September 02, 2026

Curaçao voert de minimumbelasting in: wat betekent Pillar 2 voor Curaçaose ondernemingen?

Op 1 september 2026 hebben de Staten van Curaçao met algemene stemmen de Ontwerplandsverordening minimumbelasting 2024 aangenomen. Daarmee zet Curaçao een belangrijke stap in de invoering van de internationale afspraken over een wereldwijd minimumniveau van winstbelasting voor grote multinationale ondernemingen. De nieuwe regeling is onderdeel van wat internationaal bekendstaat als Pillar 2. De kern daarvan is betrekkelijk eenvoudig: zeer grote internationale ondernemingsgroepen moeten over hun winsten uiteindelijk ten minste 15% belasting betalen. Maar wat betekent dat voor Curaçao? En moeten Curaçaose ondernemingen zich nu zorgen gaan maken over een nieuwe belasting van 15%? Voor de overgrote meerderheid is het antwoord: nee. Waarom komt er een minimumbelasting? De minimumbelasting komt niet uit de lucht vallen. Zij vloeit voort uit internationale afspraken binnen het OECD/G20 Inclusive Framework on BEPS. Het probleem dat men internationaal probeert aan te pakken is bekend. Multinationale concerns kunnen hun activiteiten, financieringsstromen en intellectuele eigendom over verschillende landen verdelen. Daardoor kunnen winsten terechtkomen in jurisdicties waar daarover weinig of geen winstbelasting wordt geheven. Belasting is als water; het zoekt altijd het laagste punt. Pillar 2 probeert daaraan een ondergrens te stellen. Het uitgangspunt is dat grote multinationale groepen over hun winst per jurisdictie een effectief belastingniveau van ten minste 15% bereiken. Wordt in een bepaald land effectief minder geheven, dan kan onder de internationale regels een aanvullende belasting – een zogenaamde top-up tax – in beeld komen. Curaçao kan zich aan die ontwikkeling moeilijk onttrekken. De regering wijst er in de behandeling van het wetsvoorstel op dat inmiddels meer dan 55 landen de regels hebben geïmplementeerd en dat nog meer landen bezig zijn met invoering. Niet iedere Curaçaose onderneming valt hieronder; sterker nog; de meeste niet Dit is misschien wel het belangrijkste punt voor de praktijk.
De minimumbelasting is geen algemene verhoging van de Curaçaose winstbelasting naar minimaal 15% voor iedere vennootschap. De huidige winstbelasting kent twee tarieven. 15 procent tot een fiscale winst van Cg 5 ton en daarboven 22 procent. De regeling richt zich op zeer grote multinationale ondernemingsgroepen. In het bijgevoegde stuk wordt gesproken over multinationale ondernemingen met een wereldwijde jaaromzet van € 750 miljoen of meer. Een lokale Curaçaose N.V. of B.V. met een restaurant, hotel, vastgoedbedrijf, adviespraktijk of winkel wordt dus niet ineens vanwege deze landsverordening geconfronteerd met een verplichte minimumbelasting van 15%. Het gaat om concerns van een geheel andere omvang. Waarom voert Curaçao de regeling dan toch in? Dat is fiscaal gezien wellicht het interessantste onderdeel. Als een grote multinationale groep in Curaçao een effectief belastingniveau beneden 15% heeft, betekent dit door Pillar 2 niet noodzakelijk dat de groep dat belastingvoordeel behoudt. Een ander land kan onder omstandigheden de ontbrekende belasting heffen. Dan ontstaat voor Curaçao een voor de hand liggende vraag: als die belasting internationaal toch wordt geheven, waarom zou Curaçao die belastingopbrengst dan aan een ander land laten? Daar komt de binnenlandse bijheffing om de hoek kijken. Een gekwalificeerde binnenlandse minimumbijheffing – internationaal doorgaans aangeduid als een Qualified Domestic Minimum Top-up Tax (QDMTT) – maakt het in beginsel mogelijk dat het land waar de laagbelaste winst wordt behaald zelf de aanvullende belasting heft. De opbrengst blijft