August 05, 2026

Nieuwe aflevering Caribisch Juristenblad: rechtsstaat, Fuikdag en vijftien jaar staatkundige hervorming

 

 De eerste aflevering van het Caribisch Juristenblad van 2026 besteedt uitgebreid aandacht aan actuele juridische en staatkundige ontwikkelingen binnen het Caribische deel van het Koninkrijk. Centraal staan de rechtsstatelijke grenzen aan overheidsoptreden tijdens Fuikdag, de resultaten van vijftien jaar staatkundige hervorming op Bonaire en recente ontwikkelingen in rechtspraak en wetgeving. In 1997 werd ik medewerker van de voorganger van dit blad en een jaar later redacteur.

De aflevering opent met een in memoriam voor prof. mr. Tom Schalken, die op 7 februari 2026 op 81-jarige leeftijd overleed. Schalken was hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de Vrije Universiteit en speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van het nieuwe Wetboek van Strafvordering voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Dat wetboek trad in 1997 in werking en vormt nog steeds de basis voor het strafprocesrecht in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Volgens auteur Joost Verbaan beschouwde Schalken het strafrecht niet alleen als een verzameling regels, maar als een instrument van beschaving waarin de verhouding tussen overheid en burger zorgvuldig moet worden vastgelegd.

Fuikdag en de grenzen van handhaving

In het artikel ‘Fuikdag; over toezicht, handhaving en rechtsstatelijke grenzen’ onderzoeken Jeff Sybesma en Pascal Jacobs welke juridische regels gelden voor het jaarlijks terugkerende feest in de Fuikbaai. Fuikdag is spontaan ontstaan en kent geen officiële organisator. Toch trekt de bijeenkomst inmiddels duizenden bezoekers en kondigen politie, Kustwacht en andere overheidsdiensten vooraf controles en ordemaatregelen aan.

Volgens de auteurs bestaat voor een groot deel van deze controles al een wettelijke basis. De Binnenvaartverordening bevat onder meer regels over registratie van vaartuigen, vaarbewijzen, reddingsmiddelen, het aantal opvarenden en veilig vaargedrag. Ook de Landsverordening openbare orde biedt mogelijkheden om op te treden wanneer de openbare orde of veiligheid in gevaar komt.

Problematischer wordt het wanneer de overheid via persberichten aanvullende regels bekendmaakt, zoals een algemeen verbod om na 17.00 uur muziek te draaien of een verbod om in de Fuikbaai passagiers af te zetten en op te halen. Zulke maatregelen gaan volgens Sybesma en Jacobs verder dan alleen het aankondigen van toezicht op bestaande regels. Zij houden een nadere normstelling in en moeten daarom worden vastgelegd in een behoorlijk bekendgemaakt besluit.

Burgers moeten vooraf kunnen weten welke regels gelden en op welke wettelijke grondslag zij berusten. Handhaving op basis van alleen mediaberichten kan leiden tot rechtsonzekerheid, rechtsongelijkheid en zelfs willekeur. De auteurs pleiten daarom voor een duidelijk juridisch kader waarin veiligheid en orde worden gewaarborgd zonder de eisen van legaliteit, kenbaarheid en proportionaliteit uit het oog te verliezen.

Vijftien jaar Bonaire binnen Nederland

Rianda Sacré blikt in ‘Vijftien jaar verbonden’ terug op de staatkundige ontwikkeling van Bonaire sinds 10 oktober 2010. Op die datum werd Bonaire, samen met Sint Eustatius en Saba, als openbaar lichaam onderdeel van Nederland.

De hervorming heeft volgens Sacré positieve veranderingen gebracht, onder meer op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. Daar staat tegenover dat de verwachtingen van veel inwoners niet zijn uitgekomen. Armoede, hoge kosten van levensonderhoud, woningnood en een tekort aan bestuurlijke en ambtelijke capaciteit blijven grote problemen.

De kleinschaligheid van Bonaire maakt het moeilijk om voldoende gespecialiseerde ambtenaren aan te trekken. Ook de verhouding met Den Haag verloopt moeizaam. Verschillen in taal, cultuur en bestuurspraktijk en onduidelijkheid over de verdeling van verantwoordelijkheden leiden geregeld tot spanningen. Vijftien jaar na de hervorming is volgens Sacré daarom nog geen sprake van een stabiel staatkundig eindmodel.



