldaan aan wettelijke eisen ten aanzien van het dagelijks beleid en de stemrechten. De meerderheid daarvan kan dus niet eenvoudig aan een private-equityfonds worden overgedragen. Maar juridische zeggenschap en economische macht zijn niet noodzakelijk hetzelfde. Wie het kapitaal verschaft, voorwaarden aan financiering stelt, acquisities mogelijk maakt en uiteindelijk rendement op zijn investering verwacht, hoeft niet iedere dag in de bestuurskamer te zitten om invloed op de koers van een onderneming te hebben. Ook de Raad voor Toezicht van de NBA signaleert problemen. In zijn verslag over 2024 vermeldt de raad dat bij kantoren waarbij private equity betrokken is soms moeilijk valt te achterhalen hoe de stemrechten precies zijn geregeld. In enkele gevallen werden eindoordelen daarom zelfs aangehouden. Dat zou in een beroep waarin onafhankelijkheid een kernbegrip is tot nadenken moeten stemmen. De accountant als productiemiddel Er is nog een aspect dat minder aandacht krijgt. Traditioneel was de eigenaar van een accountantskantoor meestal zelf accountant. De partners liepen commercieel risico, maar hun vermogen, reputatie en beroepsmatige verantwoordelijkheid waren rechtstreeks verbonden met het kantoor. Private equity verandert die verhouding. Het accountantskantoor wordt een investering. De praktijk vertegenwoordigt een waarde. Cliëntenportefeuilles vertegenwoordigen waarde. Terugkerende omzet vertegenwoordigt waarde. En uiteindelijk vertegenwoordigen ook de accountants en medewerkers een economische waarde in het financiële model. Daarmee dreigt een subtiele maar belangrijke verandering: het accountantskantoor is niet langer uitsluitend een professionele organisatie die toevallig ook een onderneming is, maar wordt steeds meer een onderneming waarin professionele dienstverlening het product vormt. Dat verschil lijkt klein. Het is het niet. En dan moet het kantoor weer worden verkocht Misschien is de exit wel het meest ongemakkelijke onderdeel van het gehele model. Stel dat een investeerder een accountantsorganisatie koopt, gedurende vijf jaar tientallen kleinere kantoren toevoegt, de winstgevendheid verhoogt en vervolgens zijn belang verkoopt. Wie is dan de koper? Een andere private-equitypartij? En wat moet die nieuwe eigenaar vervolgens doen om óók weer rendement te behalen? Opnieuw groeien? Opnieuw kosten besparen? Opnieuw kantoren toevoegen? Opnieuw de organisatie na enkele jaren verkopen? Er ontstaat dan het risico van een financiële estafette waarbij een accountantsorganisatie iedere paar jaar tegen een hogere waardering wordt doorgegeven en iedere volgende eigenaar opnieuw rendement uit dezelfde onderneming moet zien te halen. Ergens moet dat rendement worden verdiend. Uiteindelijk kan het alleen komen uit hogere opbrengsten, lagere kosten, grotere volumes of een combinatie daarvan. En precies daar bevindt zich de accountant die voldoende tijd moet blijven besteden aan zijn dossiers en die onafhankelijk “nee” moet kunnen zeggen wanneer dat noodzakelijk is. Het probleem zit niet in winst maken Dit is geen pleidooi voor de stelling dat accountantskantoren geen winst zouden mogen maken. Natuurlijk moeten zij commercieel gezond zijn. Ook betekent de aanwezigheid van private equity niet automatisch dat de kwaliteit van een accountantskantoor achteruitgaat. Kapitaal kan juist noodzakelijk zijn voor technologie, opleiding en innovatie. De internationale beroepsorganisatie IFAC constateerde in 2026 bovendien dat private equity inmiddels een wereldwijd verschijnsel is: meer dan duizend accountantskantoren ontvingen in het afgelopen decennium dergelijke investeringen. Maar de kernvraag blijft wie uiteindelijk aan de touwtjes trekt. Bij een normale commerciële onderneming mag het antwoord daarop in belangrijke mate luiden: de aandeelhouder. Bij een accountantsorganisatie kan dat antwoord nooit zo eenvoudig zijn. De accountant dient niet uitsluitend zijn cliënt en zeker niet uitsluitend zijn aandeelhouder. Hij vervult een functie in het maatschappelijk verkeer. Onafhankelijkheid, professioneel-kritische instelling en kwaliteit mogen daarom geen variabelen worden in een financieel model dat uiteindelijk is gericht op een succesvolle exit. Private equity kan kapitaal leveren. Maar vertrouwen laat zich niet financieren. En onafhankelijkheid hoort al helemaal niet te koop te zijn.

