November 27, 2013

Auto lease en de fiscus

1  Auto van de zaak
Een auto van de zaak is een auto die door de werkgever aan de werknemer ter beschikking wordt  gesteld. Dit kan een auto zijn die eigendom is van de werkgever of een lease-auto. Als een auto eigendom is van de werknemer en de werkgever vergoedt alle kosten in verband met een dergelijke  auto, dan spreken we eveneens van een auto van de zaak.
1.1  De bijtelling in 2013
1.1.1  Algemeen
Voor een auto van de zaak heeft de werknemer te maken met een fiscale bijtelling. De bedoeling van  deze bijtelling is dat het voordeel dat de werknemer heeft door gebruik van de auto van de zaak voor privédoeleinden wordt belast. Dit gebeurt via de loonbelasting.
het percentage bijtelling is vastgesteld op 15% van de cataloguswaarde van de auto. Dat is dus de aankoopprijs van de auto op het moment dat deze de markt opkwam inclusief omzetbelasting. Ook alle accessoires worden in beginsel bji deze cataloguswaarde geteld.
Een auto van de zaak wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld, tenzij blijkt dat de auto niet voor prive-doeleinden wordt aangewend.
Een werknemer kan hiertoe een rittenregistratie bijhouden.
In dit verband verdient opmerking dat woon-werkkilometers als prive kilometers worden gezien. De forfaitaire bijtelling geldt zowel voor personenauto’s als voor bestelauto’s.

1.1.2  De cataloguswaarde
De fiscale cataloguswaarde is de nieuwprijs van de auto inclusief de doorberekende omzetbelasting.
In de loop van de tijd kan de catalogusprijs van een auto veranderen. Bepalend is echter de catalogusprijs op de datum van aankoop van de auto.
Ook voor ingevoerde auto’s geldt in principe de lokale catalogusprijs zoals die voor een auto in deze uitvoering gold in het bouwjaar.

1.3  Eigen bijdrage
De fiscale bijtelling van de auto wordt geregeld in de loonbelasting. Per loontijdvak wordt een tijdevenredig deel van de waarde van het privégebruik van een ter beschikking gestelde auto tot het  loon van de werknemer gerekend. De eventuele eigen bijdrage van de werknemer voor privégebruik komt hierop in mindering. De eigen bijdrage kan niet hoger zijn dan de bijtelling.


1.4  Kosten in verband met de auto van de zaak
1.4.1  Aftrek werknemer
Als een werknemer kosten maakt in verband met de auto van de zaak zijn deze niet als beroepskosten aftrekbaar.

1.4.2  Onbelaste vergoeding voor kosten auto van de zaak
Kosten die de werknemer maakt voor zijn auto van de zaak mogen belastingvrij worden vergoed.
Hierbij kan gedacht worden aan waskosten, parkeerkosten en tolgelden. Verkeersboetes kunnen niet onbelast worden vergoed.
De verstrekking van parkeergelegenheid is onbelast als de parkeergelegenheid zich bevindt bij de plaats van werkzaamheden. Te denken valt bijvoorbeeld aan een al dan niet gereserveerde parkeerplaats.

1.5  Aspecten van de auto van de zaak voor de werkgever
1.5.1  Loonbelasting
Een werkgever moet loonbelasting inhouden op het privévoordeel dat een werknemer met een auto van de zaak heeft. Hij hoeft geen premies werknemersverzekering op het voordeel in te houden. De inhouding geldt zowel voor personenauto’s als voor bestelauto’s, tenzij er voor wat betreft de bestelauto sprake is van de eerder genoemde uitzonderingen (zie 1.1.2).
Een en ander betekent dat de werkgever verantwoordelijk is voor en risico loopt met betrekking tot een correcte inhouding
Zelfstandige ondernemers hebben, binnen de grenzen van de redelijkheid, de keuze om hun auto te beschouwen als ondernemingsvermogen of als een privéauto. Indien de auto nagenoeg geheel (d.w.z. 90% of meer) zakelijk wordt gebruikt, zal deze tot het ondernemingsvermogen moeten worden gerekend. Gebruikt u uw auto nagenoeg geheel privé, dan behoort deze verplicht tot het privévermogen. In alle overige gevallen mag u kiezen of u de auto tot het ondernemingsvermogen rekent, of tot het privévermogen.
Als de auto ondernemingsvermogen is, komt de ondernemer terecht in een regeling die vergelijkbaar is met de auto van de zaak voor werknemers. De ondernemer heeft te maken met een fiscale bijtelling wegens privégebruik. Dit wordt fiscaal geeffectueerd door 15% van de cataloguswaarde te classificeren als niet gemaakt ten behoeve van de onderneming.

