Showing posts with label pensioen. Show all posts
Showing posts with label pensioen. Show all posts

July 07, 2014

Hoe ziet ons kantoor er uit lV

Uiteindelijk draait het bij een kantoor uiteraard om de mensen. Dit is Mamie Kleinmoedig die al sinds 2007 deel uitmaakt van ons team.



offshore versus onshore

Het was naar ik meen in 1937 dat notaris Smeets voet aan wal zette op Curaçao. Een aankomst die grote positieve gevolgen voor ons eiland met zich heeft gebracht. Toen namelijk enige jaren later WO ll uitbrak dreigden de bezittingen van grote Nederlandse bedrijven als gevolg van de bezetting door de Duitsers als vijandelijk vermogen te worden aanmerkt. Smeets heeft toen bedacht om de formele zetel van deze bedrijven naar Curaçao te verplaatsen. Curaçao is in WO ll nooit bezet geweest (althans niet door de Duitsers) waardoor deze bedrijven een hoop ellende bespaard bleef.
Later bedacht men de fiscale component hiervan. Vennootschappen die zich hier vestigden maar zaken buiten Curaçao deden (vandaar offshore) kregen toegang tot een tarief dat 1/0 bedroeg van het toen geldende tarief van 24 - 30 procent. Toen later de tarieven van de winstbelasting stegen werd telkens via zogenaamde garantieverordeningen het oorspronkelijke 1/10 tarief gehandhaafd; 2,4 - 3%.
Bij invoering van het zogenaamde Nieuw Fiscaal Raamwerk werd de offshore faciliteit in beginsel afgeschaft ware het niet dat er nog een garantieverordening bestond met een werking tot in 2019. In hetzelfde jaar loopt overigens ook het huurcontract met de raffinaderij af dus dat gaat een uitdagend jaar worden voor Curaçao.
Mijn eerste werkzame jaar op Curaçao was begon in 1995 en die heb ik grotendeels doorgebracht met het maken van aangiften voor offshore-vennootschappen en het aanvragen van rulings ten behoeve van deze vennootschappen. Mijn leermeester was mr. T.F.J. (Theo) de Man die nu deel uitmaakt van onze Raad van Advies. Een college van staat dat adviezen geeft op het gebied van wetgeving; zeg maar de Raad van State van Curaçao.

Jongere fiscalisten lijken soms nog maar nauwelijks bekend met de offshore. Momenteel ben ik betrokken bij een discussie tussen een offshore-vennootschap en de Stichting Belastingaccountantsbureau. Dit bureau doet de controles ten behoeve van de fiscus. Cliënte is de offshore-vennootschap en het Belastingaccountantsbureau heeft de stelling betrokken dat in casu geen sprake is van offshore-activiteiten. Aangezien de jaarlijkse winsten van cliënte bepaald fors zijn, zijn de belangen groot. Zoals gezegd bedraagt het formele tarief voor de winstbelasting van een offshore vennootschap 2,4-3% (2,4% over de eerste ton guldens en 3 procent over de rest) maar het materiële tarief, door wat vrijstellingen, bedraagt door de bank genomen, 1 procent.

Een en ander gaat aan de fiscale rechters voorgelegd worden. Het beroepschrift is opgesteld en ingediend. ik houd u op de hoogte.

November 27, 2013

EEN GOED VERZORGDE OUDE DAG



Memorandum inzake Beschikking Pensioen



Bij Ministeriele Beschikking met algemene werking van 29 juli 2000 (Pb 2000, No 76 is de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 ingrijpend gewijzigd. Vervolgens hebben deze wijzigingen bij Landsverordening van 3 augustus 2001 (Pb, 94) kracht van wet gekregen. Ook zijn door de wetgever in de Landsverordening op de loonbelasting 1976 wijzigingen aangebracht. Onder meer zijn de artikelen 6A en 6B ingevoegd welke een kader scheppen voor een wettelijke regeling omtrent pensioenen. Dit kader is bij Publicatieblad No 35, 2002 (Beschikking pensioenen) nader ingevuld. Onderstaand wordt op deze regeling nader ingegaan.