September 21, 2026

Je bankrekening uitlenen aan een fraudeur: zelf geen oplichter, toch veroordeeld

Witwassen is een strafrechtelijk -althans voor mij- fascinerend onderwerp. Waarom? Het komt enorm vaak voor. Daders beseffen vaak niet wat zij aan het doen zijn en anderzins is het witwasdelict voor het Openbaar Ministerie vaak makkelijk te bewijzen. Een opmerkelijke uitspraak van de Rechtbank Gelderland laat goed zien dat er strafrechtelijk een groot verschil kan bestaan tussen het plegen van fraude en het beschikbaar stellen van de middelen waarmee die fraude wordt uitgevoerd. Een man werd ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij fraude via twee webwinkels. Klanten bestelden en betaalden onder meer barbecues en gereedschap, maar kregen hun goederen niet geleverd. Het geld kwam uiteindelijk terecht op bankrekeningen die op naam van de verdachte stonden. Dat lijkt op het eerste gezicht tamelijk belastend. Toch werd de verdachte vrijgesproken van de internetfraude. Tegelijkertijd werd hij wél veroordeeld voor het medeplegen van witwassen. Hoe kan dat? De fraude was duidelijk, maar wie pleegde haar? In april en mei 2023 deden tientallen personen aankopen bij twee webwinkels. Zij betaalden voor hun producten, maar kregen niets geleverd. In totaal ging het om een bedrag van € 8.812,31. Dat sprake was van fraude stond voor de rechtbank nauwelijks ter discussie. Ook kon een duidelijk verband worden gelegd met de verdachte. Een onderneming stond op zijn naam, bankrekeningen stonden op zijn naam en via betaaldiensten kwamen de opbrengsten van de webwinkels uiteindelijk op zijn rekeningen terecht. Maar dat is nog niet hetzelfde als bewijzen dat hij degene was die de fraude daadwerkelijk pleegde. De rechtbank onderzocht onder meer de telefoon van de verdachte. Daaruit kwamen geen concrete handelingen naar voren waaruit bleek dat hij zelf de producten online had aangeboden, klanten had benaderd of op andere wijze de frauduleuze verkopen had uitgevoerd. De verdachte verklaarde bovendien dat hij zijn identiteitsgegevens, DigiD en bankgegevens aan een ander had gegeven om een onderneming op te richten waarmee hij snel geld zou kunnen verdienen. De rechtbank achtte onvoldoende bewezen dat hij zelf de fraude had uitgevoerd. En daar deed zich een interessant strafprocesrechtelijk punt voor. De tenlastelegging bepaalt de speelruimte van de rechter Uit het dossier leek volgens de rechtbank wel degelijk enige betrokkenheid van de verdachte te volgen. Maar bij de fraude was hem uitsluitend verweten dat hij die zelf had gepleegd. Medeplegen of medeplichtigheid was voor dit feit niet ten laste gelegd. Dat is essentieel. Een strafrechter kan niet eenvoudig zeggen: wij kunnen niet bewijzen dat u de fraude zelf hebt gepleegd, maar wij vinden wel dat u de dader hebt geholpen en daarom veroordelen wij u voor medeplichtigheid. De tenlastelegging bepaalt in belangrijke mate waarover de strafrechter moet oordelen. Omdat onvoldoende bewezen kon worden dat de verdachte zelf de frauduleuze verkopen had uitgevoerd en een deelnemingsvorm niet was ten laste gelegd, volgde vrijspraak voor de fraude. Dat betekende echter niet dat de verdachte daarmee van alle strafrechtelijke aansprakelijkheid was verlost. De bankrekeningen waren zijn probleem Voor het tweede feit, witwassen, lag dat anders.