2  Overige regelingen
Bij financiële lease en koop (en derhalve niet bij operationele lease) kan versnelde afschrijving van toepassing zijn.

2.1  Versnelde afschrijving
Op sommige soorten investeringen (middels koop of financial lease) mag door ondernemers afwijkend van het normale lineaire afschrijvingsverloop worden afgeschreven.
De afschrijving mag dan ‘willekeurig’ plaatsvinden, dat wil zeggen dat men zich niet aan de normale  afschrijvingsregels hoeft te houden. Het voordeel is dan een liquiditeits- en rentevoordeel: door de snellere afschrijving betaalt men in dat jaar minder belasting. Maar soms kan het ook voordelig zijn  de afschrijving te verdelen over meerdere jaren. In elk van de jaren kan de afschrijving dan van de belasting in de hoogste tariefschijven afgetrokken worden.

Uiteraard geldt dat de betaalde lease premies als aftrekbare kosten kunnen worden aangemerkt voor respectievelijk onder de winstbelasting en de inkomstenbelasting vallende ondernemers.


www.mullertax.com



Fiscal consequences (for non-residents) of owning private property on Curacao



Below we will briefly stipulate the fiscal consequences of leasing your Curacao real
estate to a third party, according to Curacao tax law. We shall differentiate between
property that is owned by individuals and company owned property like a Ltd./
Co./BV

1  Individuals who lease a property to lessees.
In the case that you receive lease income with respect to a property on Curacao,
you are automatically liable to pay income tax on Curacao regardless weather you live on
Curacao yourself or not.  If you live abroad there will be “a foreign tax
liability. This means you have to complete an annual tax return
(inkomstenbelasting model B) and file it with the  tax office. On this return
you will have to state 65% of the yearly rental income.  You may deduct
only paid interest on a mortgage related to the purchase or improvement of
the property (if applicable). If the interest supersedes the lease income, you
may deduct the negative income during the following 5 years. (If you live
in the Netherlands you will also have to file your property in ‘BOX 3’ of
your income tax return, but you will be granted a tax exemption according
to the Tax Agreement of the Kingdom.)

2  The property is owned by a Dutch (or other country) company.

The company will have to annually file a complete statement of costs and
assets at the tax office, as if it were a separate company. This has to be
filed first as a preliminary tax return before the April 1st
each year. The final  tax return and payment is to be filed  before the 1st
of July each year.
In the Netherlands the company is entitled to an exemption with respect to
this income.

3  VAT / Tourist tax.
If the lease contract of your property is 1 year or longer, no VAT or
Tourist tax is applicable. However, for short term lease,  you will have to
charge 6% VAT to the lessee In case the lessee  is a non-resident, you will
have to pay 7% tourist tax (instead of VAT), to the Curacao Tourist Board.

(The above text is of an informative nature, no rights may be derived from it). 

www.mullertax.com


EEN GOED VERZORGDE OUDE DAG



Memorandum inzake Beschikking Pensioen



Bij Ministeriele Beschikking met algemene werking van 29 juli 2000 (Pb 2000, No 76 is de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 ingrijpend gewijzigd. Vervolgens hebben deze wijzigingen bij Landsverordening van 3 augustus 2001 (Pb, 94) kracht van wet gekregen. Ook zijn door de wetgever in de Landsverordening op de loonbelasting 1976 wijzigingen aangebracht. Onder meer zijn de artikelen 6A en 6B ingevoegd welke een kader scheppen voor een wettelijke regeling omtrent pensioenen. Dit kader is bij Publicatieblad No 35, 2002 (Beschikking pensioenen) nader ingevuld. Onderstaand wordt op deze regeling nader ingegaan.