dan in Curaçao in plaats van dat een andere jurisdictie de top-up tax incasseert. Curaçao heeft juist over die binnenlandse bijheffing lang nagedacht Uit de parlementaire stukken blijkt dat hierover uitvoerig is gediscussieerd. Interessant is dat de regering naar aanleiding van de behandeling het wetsvoorstel heeft aangepast en de binnenlandse bijheffing uit het ontwerp heeft verwijderd. Daarbij wordt onder meer gewezen op de administratieve lasten die daarmee gepaard gaan. Dat betekent echter niet dat Curaçao definitief afscheid heeft genomen van die mogelijkheid. In het ontwerp is een zogenoemde switch-offbepaling opgenomen. Daardoor kan de regering op een later moment alsnog besluiten een binnenlandse bijheffing in Curaçao in te voeren. Volgens de toelichting wordt de mogelijkheid daarmee als het ware gereserveerd voor later. Dat is fiscaal-beleidsmatig een belangrijk detail. Curaçao implementeert dus het internationale raamwerk, maar houdt tegelijkertijd ruimte om de eigen positie later aan te passen. De gewone winstbelasting verdwijnt niet De minimumbelasting moet bovendien niet worden verward met de bestaande Landsverordening op de winstbelasting 1940. De reguliere Curaçaose winstbelasting blijft bestaan. De Pillar 2-regels vormen een afzonderlijk systeem dat boven op de bestaande nationale winstbelastingregels functioneert voor de ondernemingsgroepen die binnen de reikwijdte daarvan vallen. Het gaat daarbij bovendien niet simpelweg om de vraag welk nominaal winstbelastingtarief Curaçao kent. Pillar 2 kijkt naar de effectieve belastingdruk volgens zijn eigen internationale berekeningsregels. Een nominaal belastingtarief en een effectief Pillar 2-tarief zijn dus niet noodzakelijk hetzelfde. Een opmerkelijke ontwikkeling voor Curaçao De invoering is ook vanuit historisch perspectief interessant. Curaçao heeft gedurende lange tijd fiscale faciliteiten gebruikt om internationale bedrijvigheid aan te trekken. Internationale belastingconcurrentie was daarbij een belangrijk onderdeel van het fiscale beleid van kleine jurisdicties. Pillar 2 verandert het speelveld. Voor de allergrootste internationale concerns wordt het steeds moeilijker om uitsluitend door vestiging in een laagbelastende jurisdictie een zeer lage effectieve belastingdruk te realiseren. Als Curaçao niet heft, kan onder omstandigheden een ander land dat immers alsnog doen. Daarmee verschuift ook de concurrentie tussen landen. Zaken als rechtszekerheid, kwaliteit van wetgeving en bestuur, infrastructuur, beschikbaarheid van deskundig personeel en daadwerkelijke economische aanwezigheid worden belangrijker wanneer het fiscale tariefverschil minder doorslaggevend wordt. En nu? De Staten hebben het wetsvoorstel op 1 september 2026 met algemene stemmen aangenomen. Het stuk vermeldt daarbij dat de wet nog door de regering moet worden bekrachtigd om de status van landsverordening te verkrijgen en vervolgens op de gebruikelijke wijze moet worden afgekondigd in het Publicatieblad van Curaçao. Daarmee is Curaçao weer een stap verder in een ontwikkeling die enkele jaren geleden nog tamelijk theoretisch leek: een internationaal systeem waarin voor de grootste multinationale ondernemingen feitelijk een bodem onder de winstbelasting wordt gelegd. Voor de gemiddelde Curaçaose ondernemer verandert hierdoor weinig. Voor Curaçao als internationale fiscale jurisdictie is het daarentegen een fundamentele ontwikkeling. De interessante vraag is straks niet alleen hoeveel winstbelasting Curaçao zelf wil heffen, maar ook wie de belasting ontvangt wanneer Curaçao minder heft dan de internationale minimumnorm. En juist daarom verdient de discussie over een eventuele Curaçaose binnenlandse bijheffing de komende jaren bijzondere aandacht.