Sacré pleit voor een nieuwe, onafhankelijke evaluatie en een gezamenlijke toekomstvisie van Bonaire en Nederland. Daarbij moet de bevolking van Bonaire nauw worden betrokken. Uiteindelijk gaat het niet alleen om bestuurlijke techniek, maar ook om zelfbeschikking en om fundamentele mensenrechten zoals bestaanszekerheid, behoorlijke huisvesting en bescherming tegen de gevolgen van klimaatverandering.

Afvalverbranding op Aruba

Een afzonderlijke bijdrage van Jeff Sybesma bespreekt opnieuw de afvalverbrandingsinstallatie bij Parkietenbos op Aruba. Via een voorlopige voorziening was verzocht de installatie stil te leggen totdat duidelijk zou zijn of zij over een geldige hindervergunning beschikte.

De rechter wees het verzoek af omdat het volgens hem te vroeg was ingediend. Dat oordeel kwam echter pas ongeveer zes maanden na indiening van het verzoek. Sybesma vindt dat moeilijk te rijmen met het spoedeisende karakter van een voorlopige voorziening, te meer omdat de tijdelijke vergunning één dag na de zitting zou aflopen.

De rechter benadrukte wel dat de Arubaanse regering toezicht moet houden en zo nodig handhavend moet optreden. De bijdrage plaatst daarnaast vraagtekens bij tijdelijke vergunningen die in de Hinderverordening zelf niet zijn geregeld. De zaak illustreert volgens Sybesma bredere tekortkomingen in de Arubaanse bestuursrechtelijke rechtsbescherming, waaronder langdurige bezwaarprocedures en verouderde regelgeving.

Een fout in het Arubaanse procesrecht

Gerard Lewin bespreekt een opmerkelijke fout die bij de invoering van het herziene Arubaanse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in 2005 is gemaakt. Aruba en de toenmalige Nederlandse Antillen wilden destijds in hoofdzaak eenvormige wetgeving invoeren. In Aruba werd echter een oudere of onjuiste versie gepubliceerd, waardoor een bepaling over het belang bij hoger beroep niet correct in het Afkondigingsblad terechtkwam.

De Hoge Raad heeft inmiddels geoordeeld dat de betreffende regel toch in Aruba geldt. Daarbij deed de Hoge Raad een beroep op het concordantiebeginsel. Lewin verwelkomt de praktische uitkomst, maar waarschuwt dat het concordantiebeginsel niet in het algemeen mag worden gebruikt om verschillen tussen de wetgeving van de Caribische landen weg te poetsen. Daarmee zou onvoldoende respect worden getoond voor de autonomie van de afzonderlijke wetgevers.

Recente rechtspraak

De aflevering bevat verder uitgebreide overzichten van civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke jurisprudentie. Gerard Lewin behandelt de civiele uitspraken van de Hoge Raad, Ruth Bonnevalle-Kok verzorgt het strafrechtelijke overzicht en Maite de Haseth bespreekt de bestuursrechtelijke jurisprudentie.

In 2025 deed de Hoge Raad twaalf uitspraken in civiele zaken uit het Caribische deel van het Koninkrijk. Een van de besproken zaken betreft de beroepsaansprakelijkheid van een advocaat op Sint Maarten. De Hoge Raad benadrukte dat een advocaat zijn cliënt voldoende moet informeren over mogelijke verweren en hem niet onnodig mag blootstellen aan voorzienbare en vermijdbare risico’s.

Het strafrechtoverzicht behandelt onder meer de cassatietermijnen in Caribische strafzaken, ambtelijke omkoping, drugs- en vuurwapenzaken en de voorwaarden waaronder terbeschikkingstelling met klinische opname kan worden opgelegd.

In het bestuursrechtelijke overzicht komen verschillende uitspraken van het Gemeenschappelijk Hof aan bod. Daaronder bevinden zich zaken over internationale bescherming van Venezolanen, ambtenarenrecht, verblijfsrecht en bestuurlijke sancties. De uitspraken laten zien dat bestuursorganen besluiten zorgvuldig moeten voorbereiden en de burger daadwerkelijk in staat moeten stellen zijn standpunt naar voren te brengen.

