July 31, 2026

Van box 3 naar de Caribische zon: waarom Nederlanders fiscaal naar Curaçao kijken

 De belangstelling van Nederlanders voor een verhuizing naar Curaçao wordt niet uitsluitend veroorzaakt door het klimaat. Ook de hoge Nederlandse belastingdruk op vermogen, pensioen en inkomen speelt een rol. Vooral vermogende particulieren, gepensioneerden en directeur-grootaandeelhouders laten steeds vaker onderzoeken wat een emigratie fiscaal voor hen zou betekenen.

Daarbij wordt Curaçao soms voorgesteld als een belastingparadijs waar nauwelijks belasting wordt geheven. Dat beeld is onjuist. Curaçao kent een volwaardig belastingstelsel, met inkomstenbelasting, sociale premies, winstbelasting, omzetbelasting, onroerendezaakbelasting en successiebelasting. Wie op Curaçao woont, is in beginsel onderworpen aan inkomstenbelasting over zijn wereldinkomen.

Toch kan een daadwerkelijke emigratie in bepaalde situaties een aanzienlijke fiscale besparing opleveren. Het voordeel zit niet in één algemeen laag belastingtarief, maar in de combinatie van het Curaçaose belastingstelsel, de bijzondere penshonadoregeling en de beperkingen die na emigratie aan het Nederlandse heffingsrecht worden gesteld.

Het einde van de Nederlandse box 3-heffing over een groot deel van het vermogen

Voor vermogende Nederlanders is box 3 vaak de belangrijkste reden om emigratie te onderzoeken. Zolang iemand in Nederland woont, wordt hij in beginsel belast over zijn wereldvermogen. Tot de Nederlandse box 3-grondslag kunnen onder meer banktegoeden, effectenportefeuilles, vorderingen, verhuurde woningen en tweede woningen behoren.

Na een werkelijke emigratie is iemand niet langer binnenlands belastingplichtig in Nederland. Nederland belast dan niet meer het volledige vermogen. Een Nederlandse bankrekening en een gewone effectenportefeuille behoren bij een buitenlands belastingplichtige in beginsel niet meer tot de Nederlandse box 3-grondslag.

Nederlandse onroerende zaken blijven daarentegen wel in Nederland belast. Hetzelfde geldt voor bepaalde rechten die rechtstreeks betrekking hebben op Nederlands onroerend goed. De Nederlandse Belastingdienst vermeldt uitdrukkelijk dat een buitenlands belastingplichtige niet zijn gehele vermogen in box 3 hoeft aan te geven, maar onder meer wel zijn Nederlandse onroerende zaken.

Curaçao kent geen met box 3 vergelijkbare algemene jaarlijkse vermogensbelasting. Dat betekent echter niet dat vermogen of de opbrengsten daarvan geheel onbelast blijven. Rente, dividend, huurinkomsten en andere vermogensopbrengsten kunnen in de Curaçaose inkomstenbelasting worden betrokken. Het Curaçaose Ministerie van Financiën bevestigt dat Curaçao geen vermogensbelasting kent.

Het verschil is wezenlijk. Nederland belast in box 3 jaarlijks het vermogen of het rendement daarop volgens de Nederlandse wettelijke systematiek. Curaçao belast in beginsel de inkomsten die uit het vermogen worden genoten en kent daarnaast bijzondere regels voor bepaalde vermogensbestanddelen en beleggingsstructuren.

Voor iemand met een omvangrijke bank- of effectenportefeuille kan het wegvallen van de Nederlandse box 3-heffing daarom een belangrijke reden zijn om emigratie naar Curaçao te overwegen.



De penshonadoregeling

De bekendste Curaçaose fiscale faciliteit voor nieuwe inwoners is de penshonadoregeling. De naam kan de indruk wekken dat de regeling uitsluitend bestemd is voor gepensioneerden, maar dat is niet het geval. De regeling staat onder voorwaarden open voor nieuwe inwoners die bij hun inschrijving op Curaçao ten minste 50 jaar oud zijn.

Op grond van artikel 23B van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 kan de zuivere opbrengst van buitenlandse bronnen worden belast tegen een tarief van 10 procent, inclusief opcenten. Voor zeer hoge buitenlandse inkomens kent artikel 23C daarnaast een alternatieve forfaitaire regeling. Daarbij kan het buitenlandse inkomen onder voorwaarden worden gesteld op Cg 500.000, waarna daarover belasting wordt berekend volgens het gewone tarief.

Tot de buitenlandse inkomsten kunnen onder meer behoren:

inkomsten uit een buiten Curaçao uitgeoefende dienstbetrekking;

buitenlandse pensioen- en lijfrente-uitkeringen;

inkomsten uit een buitenlandse onderneming of vaste inrichting;

inkomsten uit buiten Curaçao gelegen onroerende zaken;

rente op buitenlandse banktegoeden en schuldvorderingen;

dividenden van buitenlandse vennootschappen;

winst bij de verkoop van een buitenlands aanmerkelijk belang.

De wettelijke omschrijving van buitenlandse bronnen is opgenomen in artikel 23E van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943.

De voorwaarden van de penshonadoregeling

De regeling kent strikte voorwaarden.

De belastingplichtige moet direct voorafgaand aan het eerste jaar waarin hij gebruikmaakt van de regeling gedurende ten minste zestig maanden buiten Curaçao hebben gewoond. Hij moet bij inschrijving in het bevolkingsregister 50 jaar of ouder zijn en zich binnen twee maanden na die inschrijving bij de Inspecteur der Belastingen aanmelden.

Daarnaast moet hij binnen achttien maanden na inschrijving een eigen woning in gebruik nemen. Die woning moet voor eigen gebruik onverhuurd ter beschikking staan en volgens de huidige wettelijke tekst bij verkrijging een waarde hebben van ten minste Cg 450.000.

Lokale werkzaamheden zijn in beginsel niet verenigbaar met de penshonadoregeling. De faciliteit kan buiten toepassing blijven wanneer de penshonado of diens echtgenoot op Curaçao inkomsten ontvangt uit een lokale dienstbetrekking, een zelfstandig beroep of andere lokale werkzaamheden.

