September 21, 2026

Je bankrekening uitlenen aan een fraudeur: zelf geen oplichter, toch veroordeeld

Witwassen is een strafrechtelijk -althans voor mij- fascinerend onderwerp. Waarom? Het komt enorm vaak voor. Daders beseffen vaak niet wat zij aan het doen zijn en anderzins is het witwasdelict voor het Openbaar Ministerie vaak makkelijk te bewijzen. Een opmerkelijke uitspraak van de Rechtbank Gelderland laat goed zien dat er strafrechtelijk een groot verschil kan bestaan tussen het plegen van fraude en het beschikbaar stellen van de middelen waarmee die fraude wordt uitgevoerd. Een man werd ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij fraude via twee webwinkels. Klanten bestelden en betaalden onder meer barbecues en gereedschap, maar kregen hun goederen niet geleverd. Het geld kwam uiteindelijk terecht op bankrekeningen die op naam van de verdachte stonden. Dat lijkt op het eerste gezicht tamelijk belastend. Toch werd de verdachte vrijgesproken van de internetfraude. Tegelijkertijd werd hij wél veroordeeld voor het medeplegen van witwassen. Hoe kan dat? De fraude was duidelijk, maar wie pleegde haar? In april en mei 2023 deden tientallen personen aankopen bij twee webwinkels. Zij betaalden voor hun producten, maar kregen niets geleverd. In totaal ging het om een bedrag van € 8.812,31. Dat sprake was van fraude stond voor de rechtbank nauwelijks ter discussie. Ook kon een duidelijk verband worden gelegd met de verdachte. Een onderneming stond op zijn naam, bankrekeningen stonden op zijn naam en via betaaldiensten kwamen de opbrengsten van de webwinkels uiteindelijk op zijn rekeningen terecht. Maar dat is nog niet hetzelfde als bewijzen dat hij degene was die de fraude daadwerkelijk pleegde. De rechtbank onderzocht onder meer de telefoon van de verdachte. Daaruit kwamen geen concrete handelingen naar voren waaruit bleek dat hij zelf de producten online had aangeboden, klanten had benaderd of op andere wijze de frauduleuze verkopen had uitgevoerd. De verdachte verklaarde bovendien dat hij zijn identiteitsgegevens, DigiD en bankgegevens aan een ander had gegeven om een onderneming op te richten waarmee hij snel geld zou kunnen verdienen. De rechtbank achtte onvoldoende bewezen dat hij zelf de fraude had uitgevoerd. En daar deed zich een interessant strafprocesrechtelijk punt voor. De tenlastelegging bepaalt de speelruimte van de rechter Uit het dossier leek volgens de rechtbank wel degelijk enige betrokkenheid van de verdachte te volgen. Maar bij de fraude was hem uitsluitend verweten dat hij die zelf had gepleegd. Medeplegen of medeplichtigheid was voor dit feit niet ten laste gelegd. Dat is essentieel. Een strafrechter kan niet eenvoudig zeggen: wij kunnen niet bewijzen dat u de fraude zelf hebt gepleegd, maar wij vinden wel dat u de dader hebt geholpen en daarom veroordelen wij u voor medeplichtigheid. De tenlastelegging bepaalt in belangrijke mate waarover de strafrechter moet oordelen. Omdat onvoldoende bewezen kon worden dat de verdachte zelf de frauduleuze verkopen had uitgevoerd en een deelnemingsvorm niet was ten laste gelegd, volgde vrijspraak voor de fraude. Dat betekende echter niet dat de verdachte daarmee van alle strafrechtelijke aansprakelijkheid was verlost. De bankrekeningen waren zijn probleem Voor het tweede feit, witwassen, lag dat anders.
De € 8.812,31 die afkomstig was van de frauduleuze webwinkels was op rekeningen terechtgekomen die op naam van de verdachte stonden. De verdachte stelde dat hij die rekeningen feitelijk niet beheerde. Hij had de inloggegevens aan een ander gegeven. De rechtbank accepteerde dat argument niet. Als rekeninghouder had hij in beginsel zeggenschap over de rekening. Hij kon bijvoorbeeld de rekening laten blokkeren of beëindigen. Het enkele feit dat iemand zijn inloggegevens aan een ander geeft, betekent volgens de rechtbank niet dat hij daardoor geen feitelijke zeggenschap meer heeft over het saldo. Daarmee had de verdachte de bedragen in strafrechtelijke zin voorhanden gehad. Maar voor witwassen is uiteraard meer nodig. De verdachte moet ook wetenschap hebben gehad van de criminele herkomst van het geld, waarbij onder omstandigheden ook voorwaardelijk opzet voldoende kan zijn. En juist daar brak de verdachte zijn eigen verdediging op. Snel geld verdienen zonder vragen te stellen De verdachte had verklaard dat hem was voorgehouden dat hij snel en gemakkelijk geld kon verdienen. Hij had bedrijven op zijn naam gezet, bankrekeningen geopend en zijn DigiD, bankgegevens, identiteitsgegevens en zelfs een foto van zichzelf ter beschikking gesteld. Daarvoor had hij naar eigen zeggen tussen € 3.000 en € 4.000 ontvangen. Verder had hij verklaard dat hij er niet