Artikel 6A geeft een definitie van een pensioenregeling welke er op neer komt dat een dergelijke regeling ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit of ouderdom alsmede van hun nagelaten betrekkingen. Verder mag een pensioenregelingen niet uitgaan boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk wordt geacht. Tevens dient het lichaam dat als pensioenverzekeraar optreedt de pensioenverplichting tot haar binnenlandse ondernemingsvermogen rekenen.

Lid 2 van artikel 6A geeft dan aan de Minister van Financien de bevoegdheid om nadere regels te geven omtrent het hierboven genoemde en om onder voorwaarden een afwijkende regeling toch als een pensioenregeling in de zin van artikel 6A aan te wijzen.

Artikel 6B bepaalt welke gebeurtenissen aanleiding geven om de pensioenaanspraak aan te merken als loon. Dit doet zich voor bij afkoop en vervreemding en ingeval de regeling voorwerp van zekerheid wordt; de verzekeraar ophoudt binnen de Nederlandse Antillen te zijn gevestigd dan wel het pensioenvermogen niet langer (geheel of gedeeltelijk) tot het binnenlands pensioenvermogen rekent; aan aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt prijsgegegeven.

Afkoop wordt niet getroffen door het hierboven bepaalde indien de pensioenverplichting geheel of gedeeltelijk overgaat naar een binnen de Curacao gevestigde pensioenverzekeraar die de verplichting tot zijn binnenlands ondernemingsvermogen rekent. Onder voorwaarden kan de Minister van Financien dit ook van toepassing verklaren, zo bepaalt lid 3 van artikel 6B, op pensioenverplichtingen welke geheel of gedeeltelijk overgaan op een in Nederland, Aruba dan wel een verdragsland gevestigde verzekeraar.

De Beschikking pensioenen (hierna: “de Beschikking”) geeft nadere invulling aan 6A lid 2 en 6B lid van de Landsverordening op de loonbelasting 1976 (hierna: “LLB”).

De Beschikking is opgebouwd uit 16 artikelen. Artikel 1 geeft aan wie als verzekeraar wordt beschouwd. Op grond van lid 1 letter d van dit artikel kan worden geconcludeerd dat in ieder geval de opbouw in eigen beheer nog steeds mogelijk is. Expliciet is uitgezonderd dat een Stichting Particulier Fonds als verzekeraar van een pensioen kan fungeren.

Artikel 2 geeft aan wat onder een maatschappelijk aanvaardbaar pensioen dient te worden beschouwd. De navolgende criteria zijn van belang:

v  Het pensioen bedraagt maximaal 70 procent van het pensioengevend loon en wordt met een percentage van maximaal 2 per jaar opgebouwd. Er wordt een rekenrente in aanmerking genomen van tenminste 4 procent.

v  De pensioenrichtleeftijd van een ouderdomspensioen is 60 jaar en het pensioen gaat niet eerder in dan op de 55-jarige leeftijd en iet later dan op 65-jarige leeftijd.

v  Gaat het ouderdomspensioen eerder in dan bij de 60-jarige leeftijd dan wordt het pro rata herrekend met inachtneming van actuariele grondslagen.

v  Het ouderdomspensioen kan niet uitgaan boven 70 procent van het pensioengevend loon op het tijdstip van ingang.

v  Het weduwe-of-weduwenpensioen alsmede het wezenpensioen zijn gemaximeerd tot respectievelijk 70 en 14 procent van het ouderdomspensioen en mogen tezamen meer bedragen dan het voordien genoten pensioengevend loon

v  Een invaliditeitspensioen bedraagt maximaal 80 procent van het pensioengevend loon

v  De pensioenuitkeringen mogen in hoogte varieren ten opzichte van elkaar. De mate van variatie moet echter worden vastgesteld en verder geldt dat de laagste uitkering niet lager mag zijn dan 75% van de hoogste uikering.

v  Verder is een partnerpensioen toegestaan. Wordt er verder fiscaal enkel rekening gekeken of men gehuwd of ongehuwd is; de beschikking houdt rekening met degenen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren.