De € 8.812,31 die afkomstig was van de frauduleuze webwinkels was op rekeningen terechtgekomen die op naam van de verdachte stonden. De verdachte stelde dat hij die rekeningen feitelijk niet beheerde. Hij had de inloggegevens aan een ander gegeven. De rechtbank accepteerde dat argument niet. Als rekeninghouder had hij in beginsel zeggenschap over de rekening. Hij kon bijvoorbeeld de rekening laten blokkeren of beëindigen. Het enkele feit dat iemand zijn inloggegevens aan een ander geeft, betekent volgens de rechtbank niet dat hij daardoor geen feitelijke zeggenschap meer heeft over het saldo. Daarmee had de verdachte de bedragen in strafrechtelijke zin voorhanden gehad. Maar voor witwassen is uiteraard meer nodig. De verdachte moet ook wetenschap hebben gehad van de criminele herkomst van het geld, waarbij onder omstandigheden ook voorwaardelijk opzet voldoende kan zijn. En juist daar brak de verdachte zijn eigen verdediging op. Snel geld verdienen zonder vragen te stellen De verdachte had verklaard dat hem was voorgehouden dat hij snel en gemakkelijk geld kon verdienen. Hij had bedrijven op zijn naam gezet, bankrekeningen geopend en zijn DigiD, bankgegevens, identiteitsgegevens en zelfs een foto van zichzelf ter beschikking gesteld. Daarvoor had hij naar eigen zeggen tussen € 3.000 en € 4.000 ontvangen. Verder had hij verklaard dat hij er niet werkelijk over had nagedacht of de constructie legaal of illegaal was. Bij bepaalde betalingen was zelfs bij hem opgekomen dat het mogelijk geen “zuivere koffie” was. Ook had hij op enig moment gehoord dat goederen werden verkocht zonder dat deze werden geleverd. Voor de rechtbank was dat voldoende om vast te stellen dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de bedragen op zijn rekeningen afkomstig waren uit fraude. Daar kwam bij dat zijn bijdrage bepaald niet beperkt was tot het toevallig ontvangen van geld. Hij was samen met de medeverdachte naar de Kamer van Koophandel gegaan, had ondernemingen op zijn naam laten zetten en had de gegevens beschikbaar gesteld die nodig waren om de financiële infrastructuur van de constructie te laten functioneren. Die bijdrage was volgens de rechtbank van voldoende gewicht om niet slechts van medeplichtigheid, maar van medeplegen van witwassen te spreken. Niet ieder onverklaard bedrag is witgewassen geld Ook op een ander punt is de uitspraak interessant. Het Openbaar Ministerie meende dat de verdachte niet alleen de € 8.812,31 uit de internetfraude had witgewassen, maar daarnaast nog ongeveer € 360.957. Dat bedrag zou onder meer niet in de belastingaangifte zijn aangegeven. De rechtbank zette daar terecht een belangrijke rem op. Het enkele feit dat een geldbedrag niet fiscaal is aangegeven, bewijst nog niet dat dat volledige bedrag uit een misdrijf afkomstig is. Er was onvoldoende onderzoek gedaan naar de herkomst van deze gelden. De rechtbank beperkte de bewezenverklaring daarom tot € 8.812,31. Dat onderscheid is belangrijk. Witwassen vereist uiteindelijk bewijs dat het betreffende voorwerp — in dit geval geld — onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Een groot of fiscaal niet verantwoord bedrag kan aanleiding geven tot onderzoek, maar vormt niet automatisch het bewijs van een criminele herkomst. Vrijspraak maar toch veroordeeld Het eindresultaat lijkt misschien tegenstrijdig, maar is dat juridisch niet. Voor de internetfraude was onvoldoende bewijs dat de verdachte zelf de uitvoeringshandelingen had verricht. Omdat medeplegen of medeplichtigheid bij dat feit niet was ten laste gelegd, volgde vrijspraak. Voor het witwassen lag er daarentegen voldoende