www.mullertax.com/ Schouwburgweg 3/ Curacao, Dutch West Indies (**) 599 9 7374916/ info@mullertax.com
September 12, 2026
AL JAREN GEEMIGREERD MAAR DE FISCUS LAAT U NIET ZO MAAR GAAN
Ons oog viel het het volgende.
Een man stelt dat hij al sinds 1992 uit Nederland is geëmigreerd. Zijn woning, gezin, sociale leven en economische activiteiten bevinden zich volgens hem in het buitenland. Ook zijn huisarts zit daar, zijn dagelijkse uitgaven worden daar gedaan en zijn telefoonabonnementen lopen daar.
Toch wil de Nederlandse Belastingdienst weten of deze man misschien nog steeds — of opnieuw — fiscaal inwoner van Nederland is.
En de fiscus gaat daar behoorlijk ver in. Lees maar verder.
De Rechtbank Den Haag besliste op 2 september 2026 in kort geding dat de man binnen vier weken een zeer omvangrijke hoeveelheid persoonlijke en financiële informatie moet verstrekken. Doet hij dat niet, dan bedraagt de dwangsom maar liefst € 50.000 per dag, met een maximum van € 5 miljoen.
Daarmee is deze uitspraak bepaald spectaculair. Maar er moet meteen iets worden verduidelijkd: de rechter heeft niet geoordeeld dat de man in Nederland woont.
De rechter heeft alleen geoordeeld dat de Belastingdienst voldoende aanleiding heeft om zijn fiscale woonplaats te onderzoeken en dat de man daarvoor informatie moet verschaffen. Dat is iets wezenlijk anders.
Uitschrijven is niet hetzelfde als emigreren
Deze procedure illustreert een belangrijk punt dat bij emigratie nogal eens wordt onderschat.
Fiscaal emigreren gebeurt niet simpelweg door u uit te schrijven uit de Nederlandse Basisregistratie Personen, een huis in het buitenland te kopen en tegen de Nederlandse Belastingdienst te zeggen: “Ik woon daar.”
Het Nederlandse Artikel 4 AWR (Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) bepaalt dat waar iemand woont, naar de omstandigheden wordt beoordeeld.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gaat het daarbij om de vraag of tussen iemand en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat. Daarbij moeten alle relevante omstandigheden worden bekeken. Er bestaat niet één beslissend criterium.
En daar zit meteen een addertje onder het gras.
Die band met Nederland hoeft volgens de Hoge Raad namelijk niet sterker te zijn dan de band met een ander land. In uitzonderlijke gevallen kan iemand naar nationaal recht dus zelfs tegelijkertijd in twee landen wonen.
Wie naar Curaçao verhuist, doet er goed aan dat te beseffen.
Wat vond de Belastingdienst verdacht?
De Belastingdienst begon in oktober 2023 met het woonplaatsonderzoek. Volgens de fiscus waren er verschillende aanknopingspunten met Nederland.
De man beschikte over Nederlands onroerend goed en Nederlandse bankrekeningen. Hij was betrokken bij Nederlandse rechtspersonen, had familie in Nederland en had de Nederlandse nationaliteit. Daarnaast meende de Belastingdienst aanwijzingen te hebben dat hij regelmatig in Nederland verbleef en daar werkzaamheden verrichtte.
Geen van deze omstandigheden bewijst op zichzelf dat iemand inwoner van Nederland is.
Een inwoner van Curaçao kan natuurlijk een Nederlandse bankrekening hebben. Hij kan onroerend goed in Nederland bezitten. Hij kan aandeelhouder of bestuurder zijn van een Nederlandse vennootschap en hij kan familie in Nederland hebben.
Maar wanneer dergelijke omstandigheden zich opstapelen, kan voor de Belastingdienst voldoende reden ontstaan om te willen weten hoe de werkelijkheid precies in elkaar zit.
En dan komt artikel 47 AWR in beeld.