Het pensioengevend loon omvat maximaal alle structurele vaste loonbestanddelen. Expliciet is bepaald dat loon in natura eveneens hiertoe gerekend kan worden waardoor bijvoorbeeld de auto van de zaak voor 15% van de cataloguswaarde tot het pensioengevend loon kan behoren. Loonstijgingen welke zich voordoen gedurende 5 jaren voorafgaand aan de pensioendatum mogen slechts in aanmerking worden genomen tot maximaal 2% boven de gemiddelde loonindex. Dit ligt anders indien sprake is van een normale leeftijdsperiodiek of een gangbare functiewijziging. Daartegenover staat dan weer dan met een loonsverlaging wegens demotie of het aanvaarden van een deeltijdfunctie buiten aanmerking kan blijven indien deze zich voordoet binnen 10 jaren voorafgaand aan de ingangsdatum van het pensioen.

De waardering van de pensioenverplichtingen vindt plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariele grondslagen. De te hanteren rekenrente bedraagt mininmaal 4%. Het pensioenlichaam mag echter een algemene reserve van 10% van de wiskundige reserve aanhouden. Een interessante aspect van deze waarderingsregels is de volgende. De Beschikking is een uitvoeringsregeling van de artikelen 6A, tweede lid ne 6B derde lid van de Landsverordening op de loonbelasting 1976. De waardering van pensioenen regardeert de loonbelasting echter niet. Hetgeen de vraag oproept of de Minister van Financien met deze beschikking op dit punt dan ook niet te ver gaat. Volgens mij moet deze vraag bevestigend worden beantwoord en is de Beschikking op dit dan ook onverbindend. Indien de Minister waarderingsregels voor pensioenen wil invoeren zal dat moeten door daarvoor de Landsverordening op de winstbelasting 1940 te wijzigen. Indien deze bijvoorbeeld een kader hiervoor zouden scheppen zouden met een eenvoudige wijziging van de Beschikking –door een verwijzing naar het desbetreffende artikel in de Landsverordening op de winstbelasting 1940- de waarderingsregels voor pensioenopbouw in mijn optiek niet langer onverbindend zijn. De beschikking gaat echter nog verder. In artikel 12 stelt zij dat de waardering van pensioenverplichtingen welke worden opgebouwd door lichamen vallende onder artikel 2 lid 44 van de Landsverordening op de winstbelasting 1940, onder bovengenoemde waarderingsregels vallen. Hier draait de Minister de zaken echt om. Het kan nooit zo zijn dat een Uitvoeringsregeling van de loonbelasting invulling geeft aan de winstbelasting zonder de in de desbetreffende landsverordening daarvoor ruimte wordt geboden. De Beschikking is immers van lagere orde dan de Landsverordening op de winstbelasting 1940. De Minister schendt in casu dus tweemaal een beginsel. Als eerste door in de beschikking zaken op te nemen welke deze niet mag regelen nu hier enkel invulling mag worden gegeven aan zaken welke de loonbelasting betreffen en als tweede door deze regeling van lagere orde aan te wenden om aan een landsverordening (van hogere orde dus) invulling te geven terwijl daarvoor de basis ontbreekt. Artikel 12 van de Beschikking is mijn visie derhalve eveneens onverbindend.