bewijs dat de verdachte bewust de infrastructuur ter beschikking had gesteld waarmee de opbrengsten van de fraude konden worden ontvangen en dat hij daarbij ten minste bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat het om crimineel geld ging. De rechtbank veroordeelde hem daarom tot een taakstraf van 90 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaar. De taakstraf werd enigszins verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Ook opvallend: de slachtoffers kregen in deze strafzaak niets toegewezen Nog een opmerkelijk gevolg van de vrijspraak was dat 29 benadeelde partijen niet-ontvankelijk werden verklaard in hun vorderingen. Hun schade vloeide immers voort uit de internetfraude waarvan de verdachte was vrijgesproken. De veroordeling betrof het witwassen van de opbrengsten daarvan. Volgens de rechtbank bestond onvoldoende rechtstreeks verband tussen dat bewezenverklaarde witwassen en de schade die de kopers hadden geleden. Ook hier blijkt hoe belangrijk de exacte juridische kwalificatie van een feit kan zijn. De praktische les De belangrijkste les uit deze uitspraak is misschien wel dat iemand niet zelf achter een computer hoeft te zitten om uiteindelijk strafrechtelijk diep in de problemen te komen. Een bankrekening, DigiD, identiteitsbewijs of onderneming “even” aan iemand anders beschikbaar stellen is juridisch bepaald niet zonder risico. Vooral wanneer daar een vergoeding tegenover staat, grote geldstromen ontstaan en degene op wiens naam alles staat bewust geen vragen stelt, kan het argument “ik wist niet precies wat ze ermee deden” weinig bescherming bieden. Sterker nog: bewust wegkijken kan onder omstandigheden juist bijdragen aan het bewijs van voorwaardelijk opzet. Tegelijkertijd laat de uitspraak ook de andere kant van het strafrecht zien. Dat iemand zich verdacht gedraagt of zijn bankrekening voor dubieuze transacties beschikbaar stelt, betekent nog niet automatisch dat bewezen is dat hij ook het onderliggende misdrijf heeft gepleegd. Voor ieder strafbaar feit moet afzonderlijk worden vastgesteld wat de verdachte daadwerkelijk heeft gedaan, welke vorm van deelneming hem ten laste is gelegd en wat hij wist of bewust op de koop toe heeft genomen. Dat onderscheid lijkt technisch, maar in deze zaak maakte het precies het verschil tussen vrijspraak en veroordeling. Rechtbank Gelderland 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6701.

September 19, 2026

BOX 3 IN CURACAO

Uiteraard volg ik de Nederlandse discussies omtrent de wijzingen in box 3 met grote belangstelling evenals de discussie rond het mogelijk afschaffen van hypotheekrente bij eigen woningen. Het pijnpunt van box 3 is dat men ficties belast en niet daadwerkelijk inkomen en het pijnpunt van hypotheekrente-aftrek is uiteraard dat huurders indirect meebetalen aan het opbouwen van vermogen van eigen-woning bezitters. En dan denk ik: Curacao heeft dit allemaal prima geregeld en Nederland zou daar een voorbeeld aan kunnen nemen. Indien je als ingezetene kapitaal stort bij een lokale bank wordt de interest belasting met 8,5% procent inkomstenbelasting. De bank houdt dat in en draagt dat af zodat je de belastingdruk eigenlijk nauwelijks voelt. Interest die opkomt vanuit het buitenland wordt tegen het het aanmerkelijk belang tarief van 19,5 procent in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Geen fictieve heffingen derhalve. Het huurwaardeforfait is jaren geleden afgeschaft. Hypothecaire interest is beperkt aftrekbaar als persoonlijke last. Ben je getrouwd en heb je geen andere aftrekbare interestlasten is de aftrek maximaal Cg 32.500,--.