De wet kent daarop enkele belangrijke uitzonderingen. Lokale werkzaamheden zijn bijvoorbeeld toegestaan in het kader van een dienstbetrekking bij een Curaçaose vennootschap waarin de penshonado onmiddellijk of middellijk ten minste 40 procent van het nominaal gestorte kapitaal bezit. Ook bepaalde werkzaamheden als commissaris zijn toegestaan.

De regeling is daarom vooral aantrekkelijk voor iemand die zijn inkomen hoofdzakelijk uit het buitenland blijft ontvangen en niet van plan is om na aankomst een gewone lokale dienstbetrekking of zelfstandige praktijk te beginnen.

Een Nederlands pensioen wordt niet altijd alleen tegen 10 procent belast

Rond de penshonadoregeling bestaat een hardnekkig misverstand. Regelmatig wordt aangenomen dat ieder Nederlands pensioen na emigratie naar Curaçao uitsluitend tegen 10 procent wordt belast. Dat is te eenvoudig.

De Belastingregeling Nederland-Curaçao verdeelt het heffingsrecht tussen beide landen. Artikel 17 bepaalt als hoofdregel dat pensioenen en lijfrenten belastbaar zijn in het woonland. Nederland mag als bronland echter eveneens heffen wanneer het pensioen of de lijfrente fiscaal in Nederland is gefacilieerd.

Bij periodieke uitkeringen mag de Nederlandse belasting op grond van artikel 17, derde lid, BRNC niet meer bedragen dan 15 procent van het brutobedrag. Curaçao kan als woonland eveneens belasting heffen, waarbij de BRNC voorziet in een verrekening ter voorkoming van dubbele belasting.

Een penshonado kan dus in Curaçao onder de 10-procentregeling vallen, terwijl Nederland daarnaast maximaal 15 procent over het brutopensioen heft. De Nederlandse belasting wordt vervolgens, binnen de daarvoor geldende regels, op Curaçao verrekend. Dat betekent dat de uiteindelijke belastingdruk niet zonder meer gelijk is aan 10 procent.

Voor een afkoop of andere niet-periodieke uitkering geldt de beperking tot 15 procent niet zonder meer. Dergelijke handelingen moeten daarom afzonderlijk worden beoordeeld.

AOW en overheidspensioenen

Voor AOW en andere uitkeringen uit het Nederlandse socialezekerheidsstelsel geldt een andere regeling. Artikel 17, tweede lid, BRNC bepaalt dat dergelijke uitkeringen ook in Nederland mogen worden belast.

Ook Nederlandse overheidspensioenen nemen een bijzondere positie in. Pensioenen die zijn opgebouwd in een publiekrechtelijke dienstbetrekking mogen op grond van artikel 18 BRNC in beginsel in het betalende land worden belast.

Wanneer een pensioen gedeeltelijk is opgebouwd in een particuliere dienstbetrekking en gedeeltelijk in overheidsdienst, moet het pensioen naar rato van de opbouwjaren worden gesplitst.

Bij de fiscale beoordeling moet daarom onderscheid worden gemaakt tussen:

een particulier bedrijfspensioen;

een overheidspensioen;

een AOW-uitkering;

een lijfrente;

een pensioen dat deels particulier en deels publiekrechtelijk is opgebouwd.

Zonder die uitsplitsing kan geen betrouwbare berekening worden gemaakt.

Rente en beleggingen

Voor rente kent de BRNC in beginsel een exclusieve woonstaatheffing. Rente uit Nederland die wordt ontvangen door een uiteindelijk gerechtigde die inwoner is van Curaçao, is daarom in beginsel alleen in Curaçao belast.

Voor een penshonado kan de zuivere buitenlandse rente vervolgens tegen 10 procent worden belast. Dat kan gunstig zijn voor iemand met omvangrijke banktegoeden, obligaties of andere rentedragende vorderingen.

Bij dividenden ligt dat anders. Dividenden van een Nederlandse vennootschap mogen in Curaçao worden belast, maar Nederland mag als bronland eveneens dividendbelasting heffen. Voor een particuliere aandeelhouder is die Nederlandse bronheffing op grond van artikel 10 BRNC in beginsel beperkt tot 15 procent van het brutodividend.

Ook hier geldt dat per inkomensbestanddeel moet worden vastgesteld welk land mag heffen en welke verrekening mogelijk is. De enkele toepassing van de penshonadoregeling betekent niet dat buitenlandse bronbelasting verdwijnt.

De vijfjaarstermijn voor Nederlandse erf- en schenkbelasting

Een belangrijk fiscaal voordeel van emigratie naar Curaçao betreft de Nederlandse erf- en schenkbelasting.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Nederlandse Successiewet 1956 wordt een Nederlander die Nederland heeft verlaten, volgens de nationale Nederlandse wet nog gedurende tien jaar geacht in Nederland te wonen.

In de verhouding tussen Nederland en Curaçao wordt deze tienjaarstermijn echter beperkt door artikel 28 BRNC.

Artikel 28 bepaalt dat een Nederlander die in Europees Nederland heeft gewoond en binnen ten hoogste vijf jaar na zijn emigratie naar Curaçao overlijdt of een schenking doet, voor de Nederlandse schenk- en erfbelasting nog geacht wordt in Nederland te wonen.

De relevante termijn bedraagt bij emigratie naar Curaçao dus geen tien, maar vijf jaar.

Overlijdt een Nederlandse emigrant binnen vijf jaar na vertrek, dan kan Nederland op grond van de woonplaatsfictie nog erfbelasting heffen. Doet hij binnen die periode een schenking, dan kan Nederland nog schenkbelasting heffen.

Na het verstrijken van vijf jaar kan Nederland niet meer uitsluitend op grond van deze woonplaatsfictie heffen. Uiteraard moet nog wel worden onderzocht of Nederland op een andere grond een heffingsrecht heeft.