Artikel 13 bepaalt dan nog dat op 31 december bestaande pensioenaanspraken van een directeur –grootaandeelhouder en andere belastingplichtigen zonder gevolgen voor de belastingheffing tot en met 31 december 2001 respectievelijk 31 juni 2002 in overeenstemming kunnen worden gebracht met artikel 6A van de Landsverordening op de loonbelasting 1976 en de daarop gebaseerde regelgeving. Tot dan mogen er geen dotaties aan het pensioenlichaam en aftrek op het inkomen plaatsvinden. Ook deze bepaling is wederom grotendeels zinledig omdat deze met name kijkt naar pensioenopbouw welke de winstbelasting betreft en niet de loonbelasting. Waar in de Beschikking melding wordt gemaakt van belastingheffing kan dit immers enkel terugslaan op de heffing van loonbelasting omdat de Beschikking niet verder mag gaan dan omtrent nadere invulling te geven.


www.mullertax.com  

Division of an N.V. under Curacao law




Introduction

The new possibilities of the legal division are interesting. There are two types of division: the absolute division and the split-off. Where we use the abbreviation N.V. same goes for a B.V..

With an absolute division the entire capital of the existing N.V (f.i. A N.V.) passes over to two or more other N.V.’s or B.V.’s (f.i. B N.V. and C N.V.) which can be created on the occasion of the division if desired. The shareholders of A. N.V. become shareholders of B N.V. and C N.V and A N.V. ceases to exist.
It is also possible within the frame of an absolute division that the splitting N.V. (A N.V.) acquires all the shares of B N.V. and/or C N.V, in which case A N.V. continues to exist.

In case of a split-off only a part of the assets and liabilities of an N.V. (f.i. D N.V.) is transferred to two or more other N.V.’s or B.V.’s (f.i. E N.V and F N.V.) Either E N.V. or F N.V. or both have to issue shares to D N.V. or its shareholders. As in the case of the absolute division it is possible to pass the assets and liabilities over to existing N.V’s or to N.V.’s that are founded at the splitting.

To prevent abuse of the legal splitting, it is required by law that the net worth of the assets and liabilities that any N.V. acquires is not negative. The same holds for the net worth that stays in the splitting N.V.

Procedure

The procedure of a splitting looks rather complicated, but we have to take into account that without this legal possibility, it would be a lot more difficult and complicated to get the same result, if possible.

A division (whether an absolute one or a split-off) can only be executed by a notarial deed.
The Board of Management has to prepare a detailed proposal for the splitting, containing a.o.:
        the legal form of the receiving corporation
        the articles of incorporation (statuten) of both the splitting and the receiving N.V.’s. In case the receiving N.V.’s will be created at the occasion of the splitting,  a draft of the deed of incorporation (ontwerp van de akte van oprichting).
        whether all the assets and liabilities will be transferred or only a part of them
        a detailed description of the assets and liabilities each receiving N.V. will acquire, and the same for the assets and liabilities that will remain in the splitting N.V. (if any).
        the value of the part of all the assets and liabilities that any of the receiving N.V.’s will acquire and the value of the part of all the assets and liabilities that remain in the splitting N.V (if any).
        the intentions about the composition of the Board of Management of all the N.V.’s concerned.
        the intended measures as regards the acquisition of shares in the receiving N.V.’s by the current shareholders of the splitting N.V.

The Board of Management has to state in writing the reasons for the division and the expected consequences for the activities with an explanation from a juridical, business and social point of view.
This proposal should be presented to the Chamber of Commerce with the latest three approved annual accounts. In case the latest fincancial year for which annual accounts have been adopted, has expired more than six months before, the Board of Management has to compile a interim statement of assets and liabilities. The division should be announced officially in the “Publicatieblad van de  Nederlandse Antillen” and a local newspaper.

Within a month after this publication, any creditor or other contractual party can lodge an objection against the intended division. The judge decides on such an objection.

The decision to divide or split the N.V. has to be taken by the general meeting of shareholders, at least a month after the official announcement of the division. The same formalities and the same majority rules apply as in case of a change of the articles of incorporation.

All N.V’s that take part in the division are liable for the performance of contracts of the splitting N.V.

Simplified procedure

Unless the articles of incorporation rule otherwise, an existing receiving N.V. can decide to agree with the division by a decision of the Board of Management. The same holds for the splitting N.V. if all receiving N.V.’s are founded on occasion of the splitting and the splitting N.V. will become their only shareholder. In that case it is not necessary to include in the proposal for the splitting a detailed calculation of the exchange ratio of the shares, approved by a registered account. This would be necessary in the case of existing N.V’s that receive assets and liabities.