De lange arm van artikel 47 AWR
Artikel 47 AWR geeft de inspecteur een zeer ruime bevoegdheid om gegevens en inlichtingen op te vragen die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Ook boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen worden verlangd.
In deze zaak gaat het bepaald niet om een paar vragen.
De man moet onder andere informatie verstrekken over Nederlandse én buitenlandse bankrekeningen, creditcards en betaalpassen, telefoonabonnementen, schulden en vorderingen, Nederlands onroerend goed, deelnemingen en andere betrokkenheid bij rechtspersonen, inkomsten uit Nederland en werkzaamheden die hij in Nederland heeft verricht.
Voor 2023 en 2024 wil de fiscus bovendien weten op welke adressen hij tijdens zijn verblijf in Nederland heeft verbleven.
Daarmee wordt duidelijk hoe een modern woonplaatsonderzoek eruit kan zien.
Bankafschriften laten zien waar iemand zijn dagelijkse boodschappen doet. Creditcardafschriften kunnen laten zien in welk land iemand zich bevindt. Telefoonrekeningen kunnen iets zeggen over verblijfspatronen. Vastgoed, werkzaamheden, bestuursfuncties en gezinsbanden vullen het beeld verder aan.
De vraag “waar woont u?” wordt daardoor steeds minder een kwestie van wat iemand zelf verklaart (of wat iemand wil) en steeds meer een kwestie van wat de beschikbare data laten zien.
Honderden pagina's waren niet genoeg
De man had bepaald niet stilgezeten. Volgens zijn advocaat waren al honderden pagina's aan informatie, juridische analyses en stukken overgelegd. Ook was een woonplaatsrapportage opgesteld.
Maar de rechter vond dat niet voldoende en dat vind ik een interessant onderdeel van de uitspraak.
Een belastingplichtige kan namelijk niet zonder meer zelf bepalen welke informatie voldoende is en vervolgens van de inspecteur verlangen dat deze op basis daarvan maar een conclusie trekt. De rechter overwoog in wezen dat een door de belastingplichtige zelf samengestelde woonplaatsanalyse niet hetzelfde is als het verstrekken van de onderliggende gegevens waarmee de Belastingdienst zelfstandig onderzoek kan verrichten.
Daar zit voor de praktijk een belangrijke les in.
Wie zijn emigratiepositie wil verdedigen, moet niet alleen een goed verhaal hebben. De onderliggende feiten moeten dat verhaal ondersteunen.
Maar de Belastingdienst gedroeg zich zelf ook niet voorbeeldig
De zaak heeft overigens een merkwaardige andere kant.
De Belastingdienst had in augustus 2024 een informatiebeschikking afgegeven. De man maakte daartegen bezwaar. Vervolgens wilde de inspecteur wachten met zijn beslissing totdat informatie van buitenlandse belastingautoriteiten was ontvangen.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant maakte daar in november 2025 korte metten mee. De inspecteur moest binnen twee weken uitspraak op bezwaar doen en kreeg zelf een dwangsom opgelegd.
De rechtbank vond dat langer wachten afbreuk deed aan de rechtsbescherming van de belastingplichtige.
Opmerkelijk genoeg was ten tijde van het kortgedingvonnis van 2 september 2026 nog steeds niet op dat bezwaar beslist. De Belastingdienst is tegen de eerdere uitspraak in hoger beroep gegaan.
We krijgen daardoor een enigszins merkwaardig beeld.
Aan de ene kant weigert de Belastingdienst tijdig te beslissen op het bezwaar van de belastingplichtige.
Aan de andere kant stapt diezelfde Belastingdienst naar de civiele rechter om de belastingplichtige onder dreiging van een dwangsom van € 50.000 per dag tot medewerking te dwingen.
Dat wringt aan alle kanten lijkt mij.
Maar het ontslaat de belastingplichtige volgens de voorzieningenrechter niet van zijn informatieverplichtingen.
En hoe zit dat wanneer iemand naar Curaçao is geëmigreerd? Of denkt te zijn geëmigreerd.