De memorie van toelichting bevestigt uitdrukkelijk dat Nederland tot vijf jaar na emigratie naar Curaçao schenk- en erfbelasting kan heffen ter zake van het overlijden van de emigrant of een door hem gedane schenking.

Voor vermogende Nederlanders kan deze verkorting van tien naar vijf jaar een belangrijk onderdeel zijn van de estateplanning. Het is echter een planning voor de langere termijn en geen onmiddellijke vrijstelling bij vertrek.

Directeur-grootaandeelhouders moeten rekening houden met de conserverende aanslag

Voor een directeur-grootaandeelhouder met aandelen in een Nederlandse vennootschap is emigratie aanzienlijk ingewikkelder.

Bij emigratie behandelt Nederland de aandelen voor de inkomstenbelasting alsof zij op dat moment zijn vervreemd. Over de tot de emigratiedatum opgebouwde waardestijging kan een conserverende aanslag worden opgelegd.

De belasting hoeft doorgaans niet onmiddellijk te worden betaald zolang uitstel van betaling geldt en geen verboden handeling plaatsvindt. Bij emigratie naar Curaçao kan Nederland zekerheid verlangen, bijvoorbeeld door middel van een bankgarantie, hypotheekrecht of verpanding.

De BRNC laat Nederland bovendien toe om de tijdens de Nederlandse woonperiode opgebouwde waardestijging van het aanmerkelijk belang te belasten. Artikel 13, vijfde lid, BRNC bevat daarvoor een termijn van tien jaar. Ook kan Nederland onder voorwaarden gedurende tien jaar na emigratie heffen over dividenduitkeringen zolang van de conserverende aanslag nog een bedrag openstaat.

Deze tienjaarstermijn voor het aanmerkelijk belang moet niet worden verward met de vijfjaarstermijn van artikel 28 voor de Nederlandse erf- en schenkbelasting. Het gaat om verschillende belastingen en afzonderlijke bepalingen.

Een dga moet vóór emigratie daarom onder meer laten onderzoeken:

wat de waarde van de aandelen is;

hoe hoog de latente Nederlandse box 2-claim is;

of op korte termijn dividend zal worden uitgekeerd;

of de vennootschap zal worden verkocht;

welke zekerheid Nederland voor het betalingsuitstel kan verlangen;

waar de feitelijke leiding van de vennootschap na emigratie zal worden uitgeoefend.

Een emigratie naar Curaçao is voor een dga dus niet automatisch een eenvoudige ontsnapping uit de Nederlandse box 2-heffing.

Nederlandse onroerende zaken blijven in Nederland belast

Wie na emigratie een woning, vakantiewoning of verhuurd pand in Nederland aanhoudt, blijft daarover in Nederland belasting betalen. De BRNC wijst het heffingsrecht over inkomsten uit onroerende zaken toe aan het land waar die zaken zijn gelegen.

Ook de Nederlandse box 3-regels voor buitenlands belastingplichtigen brengen mee dat Nederlands onroerend goed in Nederland belast blijft.

Het aanhouden van Nederlands vastgoed kan daarom een groot verschil maken voor de fiscale uitkomst. Iemand die uitsluitend een effectenportefeuille bezit, verkeert na emigratie in een andere positie dan iemand die zijn vermogen grotendeels in Nederlandse verhuurpanden heeft belegd.

De expatriateregeling voor werknemers

Niet alleen penshonado’s kunnen een fiscaal voordeel genieten. Curaçao kent ook een bijzondere expatriateregeling voor werknemers die vanuit het buitenland worden aangetrokken vanwege een bijzondere deskundigheid.

Onder voorwaarden kan de werkgever bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken. Ook kan een nettoloonafspraak worden gemaakt zonder dat het afgesproken nettoloon volledig hoeft te worden gebruteerd.

De Curaçaose Belastingdienst noemt onder meer als voorwaarden dat de werknemer vóór de tewerkstelling gedurende een bepaalde periode in het buitenland heeft gewoond, over schaars beschikbare deskundigheid en relevante werkervaring beschikt en ten minste Cg 150.000 per jaar verdient.

Deze regeling kan Curaçao aantrekkelijk maken voor gespecialiseerde managers, artsen, technici en andere werknemers die door een Curaçaose werkgever worden aangetrokken.

Uitschrijving is niet hetzelfde als fiscale emigratie

De fiscale voordelen ontstaan alleen wanneer iemand werkelijk emigreert. Uitschrijving uit de Nederlandse basisregistratie en inschrijving op Curaçao zijn belangrijke aanwijzingen, maar zijn niet altijd beslissend.

De fiscale woonplaats wordt naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld. Er wordt onder meer gekeken naar:

de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft;

de verblijfplaats van de partner en het gezin;

de beschikbaarheid van een woning in Nederland;

de plaats waar de werkzaamheden worden verricht;

de locatie van bankzaken, verzekeringen en administratie;

de sociale en maatschappelijke bindingen;

de plaats waar het dagelijkse leven zich daadwerkelijk afspeelt.

De Nederlandse Belastingdienst bevestigt dat de feitelijke omstandigheden een belangrijke rol spelen bij de vaststelling van het fiscale woonland. Ook de Curaçaose Landsverordening op de inkomstenbelasting bepaalt dat de woonplaats naar de omstandigheden wordt beoordeeld.

Wie op papier naar Curaçao verhuist, maar zijn woning, gezin, onderneming en dagelijkse leven grotendeels in Nederland achterlaat, loopt het risico dat Nederland hem nog steeds als inwoner behandelt.

Een fiscale emigratie vereist daarom een werkelijke en duurzame verplaatsing van het middelpunt van het persoonlijke en economische leven.

Niet alleen naar het inkomstenbelastingtarief kijken

Een goede emigratieanalyse beperkt zich niet tot een vergelijking van inkomstenbelastingtarieven.