Artikel 6A geeft een definitie van een pensioenregeling welke er op neer komt dat een dergelijke regeling ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit of ouderdom alsmede van hun nagelaten betrekkingen. Verder mag een pensioenregelingen niet uitgaan boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk wordt geacht. Tevens dient het lichaam dat als pensioenverzekeraar optreedt de pensioenverplichting tot haar binnenlandse ondernemingsvermogen rekenen.

Lid 2 van artikel 6A geeft dan aan de Minister van Financien de bevoegdheid om nadere regels te geven omtrent het hierboven genoemde en om onder voorwaarden een afwijkende regeling toch als een pensioenregeling in de zin van artikel 6A aan te wijzen.

Artikel 6B bepaalt welke gebeurtenissen aanleiding geven om de pensioenaanspraak aan te merken als loon. Dit doet zich voor bij afkoop en vervreemding en ingeval de regeling voorwerp van zekerheid wordt; de verzekeraar ophoudt binnen de Nederlandse Antillen te zijn gevestigd dan wel het pensioenvermogen niet langer (geheel of gedeeltelijk) tot het binnenlands pensioenvermogen rekent; aan aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt prijsgegegeven.

Afkoop wordt niet getroffen door het hierboven bepaalde indien de pensioenverplichting geheel of gedeeltelijk overgaat naar een binnen de Curacao gevestigde pensioenverzekeraar die de verplichting tot zijn binnenlands ondernemingsvermogen rekent. Onder voorwaarden kan de Minister van Financien dit ook van toepassing verklaren, zo bepaalt lid 3 van artikel 6B, op pensioenverplichtingen welke geheel of gedeeltelijk overgaan op een in Nederland, Aruba dan wel een verdragsland gevestigde verzekeraar.

De Beschikking pensioenen (hierna: “de Beschikking”) geeft nadere invulling aan 6A lid 2 en 6B lid van de Landsverordening op de loonbelasting 1976 (hierna: “LLB”).

De Beschikking is opgebouwd uit 16 artikelen. Artikel 1 geeft aan wie als verzekeraar wordt beschouwd. Op grond van lid 1 letter d van dit artikel kan worden geconcludeerd dat in ieder geval de opbouw in eigen beheer nog steeds mogelijk is. Expliciet is uitgezonderd dat een Stichting Particulier Fonds als verzekeraar van een pensioen kan fungeren.

Artikel 2 geeft aan wat onder een maatschappelijk aanvaardbaar pensioen dient te worden beschouwd. De navolgende criteria zijn van belang:

v  Het pensioen bedraagt maximaal 70 procent van het pensioengevend loon en wordt met een percentage van maximaal 2 per jaar opgebouwd. Er wordt een rekenrente in aanmerking genomen van tenminste 4 procent.

v  De pensioenrichtleeftijd van een ouderdomspensioen is 60 jaar en het pensioen gaat niet eerder in dan op de 55-jarige leeftijd en iet later dan op 65-jarige leeftijd.

v  Gaat het ouderdomspensioen eerder in dan bij de 60-jarige leeftijd dan wordt het pro rata herrekend met inachtneming van actuariele grondslagen.

v  Het ouderdomspensioen kan niet uitgaan boven 70 procent van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang.

v  Het weduwe-of-weduwenpensioen alsmede het wezenpensioen zijn gemaximeerd tot respectievelijk 70 en 14 procent van het ouderdomspensioen en mogen tezamen meer bedragen dan het voordien genoten pensioengevend loon

v  Een invaliditeitspensioen bedraagt maximaal 80 procent van het pensioengevend loon

v  De pensioenuitkeringen mogen in hoogte varieren ten opzichte van elkaar. De mate van variatie moet echter worden vastgesteld en verder geldt dat de laagste uitkering niet lager mag zijn dan 75% van de hoogste uikering.

v  Verder is een partnerpensioen toegestaan. Wordt er verder fiscaal enkel rekening gekeken of men gehuwd of ongehuwd is; de beschikking houdt rekening met degenen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren.