Voor inwoners van Curaçao is nog een tweede laag van belang.
Stel dat Nederland op basis van artikel 4 AWR meent dat iemand in Nederland woont, terwijl diezelfde persoon volgens de Curaçaose belastingwetgeving inwoner van Curaçao is.
Dan zijn we er nog niet.
De Belastingregeling Nederland Curaçao (is een rijkswet maar lijkt op een belastingverdrag) kent namelijk haar eigen woonplaatsregels. Wanneer een natuurlijke persoon volgens de nationale wetgeving inwoner is van beide landen, wordt voor toepassing van de BRNC eerst gekeken waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft.
Heeft hij in beide landen een duurzaam tehuis, dan wordt gekeken naar het land waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn: het middelpunt van de levensbelangen.
Biedt ook dat geen uitkomst, dan wordt gekeken naar het land waar hij gewoonlijk verblijft. Pas daarna resteert zo nodig onderling overleg tussen Nederland en Curaçao.
Dat onderscheid tussen de nationale woonplaats en de woonplaats voor toepassing van de BRNC is belangrijk.
Het enkele feit dat de Nederlandse fiscus meent dat een duurzame persoonlijke band met Nederland bestaat, betekent dus nog niet automatisch dat Nederland voor alle onder de BRNC vallende inkomsten als woonstaat kan optreden.
De echte les voor emigranten
De uitspraak is daarom vooral een waarschuwing voor mensen die denken dat emigratie na verloop van tijd een voldongen feit wordt.
Deze man zegt al in 1992 te zijn geëmigreerd. Toch onderzoekt de Belastingdienst meer dan dertig jaar later zijn fiscale woonplaats over de jaren 2018 tot en met 2024.
Fiscaal wonen is geen status die men bij vertrek voor altijd verkrijgt.
De woonplaats wordt beoordeeld op basis van de feitelijke situatie in het betreffende tijdvak. Wie na emigratie geleidelijk weer steeds meer banden met Nederland opbouwt, kan daardoor opnieuw in beeld komen bij de Nederlandse fiscus.
Dat geldt zeker voor mensen die na emigratie een woning in Nederland aanhouden, daar regelmatig verblijven, Nederlandse ondernemingen besturen, vanuit Nederland werkzaamheden verrichten of een belangrijk deel van hun persoonlijke leven daar blijven organiseren.
Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat die omstandigheden automatisch tot Nederlandse belastingplicht leiden.
Dat is precies wat in deze procedure nog níet is beslist.
De fiscus moet eerst nog bewijzen waar deze man woont
En dat is misschien wel het belangrijkste punt van deze hele zaak.
Na een procedure met 67 producties aan de zijde van de Belastingdienst, honderden pagina's van de belastingplichtige en uiteindelijk een dwangsom die kan oplopen tot € 5 miljoen, weten we nog steeds niet waar deze man voor fiscale doeleinden woont.
Dat zal later moeten worden vastgesteld.
De uitspraak van 2 september 2026 gaat uitsluitend over de vraag of hij de informatie moet verstrekken waarmee de Belastingdienst dat kan onderzoeken.
Maar één conclusie kunnen we nu al trekken.
Wie fiscaal emigreert, moet niet alleen emigreren op papier. Zijn feitelijke leven moet hetzelfde verhaal vertellen.
En tegenwoordig beschikt de fiscus over steeds meer middelen om dat verhaal te controleren.
Voor emigraties werken wij samen met mr. Van der Pol die net is geemigreerd naar Curacao.
Hij is deskundig als fiscalist maar dus ook ervaringsdeskundige.
mr. P.E. Muller
fiscaal-jurist
peter.muller@mullertax.com
Bron: Rechtbank Den Haag 2 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25140; naar aanleiding van de berichtgeving van Accountancy Vanmorgen van 3 september 2026.
Subscribe to:
Post Comments (Atom)

No comments:
Post a Comment