De huuropbrengsten van onroerende zaken worden voor 65% in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Daarvan mogen eerst typische eigenaarskosten op in aftrek worden gebracht zoals bijvoorbeeld de bijdrage aan een Vereninging van Eigenaren. De interest mag daarop in aftrek worden gebracht. Leidt dat tot negatief inkomen dan mag dat 5 jaar vooruitgewenteld worden. Ok dat zou wat mij betreft 10 jaar mogen zijn -de winstbelastig kent een regeling voor compensabele verliezen voor die periode- maar het is niet slecht. Wij zijn vaker als juridische proeftuin voor Nederland gebruikt, denk bijvoorbeeld aan de moderne BV-wetgeving. Ook nu zou Nederland wellicht de blik op het westen kunnen richten. Ik ben trots op ons eerlijke systeem waar het betreft heffing over vermogen. Wel -ik kreeg wat input van een collega- kan gesteld worden dat onze onroerendezaakbelasting aan de hoge kant is vergeleken met andere landen. Een onderwerp dat op zich deze blog te buiten gaat en ik schreef er eerder over. Het zou afgekapt moeten worden tot een maximumbedrag wat mij betreft. peter.muller@mullertax.com

September 12, 2026

AL JAREN GEEMIGREERD MAAR DE FISCUS LAAT U NIET ZO MAAR GAAN

Ons oog viel het het volgende. Een man stelt dat hij al sinds 1992 uit Nederland is geëmigreerd. Zijn woning, gezin, sociale leven en economische activiteiten bevinden zich volgens hem in het buitenland. Ook zijn huisarts zit daar, zijn dagelijkse uitgaven worden daar gedaan en zijn telefoonabonnementen lopen daar. Toch wil de Nederlandse Belastingdienst weten of deze man misschien nog steeds — of opnieuw — fiscaal inwoner van Nederland is. En de fiscus gaat daar behoorlijk ver in. Lees maar verder. De Rechtbank Den Haag besliste op 2 september 2026 in kort geding dat de man binnen vier weken een zeer omvangrijke hoeveelheid persoonlijke en financiële informatie moet verstrekken. Doet hij dat niet, dan bedraagt de dwangsom maar liefst € 50.000 per dag, met een maximum van € 5 miljoen. Daarmee is deze uitspraak bepaald spectaculair. Maar er moet meteen iets worden verduidelijkd: de rechter heeft niet geoordeeld dat de man in Nederland woont. De rechter heeft alleen geoordeeld dat de Belastingdienst voldoende aanleiding heeft om zijn fiscale woonplaats te onderzoeken en dat de man daarvoor informatie moet verschaffen. Dat is iets wezenlijk anders. Uitschrijven is niet hetzelfde als emigreren Deze procedure illustreert een belangrijk punt dat bij emigratie nogal eens wordt onderschat. Fiscaal emigreren gebeurt niet simpelweg door u uit te schrijven uit de Nederlandse Basisregistratie Personen, een huis in het buitenland te kopen en tegen de Nederlandse Belastingdienst te zeggen: “Ik woon daar.” Het Nederlandse Artikel 4 AWR (Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) bepaalt dat waar iemand woont, naar de omstandigheden wordt beoordeeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gaat het daarbij om de vraag of tussen iemand en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Daarbij moeten alle relevante omstandigheden worden bekeken. Er bestaat niet één beslissend criterium. En daar zit meteen een addertje onder het gras. Die band met Nederland hoeft volgens de Hoge Raad namelijk niet sterker te zijn dan de band met een ander land. In uitzonderlijke gevallen kan iemand naar nationaal recht dus zelfs tegelijkertijd in twee landen wonen. Wie naar Curaçao verhuist, doet er goed aan dat te beseffen. Wat vond de Belastingdienst verdacht? De Belastingdienst begon in oktober 2023 met het woonplaatsonderzoek. Volgens de fiscus waren er verschillende aanknopingspunten met Nederland. De man beschikte over Nederlands onroerend goed en Nederlandse bankrekeningen. Hij was betrokken bij Nederlandse rechtspersonen, had familie in Nederland en had de Nederlandse nationaliteit. Daarnaast meende de Belastingdienst aanwijzingen te hebben dat hij regelmatig in Nederland verbleef en daar werkzaamheden verrichtte. Geen van deze omstandigheden bewijst op zichzelf dat iemand inwoner van Nederland is. Een inwoner van Curaçao kan natuurlijk een Nederlandse