Fiscal aspects

The assets and liabilities of the splitting N.V. are transferred to the acquiring N.V.’s and, withour further regulations, this would cause taxable profit if the net value thereof is higher than the book value, except in case the acquiring N.V.’s exist already and all are part of a fiscal entity together with the splitting N.V.
In the near future a regulation is expected for the merger and division as regards the passing on of reserves (hidden and fiscal) and goodwill to the acquiring N.V.’s comparable to the existing regulation for the transition of assets from a sole proprietorship to an N.V. The aforementioned regulation holds that the difference between market value and book value of the business that is brought into the N.V, is exempted from income tax on the condition that the N.V. that continues the business, will apply the same valuation principle and the same book values of the assets and liabilities (including goodwill) as they had in the sole proprietorship. This means that the N.V. has to apply lower depreciations during the depreciable life of the assets than in the case wherein it could value those assets (including goodwill) at the takeover price, as would be sound commercial practice.
After the division, the dividing N.V. (if it continues to exist and acquires the shares in the receiving N.V.’s) can apply the participation exemption when it sells the shares in the receiving N.V.’s. The shares should not be sold within a three year period though, because in that case the division is supposed not to have taken place for business purposes, and the facilities for the division will not be applicable, unless business purposes for the division can be proved or made plausible.

But at the moment there is no such a regulation for the merger nor for the division. For this reason, it is necessary to negotiate with the tax authorities to assure a division without fiscal problems.

For the immovable property of the dividing N.V. the transfer tax has also to be taken into account. At this moment there is no provision in the transer tax  for the transition of immovable property in within the framework of a legal division. The N.V. that acquires immoval property during the division, would owe this tax according to the letter of the law, which amounts to 4%. But we have a notarial commitment that the transfer tax is not applicable in case of a division.


As far as the sales tax is concerned, there is a regulation for the transfer of a business that dates from 2001, years before the introduction of the legal merger and division. But the wordings of it are rather general and this regulation seems to be applicable to legal merger and division.

We have advised on splitting a company in a case where 2 siblings were shareholders in an N.V. with sizable assets. The siblings differed in opinion on how to proceed so we made two separate N.V.'s out of one so that both could go their merry way.

www.mullertax.com


Structuring of E-zone companies

Muller & Associates has extensive experience with respect to Curacao based e-zone companies. We can act as your agent when it comes to e-zone. Agent in the sense that we can act your middle man between you and the local director of your e-zone company.

If one adheres to some simple rules taxation on e-zone income is limited to 2 percent.

That is not difficult nor a challenge. Where then lies the challenge? That is in that one now has low taxed income in a Curacao e-zone company. How does one keep this income available and low-taxed at the same time? I am not saying that I have all the answers here because this strongly depends on every different case at hand. Sometimes it is possible with a simple structuring to achieve this goal of low-taxation; sometimes it takes high-level planning and discussions with tax lawyer/advisers based in other juridictions. So the set-up of an e-zone is not difficult but keeping the e-zone income low-taxed is something one should consider from the beginning. It is just each and every time tailor-made. So don't let yourself be fooled by those only offering to assist you in setting up an e-zone company. That is the easy part.

For any input on this do not hesitate to contact us via: peter.muller@mullertax.com

www.mullertax.com



Het objectief pleitbare standpunt en het lex certa beginsel


http://boezelman-deboer.tumblr.com/post/68172893685/week-48-het-objectief-pleitbare-standpunt-en-het-lex



De Vaklunch 2.0
"Deel je visie en laat je inspireren"


