September 29, 2026

Box 3: de fiscus kan niet leven van papieren winst, de belegger evenmin

De Nederlandse politiek lijkt opnieuw van koers te veranderen met box 3. Volgens Accountancy Vanmorgen zou de coalitie nu kiezen voor een vermogenswinstbelasting en afzien van belasting over nog niet gerealiseerde waardestijgingen. De precieze uitwerking is echter nog niet openbaar. Van een definitief nieuw stelsel is dus geen sprake. Het bericht wordt gepresenteerd als een beweging naar rechts. Maar achter dat politieke etiket schuilt een principiële fiscale vraag: wanneer behoort een waardestijging tot het inkomen waarover belasting moet worden betaald? Meer waard, maar niets ontvangen Bij een vermogensaanwasbelasting wordt een waardestijging jaarlijks belast, ook wanneer de belegger niets heeft verkocht. Een vermogenswinstbelasting verschuift dat moment in beginsel naar de verkoop. Rente, dividend en andere reguliere inkomsten kunnen daarbij gewoon jaarlijks worden belast. Het wetsvoorstel dat bij de Eerste Kamer ligt, combineert beide systemen: vermogensaanwas als hoofdregel en vermogenswinst voor onder meer onroerende zaken.
Dat verschil in heffingsmoment is voor de belastingplichtige bepaald geen detail. Stel dat een aandelenportefeuille stijgt van € 100.000 naar € 120.000, zonder verkoop of dividenduitkering. Er is dan € 20.000 aan waardestijging, maar geen extra geld op de bankrekening. Een belastingaanslag moet ondertussen wel met echt geld worden betaald. Bij beursgenoteerde aandelen kan de belegger een gedeelte verkopen. Maar daarmee beïnvloedt de belastingheffing zijn beleggingsbeslissing. En wanneer de koers vervolgens daalt, blijkt hoe kwetsbaar het belasten van tussentijdse waardestijgingen kan zijn. Een behoorlijke verliesverrekening is dan essentieel. Waarom geldt draagkracht niet overal hetzelfde? De Raad van State heeft bovendien gewezen op de verschillen tussen de boxen. Voor dezelfde vermogensbestanddelen kan het heffingsmoment uiteenlopen, afhankelijk van de box waarin zij vallen. De Raad vraagt waarom ongerealiseerde waardestijgingen in box 3 wel worden belast, terwijl voor vermogenswinsten in box 1 en box 2 in beginsel bij realisatie wordt aangesloten. Zulke verschillen kunnen ook fiscale structuurkeuzes uitlokken. Die kritiek verdient meer aandacht dan de vraag welke politieke partij zich winnaar mag noemen. Een belastingstelsel moet een overtuigende verklaring bieden voor verschillen in behandeling. Belasten bij verkoop heeft ook een prijs Een vermogenswinstbelasting kent eveneens nadelen. Wie belasting kan uitstellen door niet te verkopen, krijgt een fiscale reden om een belegging langer vast te houden. Ook moeten aankoopprijzen, latere investeringen en eerdere transacties soms jarenlang worden bijgehouden. De Raad van State bespreekt deze uitvoeringsproblemen en het risico van uitstelgedrag. Een verschuiving naar heffing bij verkoop vraagt daarom om zorgvuldige regels voor verliezen, schenking, overlijden en emigratie. Anders ontstaat een stelsel waarin gerealiseerde winst wordt belast, maar bepaalde waardestijgingen langdurig buiten bereik blijven. De begroting is geen definitie van inkomen Voor mij weegt zwaar dat een belastingplichtige belasting moet kunnen betalen uit opbrengsten die daadwerkelijk beschikbaar zijn. Dat pleit voor heffing over waardestijgingen bij realisatie, met een evenwichtige behandeling van verliezen. De overheid heeft begrijpelijkerwijs behoefte aan voorspelbare inkomsten. Maar de gewenste belastingopbrengst mag niet bepalen wat als inkomen wordt aangemerkt. Eerst moet er een verdedigbaar stelsel liggen; vervolgens moet de begroting daarop worden afgestemd. De fiscus kan zijn uitgaven niet betalen met papieren winst. Van de belegger mag evenmin worden verwacht dat hij dat wel kan.

No comments:

Post a Comment