bankrekening hebben. Hij kan onroerend goed in Nederland bezitten. Hij kan aandeelhouder of bestuurder zijn van een Nederlandse vennootschap en hij kan familie in Nederland hebben. Maar wanneer dergelijke omstandigheden zich opstapelen, kan voor de Belastingdienst voldoende reden ontstaan om te willen weten hoe de werkelijkheid precies in elkaar zit. En dan komt artikel 47 AWR in beeld. De lange arm van artikel 47 AWR Artikel 47 AWR geeft de inspecteur een zeer ruime bevoegdheid om gegevens en inlichtingen op te vragen die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Ook boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen worden verlangd. In deze zaak gaat het bepaald niet om een paar vragen. De man moet onder andere informatie verstrekken over Nederlandse én buitenlandse bankrekeningen, creditcards en betaalpassen, telefoonabonnementen, schulden en vorderingen, Nederlands onroerend goed, deelnemingen en andere betrokkenheid bij rechtspersonen, inkomsten uit Nederland en werkzaamheden die hij in Nederland heeft verricht. Voor 2023 en 2024 wil de fiscus bovendien weten op welke adressen hij tijdens zijn verblijf in Nederland heeft verbleven. Daarmee wordt duidelijk hoe een modern woonplaatsonderzoek eruit kan zien. Bankafschriften laten zien waar iemand zijn dagelijkse boodschappen doet. Creditcardafschriften kunnen laten zien in welk land iemand zich bevindt. Telefoonrekeningen kunnen iets zeggen over verblijfspatronen. Vastgoed, werkzaamheden, bestuursfuncties en gezinsbanden vullen het beeld verder aan. De vraag “waar woont u?” wordt daardoor steeds minder een kwestie van wat iemand zelf verklaart (of wat iemand wil) en steeds meer een kwestie van wat de beschikbare data laten zien. Honderden pagina's waren niet genoeg De man had bepaald niet stilgezeten. Volgens zijn advocaat waren al honderden pagina's aan informatie, juridische analyses en stukken overgelegd. Ook was een woonplaatsrapportage opgesteld. Maar de rechter vond dat niet voldoende en dat vind ik een interessant onderdeel van de uitspraak. Een belastingplichtige kan namelijk niet zonder meer zelf bepalen welke informatie voldoende is en vervolgens van de inspecteur verlangen dat deze op basis daarvan maar een conclusie trekt. De rechter overwoog in wezen dat een door de belastingplichtige zelf samengestelde woonplaatsanalyse niet hetzelfde is als het verstrekken van de onderliggende gegevens waarmee de Belastingdienst zelfstandig onderzoek kan verrichten. Daar zit voor de praktijk een belangrijke les in. Wie zijn emigratiepositie wil verdedigen, moet niet alleen een goed verhaal hebben. De onderliggende feiten moeten dat verhaal ondersteunen. Maar de Belastingdienst gedroeg zich zelf ook niet voorbeeldig De zaak heeft overigens een merkwaardige andere kant. De Belastingdienst had in augustus 2024 een informatiebeschikking afgegeven. De man maakte daartegen bezwaar. Vervolgens wilde de inspecteur wachten met zijn beslissing totdat informatie van buitenlandse belastingautoriteiten was ontvangen. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant maakte daar in november 2025 korte metten mee. De inspecteur moest binnen twee weken uitspraak op bezwaar doen en kreeg zelf een dwangsom opgelegd. De rechtbank vond dat langer wachten afbreuk deed aan de rechtsbescherming van de belastingplichtige. Opmerkelijk genoeg was ten tijde van het kortgedingvonnis van 2 september 2026 nog steeds niet op dat bezwaar beslist. De Belastingdienst is tegen de eerdere uitspraak in hoger beroep gegaan. We krijgen daardoor een enigszins merkwaardig beeld. Aan de ene kant weigert de Belastingdienst tijdig te beslissen op het bezwaar van de belastingplichtige. Aan de andere kant stapt diezelfde Belastingdienst naar de civiele rechter om de belastingplichtige onder dreiging van een dwangsom van € 50.000 per dag tot medewerking te dwingen. Dat wringt aan alle kanten lijkt mij. Maar het ontslaat de belastingplichtige volgens de voorzieningenrechter niet van zijn informatieverplichtingen. En hoe zit dat wanneer iemand naar Curaçao is geëmigreerd? Of denkt te zijn geëmigreerd.