Ook de volgende onderwerpen moeten worden onderzocht:

de gevolgen voor de Nederlandse volksverzekeringen en AOW-opbouw;

de Curaçaose premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ;

de ziektekostenverzekering;

de conserverende aanslagen voor pensioen, lijfrente of aanmerkelijk belang;

de belastingheffing over Nederlandse onroerende zaken;

de Nederlandse dividendbelasting;

de gevolgen voor erf- en schenkbelasting;

de woonplaats van een Nederlandse vennootschap waarvan de emigrant aandeelhouder of bestuurder is;

de gevolgen voor de partner en andere gezinsleden.

Een emigratie die op grond van één belastingsoort voordelig lijkt, kan door de gevolgen voor pensioen, sociale zekerheid of een onderneming uiteindelijk minder aantrekkelijk zijn.

Conclusie

Curaçao kan fiscaal aantrekkelijk zijn voor Nederlanders met een omvangrijke effectenportefeuille, buitenlandse inkomsten of een hoog pensioeninkomen.

De voornaamste voordelen zijn:

het wegvallen van de Nederlandse box 3-heffing over veel banktegoeden en beleggingen;

het ontbreken van een algemene Curaçaose vermogensbelasting;

de mogelijkheid om buitenlandse inkomsten onder de penshonadoregeling tegen 10 procent te laten belasten;

de woonstaatheffing voor bepaalde rente-inkomsten;

de beperking van de Nederlandse woonplaatsfictie voor erf- en schenkbelasting tot vijf jaar.

Daartegenover staan belangrijke aandachtspunten. Nederlands vastgoed blijft in Nederland belast. Nederland mag over bepaalde pensioenen en dividenden blijven heffen. Dga’s kunnen worden geconfronteerd met een omvangrijke conserverende aanslag en een tienjarige Nederlandse claim op het aanmerkelijk belang. Bovendien moet de emigratie werkelijk en duurzaam zijn.

Curaçao is geen fiscaal niemandsland. Het is een land met een eigen, volwaardig belastingstelsel. Voor bepaalde nieuwe inwoners kan dat stelsel echter aanzienlijk gunstiger uitpakken dan het Nederlandse.

De fiscale voordelen zijn het grootst wanneer de emigratie vooraf zorgvuldig wordt gepland en ieder inkomens- en vermogensbestanddeel afzonderlijk wordt beoordeeld.

In onze clientele bevinden zich veel particulieren die de sprong naar Curacao hebben gemaakt. Wij verzorgen dan de fiscale consequenties vanuit het perspectief van Curacao. Over twee weken krijgen wij versterking van een belastingadviseur die gepokt en gemazeld is in de Nederlandse fiscale consequenties.

July 30, 2026

KG:211:2026:27 Curaçaose naamloze vennootschap

 


Aanleiding

De kwalificatie vindt plaats in verband met de belastingheffing ten aanzien van een naar het recht van Curaçao opgerichte naamloze vennootschap (hierna: Curaçaose nv).

Vraag

Met welke Nederlandse rechtsvorm is een Curaçaose nv vergelijkbaar voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969), de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB 1965) en de Wet bronbelasting 2021 (hierna: Wet BB 2021)?

Antwoord

Een Curaçaose nv is voor de toepassing van de Wet Vpb 1969, de Wet IB 2001, de Wet DB 1965 en de Wet BB 2021 vergelijkbaar met een Nederlandse naamloze vennootschap (hierna: Nederlandse nv) of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: Nederlandse bv).

Beschouwing

Bij deze kwalificatie kon worden beschikt over:

Algemeen

Via de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is per 1 januari 2025 de rechtsvormvergelijkingsmethode gecodificeerd als wettelijke methode voor de fiscale kwalificatie van buitenlandse rechtsvormen, waardoor buitenlandse rechtsvormen worden vergeleken met Nederlandse rechtsvormen. Het Besluit VBR geeft uitvoering aan de in artikelen 1.11 en 2.14bis van de Wet IB 2001, artikel 1a van de Wet Vpb 1969, artikel 1 van de Wet DB 1965 en artikel 1.2 van de Wet BB 2021 opgenomen rechtsvormvergelijkingsmethode.

In het Besluit VBR worden regels gesteld aan de hand waarvan wordt bepaald of een naar buitenlands recht opgericht of aangegaan lichaam een met een Nederlandse rechtsvorm vergelijkbare rechtsvorm heeft en, als dat het geval is, met welke Nederlandse rechtsvorm het buitenlandse lichaam dan vergelijkbaar is. De groep van Nederlandse rechtsvormen bestaat enerzijds uit de – in de meeste gevallen in Boek 2 van het BW Nederland benoemde – rechtsvormen die voor Nederlandse fiscale doeleinden als zelfstandig belastingplichtig worden aangemerkt (hierna ook: de BW-rechtsvormen) en anderzijds uit de Nederlandse personenvennootschappen (de vennootschap onder firma, de maatschap en de commanditaire vennootschap), die voor Nederlandse fiscale doeleinden in de regel als transparant worden aangemerkt (zodat de achterliggende participanten in de heffing worden betrokken).

De BW-rechtsvormen hebben gemeen dat zij op basis van het BW Nederland rechtspersoon zijn. Daarnaast geldt dat de BW-rechtsvormen, op de bijzondere rechtsvormen van het kerkgenootschap, de informele vereniging en de Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon na, worden opgericht bij notariële akte. Hoewel de BW-rechtsvormen een aantal kenmerken delen, kennen zij ook veel verschillen.

Voor een personenvennootschap geldt dat in het algemeen sprake is van een overeenkomst tot samenwerking ter uitoefening van een beroep of bedrijf met inbreng door ieder van de participanten met het oogmerk voordeel te behalen en dit met elkaar te delen. Personenvennootschappen hebben civielrechtelijk geen in aandelen verdeeld kapitaal en de (niet-commanditaire) vennoten zijn aansprakelijk voor verplichtingen van de vennootschap tegenover derden.

Het antwoord op de vraag of een buitenlandse rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm wordt in beginsel bepaald aan de hand van de toets of de buitenlandse rechtsvorm naar aard en inrichting vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm.