werkelijk over had nagedacht of de constructie legaal of illegaal was. Bij bepaalde betalingen was zelfs bij hem opgekomen dat het mogelijk geen “zuivere koffie” was. Ook had hij op enig moment gehoord dat goederen werden verkocht zonder dat deze werden geleverd. Voor de rechtbank was dat voldoende om vast te stellen dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de bedragen op zijn rekeningen afkomstig waren uit fraude. Daar kwam bij dat zijn bijdrage bepaald niet beperkt was tot het toevallig ontvangen van geld. Hij was samen met de medeverdachte naar de Kamer van Koophandel gegaan, had ondernemingen op zijn naam laten zetten en had de gegevens beschikbaar gesteld die nodig waren om de financiële infrastructuur van de constructie te laten functioneren. Die bijdrage was volgens de rechtbank van voldoende gewicht om niet slechts van medeplichtigheid, maar van medeplegen van witwassen te spreken. Niet ieder onverklaard bedrag is witgewassen geld Ook op een ander punt is de uitspraak interessant. Het Openbaar Ministerie meende dat de verdachte niet alleen de € 8.812,31 uit de internetfraude had witgewassen, maar daarnaast nog ongeveer € 360.957. Dat bedrag zou onder meer niet in de belastingaangifte zijn aangegeven. De rechtbank zette daar terecht een belangrijke rem op. Het enkele feit dat een geldbedrag niet fiscaal is aangegeven, bewijst nog niet dat dat volledige bedrag uit een misdrijf afkomstig is. Er was onvoldoende onderzoek gedaan naar de herkomst van deze gelden. De rechtbank beperkte de bewezenverklaring daarom tot € 8.812,31. Dat onderscheid is belangrijk. Witwassen vereist uiteindelijk bewijs dat het betreffende voorwerp — in dit geval geld — onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Een groot of fiscaal niet verantwoord bedrag kan aanleiding geven tot onderzoek, maar vormt niet automatisch het bewijs van een criminele herkomst. Vrijspraak maar toch veroordeeld Het eindresultaat lijkt misschien tegenstrijdig, maar is dat juridisch niet. Voor de internetfraude was onvoldoende bewijs dat de verdachte zelf de uitvoeringshandelingen had verricht. Omdat medeplegen of medeplichtigheid bij dat feit niet was ten laste gelegd, volgde vrijspraak. Voor het witwassen lag er daarentegen voldoende bewijs dat de verdachte bewust de infrastructuur ter beschikking had gesteld waarmee de opbrengsten van de fraude konden worden ontvangen en dat hij daarbij ten minste bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat het om crimineel geld ging. De rechtbank veroordeelde hem daarom tot een taakstraf van 90 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaar. De taakstraf werd enigszins verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Ook opvallend: de slachtoffers kregen in deze strafzaak niets toegewezen Nog een opmerkelijk gevolg van de vrijspraak was dat 29 benadeelde partijen niet-ontvankelijk werden verklaard in hun vorderingen. Hun schade vloeide immers voort uit de internetfraude waarvan de verdachte was vrijgesproken. De veroordeling betrof het witwassen van de opbrengsten daarvan. Volgens de rechtbank bestond onvoldoende rechtstreeks verband tussen dat bewezenverklaarde witwassen en de schade die de kopers hadden geleden. Ook hier blijkt hoe belangrijk de exacte juridische kwalificatie van een feit kan zijn. De praktische les De belangrijkste les uit deze uitspraak is misschien wel dat iemand niet zelf achter een computer hoeft te zitten om uiteindelijk strafrechtelijk diep in de problemen te komen. Een bankrekening, DigiD, identiteitsbewijs of onderneming “even” aan iemand anders beschikbaar stellen is juridisch bepaald niet zonder risico. Vooral wanneer daar een vergoeding tegenover staat, grote geldstromen ontstaan en degene op wiens naam alles staat bewust geen vragen stelt, kan het argument “ik wist niet precies wat ze ermee deden” weinig bescherming bieden. Sterker nog: bewust wegkijken kan onder omstandigheden juist bijdragen aan het bewijs van voorwaardelijk opzet. Tegelijkertijd laat de uitspraak ook de andere kant van het strafrecht zien. Dat iemand zich verdacht gedraagt of zijn bankrekening voor dubieuze transacties beschikbaar stelt, betekent nog niet automatisch dat bewezen is dat hij ook het onderliggende misdrijf heeft gepleegd. Voor ieder strafbaar feit moet afzonderlijk worden vastgesteld wat de verdachte daadwerkelijk heeft gedaan, welke vorm van deelneming hem ten laste is gelegd en wat hij wist of bewust op de koop toe heeft genomen. Dat onderscheid lijkt technisch, maar in deze zaak maakte het precies het verschil tussen vrijspraak en veroordeling. Rechtbank Gelderland 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6701.

No comments:

Post a Comment