Voor inwoners van Curaçao is nog een tweede laag van belang. Stel dat Nederland op basis van artikel 4 AWR meent dat iemand in Nederland woont, terwijl diezelfde persoon volgens de Curaçaose belastingwetgeving inwoner van Curaçao is. Dan zijn we er nog niet. De Belastingregeling Nederland Curaçao (is een rijkswet maar lijkt op een belastingverdrag) kent namelijk haar eigen woonplaatsregels. Wanneer een natuurlijke persoon volgens de nationale wetgeving inwoner is van beide landen, wordt voor toepassing van de BRNC eerst gekeken waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft. Heeft hij in beide landen een duurzaam tehuis, dan wordt gekeken naar het land waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn: het middelpunt van de levensbelangen. Biedt ook dat geen uitkomst, dan wordt gekeken naar het land waar hij gewoonlijk verblijft. Pas daarna resteert zo nodig onderling overleg tussen Nederland en Curaçao. Dat onderscheid tussen de nationale woonplaats en de woonplaats voor toepassing van de BRNC is belangrijk. Het enkele feit dat de Nederlandse fiscus meent dat een duurzame persoonlijke band met Nederland bestaat, betekent dus nog niet automatisch dat Nederland voor alle onder de BRNC vallende inkomsten als woonstaat kan optreden. De echte les voor emigranten De uitspraak is daarom vooral een waarschuwing voor mensen die denken dat emigratie na verloop van tijd een voldongen feit wordt. Deze man zegt al in 1992 te zijn geëmigreerd. Toch onderzoekt de Belastingdienst meer dan dertig jaar later zijn fiscale woonplaats over de jaren 2018 tot en met 2024. Fiscaal wonen is geen status die men bij vertrek voor altijd verkrijgt. De woonplaats wordt beoordeeld op basis van de feitelijke situatie in het betreffende tijdvak. Wie na emigratie geleidelijk weer steeds meer banden met Nederland opbouwt, kan daardoor opnieuw in beeld komen bij de Nederlandse fiscus. Dat geldt zeker voor mensen die na emigratie een woning in Nederland aanhouden, daar regelmatig verblijven, Nederlandse ondernemingen besturen, vanuit Nederland werkzaamheden verrichten of een belangrijk deel van hun persoonlijke leven daar blijven organiseren. Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat die omstandigheden automatisch tot Nederlandse belastingplicht leiden. Dat is precies wat in deze procedure nog níet is beslist. De fiscus moet eerst nog bewijzen waar deze man woont En dat is misschien wel het belangrijkste punt van deze hele zaak. Na een procedure met 67 producties aan de zijde van de Belastingdienst, honderden pagina's van de belastingplichtige en uiteindelijk een dwangsom die kan oplopen tot € 5 miljoen, weten we nog steeds niet waar deze man voor fiscale doeleinden woont. Dat zal later moeten worden vastgesteld. De uitspraak van 2 september 2026 gaat uitsluitend over de vraag of hij de informatie moet verstrekken waarmee de Belastingdienst dat kan onderzoeken. Maar één conclusie kunnen we nu al trekken. Wie fiscaal emigreert, moet niet alleen emigreren op papier. Zijn feitelijke leven moet hetzelfde verhaal vertellen. En tegenwoordig beschikt de fiscus over steeds meer middelen om dat verhaal te controleren. Voor emigraties werken wij samen met mr. Van der Pol die net is geemigreerd naar Curacao. Hij is deskundig als fiscalist maar dus ook ervaringsdeskundige. mr. P.E. Muller fiscaal-jurist peter.muller@mullertax.com Bron: Rechtbank Den Haag 2 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25140; naar aanleiding van de berichtgeving van Accountancy Vanmorgen van 3 september 2026.