Om de aard van een buitenlandse rechtsvorm vast te stellen dient aan de hand van het buitenlandse recht geanalyseerd te worden welke plaats de betreffende rechtsvorm in het buitenlandse recht inneemt en welke bedoeling de buitenlandse wet- of regelgever heeft gehad met die rechtsvorm. Bij deze analyse komt onder andere belang toe aan de keuze van de buitenlandse wet- of regelgever om de betreffende rechtsvorm als contractueel samenwerkingsverband (zoals de Nederlandse personenvennootschap) vorm te geven, of bijvoorbeeld als een kapitaalvennootschap (zoals de Nederlandse nv en Nederlandse bv).

De inrichting van een buitenlandse rechtsvorm heeft betrekking op de meer concrete regels die zijn gegeven voor die rechtsvorm in het buitenlandse recht. De inrichting van de Nederlandse rechtsvormen bestaat voor een belangrijk deel uit de wezenlijke kenmerken van verschillende rechtsvormen die per Nederlandse rechtsvorm zijn benoemd in afdeling 2 van hoofdstuk II van het Besluit VBR.

Toepassing van het toetsingskader op een Curaçaose nv

Voorafgaand aan de behandeling van de Curaçaose nv wordt opgemerkt dat de kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen reeds eerder de Curaçaose bv heeft gekwalificeerd, zie daartoe KG:211:2025:6.

De aard van een Curaçaose nv

Een Curaçaose nv wordt beheerst door het Boek 2 BW Curaçao. Sinds 2010 maakt Curaçao, evenals Aruba en Sint Maarten, als zelfstandig land deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden. Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Statuut) regelt de staatkundige relatie tussen de landen. In artikel 39 van het Statuut is opgenomen dat het burgerlijk en handelsrecht in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten zoveel mogelijk op gelijke wijze wordt geregeld (het zogenoemde concordantiebeginsel).

Curaçao heeft sinds 2010 een eigen versie van het BW, maar deze is grotendeels gebaseerd op het Nederlandse systeem. De basisprincipes en veel bepalingen zijn vergelijkbaar, maar er zijn ook enkele verschillen door latere moderniseringen van het civiele recht. Dit zijn overigens geen wezenlijke verschillen die afdoen aan de aard van de Curaçaose nv. De Curaçaose nv en bv zijn vennootschappen met rechtspersoonlijkheid waar bij de oprichting door de aandeelhouder risicodragend kapitaal wordt ingebracht in ruil voor één of meer aandelen.

Het civiele recht van Curaçao kent, net als Nederland, ook personenvennootschappen, te weten de openbare en de stille personenvennootschappen die kortgezegd worden vormgegeven door middel van een overeenkomst tot samenwerking tussen twee of meer personen. 

Gelet op de ontstaansgeschiedenis en de overeenkomsten tussen het BW Nederland en het BW Curaçao is een Curaçaose nv naar haar aard een kapitaalvennootschap.

De inrichting van een Curaçaose nv

Zoals aangegeven bestaat de inrichting van de Nederlandse rechtsvormen voor een belangrijk deel uit de wezenlijke kenmerken zoals opgenomen in afdeling 2 van hoofdstuk II van het Besluit VBR.

De artikelen 1, 3, 8 en artikel 100 en verder (Titel 5 De naamloze vennootschap) uit Boek 2 BW Curaçao bevatten de meest belangrijke en kenmerkende bepalingen ten aanzien van een Curaçaose nv.

Op basis van de aard van een Curaçaose nv wordt vergelijking gezocht binnen de Nederlandse BW-rechtsvormen. Vanwege de hiervoor omschreven aard en reeds genoemde kenmerken van een Curaçaose nv zal hieronder, op basis van de inrichting van de Curaçaose nv, worden beoordeeld of sprake is van vergelijkbaarheid met de Nederlandse nv of bv. De vergelijking wordt gemaakt aan de hand van de wezenlijke kenmerken van de Nederlandse nv en de bv zoals die zijn opgenomen in artikel 3 van het Besluit VBR.

  1. De vennootschap heeft op grond van de civiele wet- en regelgeving een in aandelen verdeeld kapitaal
    • Een Curaçaose nv is een rechtspersoon met een of meer op naam of aan toonder gestelde aandelen.  (zie artikel 100 en artikel 104 van Boek 2 BW Curaçao).
  2. De vennootschap bezit rechtspersoonlijkheid
    • De Curaçaose nv bezit rechtspersoonlijkheid en kan dus de juridische eigendom hebben van vermogensbestanddelen (zie artikel 100 in combinatie met artikel 3 Boek 2 BW Curaçao).
  3. De vennootschap wordt door een of meerdere personen opgericht
    • Uit artikel 100, lid 2, Boek 2 BW Curaçao volgt dat een Curaçaose nv door een of meerdere personen bij notariële akte wordt opgericht.
  4. De aandeelhouders van de vennootschap zijn op grond van de civiele wet- en regelgeving niet persoonlijk aansprakelijk voor hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht en zijn niet gehouden boven het bedrag dat op hun aandelen in de vennootschap behoort te zijn gestort in de verliezen van de vennootschap bij te dragen
    • De aandeelhouders van een Curaçaose nv zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap (zie artikel 1 en artikel 3 Boek 2 BW Curaçao).
  5. De vennootschap kan winstuitkeringen doen aan de aandeelhouders
    • Uit artikel 118 Boek 2 BW Curaçao volgt dat een Curaçaose nv winstuitkeringen kan doen aan haar aandeelhouders.
  6. Alle aandeelhouders hebben in beginsel stemrecht
    • Ieder aandeel in een Curaçaose nv geeft in beginsel recht op één stem (zie artikel 100 en artikel 132 Boek 2 BW Curaçao).
  7. De vennootschap heeft een bestuur dat de vennootschap vertegenwoordigt
    • Ingevolge artikel 8 en artikel 136 Boek 2 BW Curaçao heeft een Curaçaose nv een bestuur dat de vennootschap vertegenwoordigt.
  8. De vennootschap heeft statuten
    • De Curaçaose nv wordt volgens artikel 100 Boek 2 BW Curaçao opgericht bij notariële akte. Deze akte bevat op grond van artikel 4 Boek 2 BW Curaçao de statuten. Artikel 102 Boek 2 BW Curaçao geeft een opsomming van bepalingen die in de statuten opgenomen moeten zijn.
  9. De vennootschap kan aan een handelsplatform genoteerd zijn
    • Een Curaçaose nv kan aandelen uitgeven die beursgenoteerd zijn (zie artikel 104, derde lid, Boek 2 BW Curaçao).
  10. De aandelen zijn vrij overdraagbaar
    • Op grond van artikel 110 Boek 2 BW Curaçao zijn de aandelen in een Curaçaose nv overdraagbaar. De overdraagbaarheid kan eventueel op grond van artikel 111 Boek 2 BW Curaçao statutair worden beperkt of worden uitgesloten.