Nieuwe wetgeving op de eilanden

De aflevering wordt afgesloten met wetgevingsoverzichten voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden. Voor Aruba worden onder meer de begroting voor 2026, nieuwe regels voor informatieverzoeken, fiscale behandeling van secundaire arbeidsvoorwaarden en regelgeving voor vrije zones genoemd.

Het Curaçaose overzicht bestrijkt de materieel relevante regelgeving die in het vierde kwartaal van 2025 in het Publicatieblad is verschenen. Sint Maarten voerde onder meer nieuwe regelgeving voor hoger onderwijs en studiefinanciering in. Voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn vooral de invoering van bescherming tegen discriminatie, de verdere invoering van het burgerservicenummer, nieuwe kinderopvangregels en wijzigingen van de verkiezingswetgeving van belang.

De nieuwe aflevering van het Caribisch Juristenblad laat daarmee zien hoe nauw juridische vraagstukken samenhangen met het dagelijks leven op de eilanden. Of het nu gaat om een feest in de Fuikbaai, afvalverbranding op Aruba, armoede op Bonaire of een fout in een wetboek: achter de juridische discussie liggen steeds concrete vragen over behoorlijk bestuur, rechtsbescherming en de verhouding tussen overheid en burger.

Als laatste geldt dat het natuurlijk erg voor de hand ligt dat wanneer je in aanraking komt met het recht van de CAS-en/of- BES Eilanden je een abonnement neemt op ons prachtige blad dat vier keer per jaar uitkomt.

August 03, 2026

EVEN "EIGEN GELD" TERUGHALEN KAN TOT BELASTINGHEFFING LEIDEN


Een betaling door een vennootschap aan haar aandeelhouder wordt niet automatisch een belastingvrije terugbetaling van kapitaal doordat zij in de administratie zo wordt genoemd. De fiscale gevolgen worden bepaald door wat er werkelijk is gebeurd en vooral door de vraag of vóór de betaling aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan. Fiscalisten, accountants en administrateurs tonen daarbij soms een grote mate van naiviteit.

Een recente Nederlandse uitspraak vormt opnieuw een duidelijke waarschuwing.

Rechtstreekse betaling aan de aandeelhouder

In de betreffende zaak was een directeur-grootaandeelhouder enig aandeelhouder van een holding. De holding hield op haar beurt alle aandelen in een werkmaatschappij.

In 2019 besloot de algemene vergadering van aandeelhouders van de holding tot een uitkering aan de aandeelhouder van € 116.324 uit de agioreserve van de werkmaatschappij. Het bedrag werd echter niet aan de holding betaald, maar rechtstreeks door de werkmaatschappij aan de directeur-grootaandeelhouder overgemaakt.

De aandeelhouder nam het bedrag aanvankelijk niet op in zijn aangifte inkomstenbelasting. In een herziene aangifte uit 2022 gaf hij het bedrag alsnog aan als inkomen uit aanmerkelijk belang.

Volgens Gerechtshof Den Haag had de holding recht op de uitkering van de werkmaatschappij. Doordat de holding toestond dat het bedrag rechtstreeks aan haar aandeelhouder werd betaald, vond vervolgens een vermogensverschuiving plaats van de holding naar die aandeelhouder.

Daarmee was sprake van een verkapte winstuitdeling. Zowel de vennootschap als de aandeelhouder was zich van de bevoordeling bewust, of had zich daarvan bewust moeten zijn.

Achteraf herstellen werkte niet

In 2023 probeerde de aandeelhouder de betaling alsnog om te zetten in een belastingvrije terugbetaling van kapitaal.

Dat mislukte.

De benodigde besluitvorming en statutenwijziging hadden vóór de betaling in 2019 moeten plaatsvinden. Bovendien werden de herstelhandelingen verricht bij de werkmaatschappij, terwijl de belastbare uitdeling juist had plaatsgevonden door de holding aan haar aandeelhouder.

Ook een beroep op dwaling bood geen uitkomst. Een civielrechtelijke vernietiging met terugwerkende kracht betekent niet automatisch dat ook de fiscale gevolgen met terugwerkende kracht verdwijnen.

De belastingheffing sloot daarom aan bij hetgeen in 2019 daadwerkelijk was gebeurd. Een reparatie vier jaar later kon dat niet meer veranderen.

De Curaçaose regeling

Ook de Curaçaose Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 bevat een belangrijke bepaling over de terugbetaling van aandelenkapitaal.

