www.mullertax.com/ Schouwburgweg 3/ Curacao, Dutch West Indies (**) 599 9 7374916/ info@mullertax.com
September 11, 2026
De Stichting Particulier Fonds: afgescheiden vermogen of toch gewoon uw eigen vermogen?
Op 4 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een interessante uitspraak gedaan over een Curaçaose Stichting Particulier Fonds (SPF). De zaak laat opnieuw zien dat bij dit soort structuren niet de juridische vorm doorslaggevend is, maar vooral de vraag wie in werkelijkheid over het vermogen kan beschikken.
De uitspraak betreft Nederlandse belastingplichtigen die gebruikmaakten van een naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte SPF. Voor de Nederlandse inkomstenbelasting was de centrale vraag of het vermogen daadwerkelijk van de betrokken belastingplichtige was afgescheiden, of dat hij daarover feitelijk nog steeds kon beschikken alsof het zijn eigen vermogen was.
Dat onderscheid is vanuit fiscaal perspectief van groot belang
De SPF was eind 1999 opgericht. Vervolgens werden onder meer aandelen en andere vermogensbestanddelen in de stichting ondergebracht. Formeel was een professionele bestuurder aangesteld.
Op papier lijkt daarmee sprake te zijn van een afzonderlijke rechtspersoon met een eigen bestuur en een eigen vermogen.
Slechts een maand na de oprichting werd de zogenaamde oprichtersrechten aan de belanghebbenden overgedragen. Daardoor kon de belanghebbende onder meer de managementovereenkomst met de bestuurder beëindigen en bepalen aan wie het bestuur vervolgens zou worden overgedragen. Het Hof acht dat van groot belang: de belanghebbende kon daarmee een hem onwelgevallig bestuur vervangen en was daardoor feitelijk in staat het beleid van de SPF te bepalen.
Daar bleef het niet bij.
Uit de stukken bleek dat belangrijke beslissingen binnen de SPF telkens op initiatief van de belanghebbende werden genomen. Zo gaf hij aanwijzingen over de bestemming van dividenden en over leningen die door de SPF moesten worden verstrekt. Het Hof kende daarom slechts geringe betekenis toe aan het feit dat de formele bestuurder juridisch bevoegd was de besluiten te nemen.
Ook de liquidatie van de SPF speelde een belangrijke rol. De voorbereidingen daarvoor begonnen nadat de belanghebbende daarom had gevraagd. De liquidatie hield bovendien verband met het vrijmaken van middelen waarmee zijn Nederlandse belastingschuld kon worden betaald. Uiteindelijk vond één liquidatie-uitkering plaats, aan de belanghebbende zelf.
Het Hof kwam daarom tot een duidelijke conclusie:
de belanghebbende was over het vermogen van de SPF blijven beschikken alsof het zijn eigen vermogen was.
Hierdoor was de facto geen sprake van werkelijk afgezonderd vermogen.
Dat oordeel heeft een opmerkelijk fiscaal gevolg.
Artikel 2.14a Wet inkomstenbelasting 2001 bevat de Nederlandse regeling voor het zogenoemde afgezonderd particulier vermogen, het APV. Die regeling is juist geschreven voor situaties waarin particulier vermogen juridisch wordt afgezonderd, bijvoorbeeld in een trust of stichting.
Maar voordat men aan die regeling toekomt, moet er wel daadwerkelijk sprake zijn van vermogensafzondering.
De Hoge Raad had in deze procedure al geoordeeld dat wanneer een belastingplichtige over vermogen dat bij een derde — zoals een SPF — is ondergebracht, kan blijven beschikken alsof het zijn eigen vermogen is, dat vermogen überhaupt niet als afgezonderd vermogen in de zin van artikel 2.14a Wet IB 2001 kan worden beschouwd.
Dat is een belangrijk uitgangspunt.
Wie een vermogen formeel overdraagt aan een stichting, maar feitelijk de touwtjes in handen houdt, kan zich fiscaal dus niet zonder meer op het bestaan van die stichting beroepen.
De fiscale werkelijkheid kan dan luiden: het vermogen is nooit werkelijk uit uw beschikkingsmacht verdwenen; de SPF is fiscaal transparant.
De uitspraak gaat over de Nederlandse inkomstenbelasting en moet daarom niet zonder meer worden vertaald naar de Curaçaose belastingheffing. Toch is zij voor de Curaçaose praktijk interessant.
De SPF is immers een rechtsfiguur die in onze jurisdictie voorkomt en die in internationale vermogensstructuren jarenlang veelvuldig is gebruikt. Deze uitspraak laat goed zien waar het gevaar zit: een juridisch afgescheiden vermogen is niet noodzakelijkerwijs ook fiscaal een afgescheiden vermogen.
Wie een SPF opricht, maar tegelijkertijd:
het bestuur kan vervangen;
bepaalt hoe beleggingen worden gedaan;
beslist aan wie leningen worden verstrekt;
bepaalt wanneer vermogen moet worden uitgekeerd; en
uiteindelijk zelf over dat vermogen kan beschikken,
loopt het risico dat de fiscale autoriteiten en de rechter tot de conclusie komen dat van werkelijke vermogensafzondering geen sprake is.
De namen die aan bevoegdheden worden gegeven — “founder”, “protector”, “beneficiary”, “letter of wishes” of anderszins — zijn daarbij uiteindelijk minder belangrijk dan de feitelijke machtsverhoudingen.
Waarom wij terughoudend zijn met de SPF
Deze uitspraak bevestigt mede waarom ons kantoor een zeer terughoudende houding inneemt tegenover de Stichting Particulier Fonds.
Ik ben sinds 1997 betrokken bij wat nu heet het Caribisch Juristenblad. De SPF bestaat sinds 1998. Los van allerlei fiscaal gedoe kan er ook civielrechtelijk de nodige discussie ontstaan.
Dat betekent niet dat een SPF civielrechtelijk nooit een functie zou kunnen vervullen. Maar vanuit fiscaal oogpunt zien wij vooral een structuur waarvan de gevolgen sterk afhankelijk kunnen zijn van de woonplaats van de oprichter en begunstigden, de feitelijke zeggenschap, de wijze waarop het bestuur functioneert en de fiscale wetgeving van meerdere betrokken landen.
Daarmee ontstaat gemakkelijk een verschil tussen wat men denkt juridisch te hebben geregeld en hetgeen de belastingrechter uiteindelijk als economische en fiscale werkelijkheid beschouwt.
En juist dat is in deze zaak gebeurd.
Vorm volgt niet altijd werkelijkheid
Het belangrijkste dat uit ECLI:NL:GHARL:2026:5188 kan worden meegenomen, is daarom niet alleen een technisch punt over artikel 2.14a Wet IB 2001.
Het is een fundamenteler beginsel.
Een stichting kan bestaan. Er kunnen statuten zijn. Er kan een professionele bestuurder zijn. Het vermogen kan juridisch op naam van die stichting staan.
Maar wanneer degene die het vermogen heeft ingebracht uiteindelijk kan blijven bepalen wat ermee gebeurt, kan de fiscale conclusie nog altijd zijn:
het is in wezen nog steeds zijn vermogen.
Dat maakt deze uitspraak niet alleen interessant voor Nederlandse belastingplichtigen met een Curaçaose SPF, maar ook voor adviseurs die zich bezighouden met internationale vermogensstructuren.
Bij fiscale structurering is de juridische verpakking belangrijk.
Maar de feitelijke beschikkingsmacht is vaak nog belangrijker.
Subscribe to:
Post Comments (Atom)

No comments:
Post a Comment