Op basis van vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de inrichting van de Curaçaose nv vergelijkbaar is met die van de Nederlandse nv of bv. De kenmerken van de Curaçaose nv komen (nagenoeg) overeen met de wezenlijke kenmerken van de Nederlandse nv en bv, zoals opgenomen in het Besluit VBR. Om die reden kan bovendien geen sprake zijn van vergelijkbaarheid met enige andere Nederlandse rechtsvorm.

Conclusie

De Curaçaose nv is, voor de toepassing van de Wet Vpb 1969, de Wet IB 2001, de Wet DB 1965 en de Wet BB 2021, vergelijkbaar met de nv of bv naar Nederlands recht. Zij is niet vergelijkbaar met een andere Nederlandse rechtsvorm.


July 29, 2026

GEBRUIKELIJK LOON OP CURAÇAO: MOET DE DGA ZICHZELF ALTIJD CG 50.000 BETALEN?

 GEBRUIKELIJK LOON OP CURAÇAO: MOET DE DGA ZICHZELF ALTIJD CG 50.000 BETALEN?

Een directeur-grootaandeelhouder heeft een wat merkwaardige fiscale positie. Hij is aandeelhouder van de vennootschap, maar verricht doorgaans ook werkzaamheden voor diezelfde vennootschap. Daarmee kan hij in zekere zin zelf bepalen hoeveel salaris hij ontvangt.

Dat bood vroeger een eenvoudige mogelijkheid tot belastingplanning. De directeur betaalde zichzelf weinig of geen loon en liet de winst in de vennootschap zitten of keerde deze later uit als dividend. Omdat loon en dividend fiscaal verschillend worden behandeld, kon dat een aanzienlijk voordeel opleveren.

Om dat tegen te gaan, werd op Curaçao met ingang van 2015 de gebruikelijkloonregeling ingevoerd. De regeling is opgenomen in artikel 6D van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976.

De hoofdregel

De regeling is van toepassing op iemand die werkzaamheden verricht voor een lichaam waarin hij direct of indirect een kwalificerend belang heeft. Voor de meeste directeur-grootaandeelhouders betekent dit dat zij niet vrij zijn om willekeurig een zeer laag salaris vast te stellen.

Als uitgangspunt wordt het gebruikelijk loon bepaald op:

  • 50 procent van de omzet van de vennootschap, indien de omzet niet meer bedraagt dan Cg 100.000; of
  • Cg 50.000, indien de omzet meer bedraagt dan Cg 100.000.

Een vennootschap met een omzet van Cg 80.000 komt dus in beginsel uit op een gebruikelijk loon van Cg 40.000. Bij een omzet van Cg 200.000 bedraagt het uitgangspunt Cg 50.000.

Het bedrag van Cg 50.000 is een brutobedrag. Ook loon in natura, zoals de fiscale bijtelling wegens het privégebruik van een door de vennootschap ter beschikking gestelde auto, kan onderdeel vormen van het fiscale loon.

Sinds 1 augustus 2025 geldt de regeling ruimer

Per 1 augustus 2025 is het bereik van de gebruikelijkloonregeling uitgebreid. De regeling kan sindsdien ook toepassing vinden bij een direct of indirect belang van 5 procent of meer in bepaalde lichamen waarvoor voordien een uitzondering gold.

Het gaat onder meer om een Curaçaose Beleggingsvennootschap, een doelvermogen, bepaalde verzekerings-, scheepvaart- en luchtvaartlichamen, e-zonevennootschappen, buitengaatse vennootschappen met een deviezenontheffing en transparante vennootschappen.

Ook in het buitenland wonende bestuurders en commissarissen met een belang van 5 procent of meer kunnen sinds 1 augustus 2025 met de Curaçaose gebruikelijkloonregeling worden geconfronteerd.

Deze uitbreiding verdient aandacht. Iemand kan immers in het buitenland wonen, slechts beperkt bemoeienis hebben met een Curaçaose vennootschap en toch met een Curaçaose looncorrectie worden geconfronteerd.

Werken voor verschillende eigen vennootschappen

Wie werkzaamheden verricht voor verschillende vennootschappen waarin hij een kwalificerend belang heeft, hoeft niet voor iedere vennootschap afzonderlijk een loon van Cg 50.000 op te nemen.

De omzetten van de betrokken lichamen worden in beginsel gezamenlijk beschouwd. Het aldus berekende gebruikelijk loon geldt vervolgens voor de werkzaamheden voor die lichamen gezamenlijk.

Dat voorkomt dat iemand met bijvoorbeeld drie eigen vennootschappen automatisch driemaal Cg 50.000 salaris zou moeten aangeven. Het betekent wel dat de totale omzet van de vennootschappen voor de berekening van belang kan zijn.

Kan het gebruikelijk loon lager zijn?

Jazeker. De naam zegt het eigenlijk al: het gaat om het loon dat voor de werkzaamheden gebruikelijk is.