Artikel 5, lid 3, bepaalt:

“Gehele of gedeeltelijke teruggave van hetgeen op aandelen is gestort wordt als dividenduitkering aangemerkt, indien en voorzover deze teruggave kan geschieden uit de zuivere winst, tenzij tevoren het maatschappelijk kapitaal van het lichaam dat de teruggave doet, door wijziging in de akte van oprichting, dienovereenkomstig is verminderd.”

Het woord “tevoren” is daarbij van doorslaggevende betekenis. De vereiste vermindering van het maatschappelijk kapitaal moet plaatsvinden vóórdat de betaling aan de aandeelhouder wordt gedaan.

Wordt eerst betaald en worden pas later notulen, aandeelhoudersbesluiten of statutenwijzigingen opgesteld, dan bestaat een aanzienlijk risico dat de betaling fiscaal als dividend wordt aangemerkt.

Administratieve benaming is niet beslissend

In de praktijk worden betalingen aan aandeelhouders regelmatig geboekt als:

·         terugbetaling van agio;

·         terugbetaling van aandelenkapitaal;

·         aflossing van een rekening-courantvordering;

·         correctie van een eerdere boeking;

·         voorschot op een toekomstige kapitaalterugbetaling.

Een dergelijke omschrijving in de administratie is op zichzelf onvoldoende.

De belastinginspecteur en uiteindelijk de belastingrechter zullen kijken naar de juridische en economische werkelijkheid. Daarbij zijn onder meer van belang:

·         welke vennootschap de betaling heeft gedaan;

·         welke vennootschap de verplichting tegenover de aandeelhouder had;

·         of daadwerkelijk voldoende fiscaal erkend gestort kapitaal aanwezig was;

·         of de aandeelhoudersbesluiten tijdig en correct zijn genomen;

·         of een statutenwijziging noodzakelijk was;

·         of de betaling uit winstreserves kon worden gedaan;

·         en of de aandeelhouder door de betaling is bevoordeeld.

Vooral bij een structuur met een holding en een dochtervennootschap kan een rechtstreekse betaling door de dochter aan de uiteindelijke aandeelhouder fiscale gevolgen hebben op meerdere niveaus. Meestal zijn feiten doorslaggevend in het belastingrecht maar ondernemingsrechtelijke vormfouten kunnen dus doorklinken in het belastingrecht.


Een verkapte uitdeling vereist geen formeel dividendbesluit

Voor een belastbare winstuitdeling is niet noodzakelijk dat de algemene vergadering formeel heeft besloten dividend uit te keren.

Ook zonder dividendbesluit kan sprake zijn van een uitdeling wanneer:

1.      vermogen van de vennootschap naar de aandeelhouder verschuift;

2.      de aandeelhouder daardoor wordt bevoordeeld;

3.      de vennootschap die bevoordeling heeft gewild;

4.      en zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich van de bevoordeling bewust was of had moeten zijn.

Dit kan zich niet alleen voordoen bij een rechtstreekse betaling. Ook het betalen van privé-uitgaven, het kwijtschelden van een schuld, het verstrekken van een onzakelijke lening of het overdragen van vermogensbestanddelen tegen een te lage prijs kan een verkapte uitdeling opleveren.

Eerst beoordelen, dan betalen

De les uit deze uitspraak is eenvoudig, maar belangrijk: een kapitaalterugbetaling moet vooraf juridisch en fiscaal worden voorbereid.

Voordat een bedrag aan een aandeelhouder wordt betaald, moet worden vastgesteld:

·         wat de exacte herkomst van het kapitaal is;

·         bij welke vennootschap het kapitaal aanwezig is;

·         wie juridisch recht heeft op de betaling;

·         welke vennootschapsrechtelijke besluiten noodzakelijk zijn;

·         of een statutenwijziging vereist is;

·         en welke fiscale gevolgen de betaling heeft.

De volgorde kan niet achteraf worden omgedraaid.

Wie eerst betaalt en daarna probeert de betaling alsnog als kapitaalterugbetaling te documenteren, loopt het risico dat de belastingheffing al definitief is ontstaan.

Bij kapitaalterugbetalingen geldt daarom: eerst structureren, besluiten en vastleggen — en pas daarna betalen.

Bronnen