Het pensioengevend loon omvat maximaal alle structurele vaste loonbestanddelen. Expliciet is bepaald dat loon in natura eveneens hiertoe gerekend kan worden waardoor bijvoorbeeld de auto van de zaak voor 15% van de cataloguswaarde tot het pensioengevend loon kan behoren. Loonstijgingen welke zich voordoen gedurende 5 jaren voorafgaand aan de pensioendatum mogen slechts in aanmerking worden genomen tot maximaal 2% boven de gemiddelde loonindex. Dit ligt anders indien sprake is van een normale leeftijdsperiodiek of een gangbare functiewijziging. Daartegenover staat dan weer dan met een loonsverlaging wegens demotie of het aanvaarden van een deeltijdfunctie buiten aanmerking kan blijven indien deze zich voordoet binnen 10 jaren voorafgaand aan de ingangsdatum van het pensioen.

De waardering van de pensioenverplichtingen vindt plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariele grondslagen. De te hanteren rekenrente bedraagt mininmaal 4%. Het pensioenlichaam mag echter een algemene reserve van 10% van de wiskundige reserve aanhouden. Een interessante aspect van deze waarderingsregels is de volgende. De Beschikking is een uitvoeringsregeling van de artikelen 6A, tweede lid ne 6B derde lid van de Landsverordening op de loonbelasting 1976. De waardering van pensioenen regardeert de loonbelasting echter niet. Hetgeen de vraag oproept of de Minister van Financien met deze beschikking op dit punt dan ook niet te ver gaat. Volgens mij moet deze vraag bevestigend worden beantwoord en is de Beschikking op dit dan ook onverbindend. Indien de Minister waarderingsregels voor pensioenen wil invoeren zal dat moeten door daarvoor de Landsverordening op de winstbelasting 1940 te wijzigen. Indien deze bijvoorbeeld een kader hiervoor zouden scheppen zouden met een eenvoudige wijziging van de Beschikking –door een verwijzing naar het desbetreffende artikel in de Landsverordening op de winstbelasting 1940- de waarderingsregels voor pensioenopbouw in mijn optiek niet langer onverbindend zijn. De beschikking gaat echter nog verder. In artikel 12 stelt zij dat de waardering van pensioenverplichtingen welke worden opgebouwd door lichamen vallende onder artikel 2 lid 44 van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, onder bovengenoemde waarderingsregels vallen. Hier draait de Minister de zaken echt om. Het kan nooit zo zijn dat een Uitvoeringsregeling van de loonbelasting invulling geeft aan de winstbelasting zonder de in de desbetreffende landsverordening daarvoor ruimte wordt geboden. De Beschikking is immers van lagere orde dan de Landsverordening op de winstbelasting 1940. De Minister schendt in casu dus tweemaal een beginsel. Als eerste door in de beschikking zaken op te nemen welke deze niet mag regelen nu hier enkel invulling mag worden gegeven aan zaken welke de loonbelasting betreffen en als tweede door deze regeling van lagere orde aan te wenden om aan een landsverordening (van hogere orde dus) invulling te geven terwijl daarvoor de basis ontbreekt. Artikel 12 van de Beschikking is mijn visie derhalve eveneens onverbindend.

Artikel 13 bepaalt dan nog dat op 31 december bestaande pensioenaanspraken van een directeur –grootaandeelhouder en andere belastingplichtigen zonder gevolgen voor de belastingheffing tot en met 31 december 2001 respectievelijk 31 juni 2002 in overeenstemming kunnen worden gebracht met artikel 6A van de Landsverordening op de loonbelasting 1976 en de daarop gebaseerde regelgeving. Tot dan mogen er geen dotaties aan het pensioenlichaam en aftrek op het inkomen plaatsvinden. Ook deze bepaling is wederom grotendeels zinledig omdat deze met name kijkt naar pensioenopbouw welke de winstbelasting betreft en niet de loonbelasting. Waar in de Beschikking melding wordt gemaakt van belastingheffing kan dit immers enkel terugslaan op de heffing van loonbelasting omdat de Beschikking niet verder mag gaan dan omtrent nadere invulling te geven.


www.mullertax.com