Als aannemelijk kan worden gemaakt dat iemand zonder aandelenbelang voor soortgelijke werkzaamheden een lager loon zou ontvangen, kan het gebruikelijk loon op dat lagere bedrag worden gesteld. Ook wanneer de meestverdienende werknemer van de vennootschap een hoger salaris ontvangt dan de directeur, kan onder omstandigheden worden aangetoond dat de functie en verantwoordelijkheden van die werknemer niet met die van de directeur vergelijkbaar zijn.

Maar daar zit onmiddellijk het probleem. Degene die een lager loon verdedigt, moet dat lagere loon aannemelijk maken.

Een algemene opmerking dat de directeur slechts enkele uren per week werkt, met pensioen is of daarnaast nog andere werkzaamheden verricht, zal meestal niet voldoende zijn. Er moet een concreet en controleerbaar beeld worden gegeven van:

  • de aard van de werkzaamheden;
  • het aantal gewerkte uren;
  • de verantwoordelijkheden;
  • de omzet en activiteiten van de vennootschap;
  • het loon voor een werkelijk vergelijkbare functie;
  • de financiële positie van de vennootschap; en
  • de beloning van andere werknemers.

Een agenda, urenadministratie, functiebeschrijving, arbeidsovereenkomst, managementovereenkomst en informatie over vergelijkbare salarissen kunnen daarom belangrijk bewijs vormen.

Parttime werken is geen automatische korting

Er wordt nogal eens gedacht dat iemand die twee dagen per week voor zijn vennootschap werkt automatisch twee vijfde van Cg 50.000 als gebruikelijk loon kan aangeven. Zo eenvoudig ligt het niet.

Ook in de Nederlandse rechtspraak wordt streng geoordeeld over een dergelijke automatische tijdsevenredige vermindering. Het normbedrag wordt daar niet zonder meer naar rato van het aantal gewerkte maanden of uren verminderd. De aard, omvang en waarde van de werkelijk verrichte werkzaamheden moeten een lager loon rechtvaardigen.

Die Nederlandse rechtspraak is niet rechtstreeks beslissend voor Curaçao. De Curaçaose regeling heeft immers een eigen tekst en systematiek. Zij vormt wel een waarschuwing: alleen het woord “parttime” op papier zetten is onvoldoende. Een lagere beloning moet inhoudelijk en met bewijs worden onderbouwd.

Startende vennootschappen

Voor startende vennootschappen bevat de Curaçaose regeling een bijzondere tegemoetkoming.

In het jaar van oprichting en de drie daaropvolgende kalenderjaren kan het gebruikelijk loon, op verzoek, worden gesteld op de commerciële winst van de vennootschap als deze lager is dan het normale gebruikelijk loon. Het loon kan daarbij niet lager worden dan nihil.

Deze regeling voorkomt dat een pas opgerichte vennootschap zonder voldoende winst direct een salaris van Cg 50.000 moet financieren.

Het woord “verzoek” is echter belangrijk. Men moet niet stilzwijgend een laag loon aangeven en pas tijdens een boekenonderzoek uitleggen dat de onderneming nog in de opstartfase verkeerde. Het is verstandig de toepassing van de startersregeling tijdig en schriftelijk aan de Inspecteur voor te leggen.

Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft in 2022 overigens bevestigd dat een beroep op deze regeling ook uit de door de belastingplichtige aangevoerde feiten en omstandigheden kan blijken. Toch blijft vooraf duidelijkheid vragen de veiligste weg.

Wat als de vennootschap verlies lijdt?

Een verlies betekent niet automatisch dat geen gebruikelijk loon behoeft te worden aangegeven.

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen een incidenteel verlies en een structurele verliessituatie die de continuïteit van de onderneming werkelijk bedreigt. In de Curaçaose rechtspraak is een beroep op een lager loon afgewezen toen niet aannemelijk was gemaakt dat de vennootschap zich in een structurele verliessituatie bevond.

Ook hier is bewijs dus essentieel. Alleen een verlies in de aangifte winstbelasting is meestal niet genoeg. Jaarrekeningen, liquiditeitsprognoses, bankstanden, schulden, betalingsachterstanden en toekomstverwachtingen kunnen nodig zijn om aannemelijk te maken dat betaling van het normale loon zakelijk niet verantwoord is.

De kleine-omzetuitzondering

De gebruikelijkloonregeling blijft buiten toepassing als het volgens de omzetmaatstaf berekende loon in een kalenderjaar niet hoger is dan Cg 12.500.

Omdat die maatstaf in beginsel 50 procent van de omzet bedraagt, kan deze uitzondering onder meer van belang zijn wanneer de jaaromzet niet meer bedraagt dan Cg 25.000.

Let wel: bij werkzaamheden voor verschillende eigen vennootschappen moet naar de gezamenlijke omzet worden gekeken. Het is dus niet mogelijk de uitzondering kunstmatig per vennootschap toe te passen.

Geen salaris uitbetalen lost het probleem niet op

Sommige directeuren denken dat geen probleem ontstaat zolang de vennootschap feitelijk geen salaris uitbetaalt. Dat is een misverstand.

Als artikel 6D tot een hoger loon leidt dan het werkelijk uitbetaalde loon, wordt het verschil fiscaal als genoten loon aangemerkt. Over dat fictieve loon kan loonbelasting worden nageheven. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen daarnaast premies, rente en boetes aan de orde komen.

De vennootschap kan dus loonbelasting verschuldigd worden over geld dat zij feitelijk niet aan de directeur heeft betaald. Dat maakt de gebruikelijkloonregeling in de praktijk soms bijzonder onaangenaam.

Onze insteek:

Controleer de gebruikelijkloonpositie niet pas wanneer de Inspecteur een boekenonderzoek aankondigt.

Wie een lager loon dan Cg 50.000 wil hanteren, doet er verstandig aan ieder jaar een dossier op te bouwen. Leg vast welke werkzaamheden zijn verricht, hoeveel tijd daarmee was gemoeid, welk salaris voor een vergelijkbare functie gebruikelijk is en waarom de financiële positie van de vennootschap eventueel een lager loon rechtvaardigt.

Vraag bij twijfel vooraf een voor bezwaar vatbare beschikking of leg het standpunt ten minste schriftelijk aan de Inspecteur voor.

De gebruikelijkloonregeling is namelijk geen onwrikbare verplichting om altijd Cg 50.000 te betalen. Maar wie daarvan wil afwijken, moet wel met een beter verhaal komen dan: “De vennootschap kon het niet betalen” of “Ik werkte maar een paar uur per week.”



In belastingzaken is een goed verhaal belangrijk. Een goed onderbouwd verhaal is nog veel belangrijker.

July 10, 2026

PARTTIME CFO door John van de Pol


PARTTIME CFO door John van de Pol

Financiële topkwaliteit. Alleen wanneer u die nodig heeft.

Is een fulltime CFO voor uw onderneming een stap te ver?

Veel ondernemingen groeien sneller dan hun financiële organisatie. Er ontstaat behoefte aan meer grip op de cijfers, betere managementinformatie, een sterkere financiële structuur en een ervaren sparringpartner voor de directie. Toch is een fulltime CFO voor veel kleine en middelgrote ondernemingen niet noodzakelijk of financieel niet aantrekkelijk.

De oplossing: een Parttime CFO.

Met een Parttime CFO beschikt uw onderneming over dezelfde strategische kennis, ervaring en financiële expertise als een fulltime CFO, maar tegen een fractie van de kosten. Afhankelijk van uw behoefte kan dit variëren van één of twee dagen per week tot enkele dagen per maand.


Wat kan ik voor uw onderneming betekenen?

Verbeteren van winstgevendheid en rendement

Optimaliseren van liquiditeit en cashflow

Professionaliseren van de financiële organisatie

Managementrapportages en KPI-dashboards

Budgetten, forecasting en financiële planning

Financieringen en gesprekken met banken en investeerders

Governance, compliance en risicobeheersing

Strategisch financieel advies aan directie en aandeelhouders


Ruim zeven jaar ervaring in het Caribisch gebied

Sinds 2018 ben ik werkzaam als interim CFO en financieel bestuurder in het Caribisch gebied. Gedurende deze periode heb ik organisaties geholpen hun financiële prestaties, interne organisatie en bedrijfsstructuur aanzienlijk te verbeteren.

Opdrachtgevers onder andere:

• St. Maarten Medical Center (SMMC)

• Van den Tweel Curaçao

• Caribbean Tuna / Salty Seafood

• Damen Shiprepair Curaçao

Mijn kracht ligt in het snel analyseren van organisaties, het creëren van financiële rust en het realiseren van duurzame verbeteringen.


Waarom kiezen voor een Parttime CFO?

✓ Topniveau financiële expertise

✓ Flexibel inzetbaar

✓ Lagere kosten dan een fulltime CFO

✓ Direct toepasbare praktijkervaring

✓ Onafhankelijke sparringpartner voor directie en aandeelhouders


Klaar voor de volgende stap?

Wilt u meer grip op uw onderneming, betere financiële prestaties en een professionele financiële organisatie zonder de kosten van een fulltime CFO?

Laten we vrijblijvend kennismaken.

John van de Pol

Parttime CFO | Interim CFO | Strategisch Financieel Adviseur

📞 Telefoon / WhatsApp
+5999 567 6791

✉️ E-mail
johnvandepol@me.com

"Financiële rust, strategisch inzicht en meetbare resultaten."

 


June 26, 2026

VETERANENDAG 27 juni 2026

 Zo-even zag ik voorbij komen dat morgen in Nederland veteranendag wordt gevierd. Veteranen zijn mensen werkzaam bij defensie die actie hebben gezien. Dat zijn dus mensen die in beginsel dingen hebben ervaren die wij in de burgermaatschappij nooit hebben meegemaakt en ook niet willen meemaken. Je praat over mariniers die, voor observatie, wekenlang aan een bergwand in voormalig Joegoslavie hebben gehangen. Mensen die actie hebben gezien in Afghanistan en ga maar door.


Velen daarvan hebben van Curacao hun thuis gemaakt. En velen daarvan zijn heel slecht voorgelicht door defensie over hun fiscale positie op Curacao. De algemene opmerking was: "Alle heffing is toegewezen aan Nederland". Helaas is deze sweeping statement vaak niet waar. Als men bijvoorbeeld ging werken op Curacao of een tweede huis ging verhuren viel op deze sweeping statement een boel te nuanceren. Ik zal nooit vergeten dat ik ooit een gepensioneerde marinier huilend tegenover mij had vanwege zijn Curacaose fiscale problemen.

Wij hebben toen maar besloten om voor deze helden een veteranentarief te introduceren. Dat kost ons geld maar vergeleken wat deze mannen en vrouwen voor hebben betekend is het de moeite waard of in goed papiamento "bale pena".

TOKAJ!

Ben een verhaal aan het lezen over verliesverrekening en wat mogelijke fiscale strubbelingen daaromheen. In de zoektochten kwam ik een annotatie tegen van Advocaat-Generaal Peter Wattel. De heer Wattel in zijn functie adviseert de Hoge Raad bij het doen van uitspraken. Onze Curacaose stagiaire stond mee te lezen. Ik zie tegen haar dat de heer Wattel mijn tokaj is. Zij kende dat woord niet. Mijn Curacaose echtgenote evenmin en de Curacaose secretaresse van een van onze kantoorgenoten evenmin. Als ik procedeer in belastingzaken zit ook vaak tegenover een rechter die een tokaj van mij is. Ik weet vrij zeker dat deze laatste tokaj aan een bekende Hongaarse dessertwijn denkt als hij dit woord voorbij ziet komen.


Tokaj betekent naamgenoot in het papiamento. Het moet wel een tamelijk oud woord zijn als ik het -niet geboren op Curacao- het ken en (jongere) Curacaoenaars blijkbaar niet.

Enfin, goed weekend voor alle lezers.