Week 48: Het objectief pleitbare standpunt en het lex certa beginsel

Het motto van de Belastingdienst is ‘leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker’. Dit motto bestaat niet voor niks. De Belastingwetgeving bestaat uit een wirwar van wetten en regels. In week 15 hebben wij uiteengezet hoe de onduidelijke regelgeving van invloed kan zijn op het begrip ‘de aanmerkelijke kans’ in het kader van het voorwaardelijk opzet begrip. Daartoe hebben wij aangevoerd dat een ‘pleitbaar standpunt’ in het Belastingrecht ervoor zorgt dat geen sprake kan zijn van een aanmerkelijke kans en dus ook niet van voorwaardelijk opzet. In dit artikel zullen wij onderzoeken of een ‘pleitbaar standpunt’ ook nog op een andere manier een rol kan spelen in het strafrecht, namelijk voor wat betreft het lex certa beginsel.
De complexiteit van de belastingwetgeving brengt met zich dat situaties kunnen ontstaan, waarin een onjuist ingenomen standpunt niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van opzet of grove schuld. Die situatie doet zich bijvoorbeeld voor als de Hoge Raad (nog) geen oordeel heeft gevormd over een bepaald fiscaal leerstuk en de meningen daarover in de literatuur of in de jurisprudentie uiteenlopen. Zelfs wanneer een belastingplichtige dan bewust een standpunt inneemt dat achteraf onjuist blijkt te zijn, hoeft van opzet of grove schuld geen sprake te zijn.
De strafkamer van de Hoge Raad heeft echter overwogen dat indien de rechter heeft vastgesteld dat wanneer de verdachte bij het doen van de gewraakte aangifte niet in de veronderstelling verkeerde dat de wijze waarop hij deze aangifte deed toelaatbaar was, hij geen beroep kan doen op een pleitbaar standpunt. De strafkamer van de Hoge Raad houdt aldus de subjectieve toets van het pleitbare standpunt aan. Een onwetende belastingplichtige wordt door de Hoge Raad kennelijk beschermd en een belastingplichtige met de verkeerde intenties wordt gestraft. Objectief gezien kan een ‘pleitbaar standpunt’ echter nog altijd bestaan, ook indien de betreffende casus de subjectieve toets niet kan doorstaan.
Indien de literatuur en de fiscale jurisprudentie er niet over uit zijn of of de betreffende aangifte überhaupt onjuist is, komt het lex certa beginsel om de hoek kijken. Want als een burger op basis van de wetgeving eigenlijk niet kan weten welke daden en omissies hem of haar aansprakelijk maken – los van de intenties – is de strafbepaling dan niet in strijd met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht?
Voor zover strafbaarstellingen te onbepaald zijn, kan de rechter deze onverbindend verklaren en/of buiten toepassing laten ingevolge artikel 1 Sr. Ook artikel 7 van het EVRM en artikel 49 van het Handvest schrijven voor dat een strafbepaling voldoende bepaalbaar moet zijn. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens leidt uit artikel 7 EVRM af dat een bepaling zo moet zijn omschreven dat burgers uit de tekst van die bepaling en indien nodig uit de uitleg die de rechter aan die bepalingen geeft, kan weten welke daden en omissies hem of haar aansprakelijk maken. Enige vaagheid is onontkomelijk en strafrechtelijke aansprakelijkheid moet in de strafrecht jurisprudentie ontwikkeld kunnen worden. Dit is echter slechts toegelaten zolang die ontwikkeling redelijkerwijs kon worden voorzien en ook consistent is met de essentie van de strafbepaling, aldus het EHRM.
De Belastingdienst erkent met zijn motto dat het belastingrecht complex is. Vaak moet er geprocedeerd worden over de uitleg van bepaalde leerstukken. Indien de situatie zich voordoet dat de Hoge Raad (nog) geen oordeel heeft gevormd over een bepaald fiscaal leerstuk en de meningen daarover in de literatuur en/of de jurisprudentie uiteenlopen, dan kan moeilijk van een burger worden verwacht dat hij weet welke daden en omissies hem aansprakelijk maken. De geleerden onder ons zijn er nog niet eens uit. Als dit geval zich voordoet dan heeft dit leerstuk dus niet alleen invloed op het opzet begrip maar ook op het lex certabeginsel. Wij menen dus dat het objectieve pleitbare standpunt moet terugkeren in het strafrecht. Misschien accepteert de Hoge Raad dit objectieve leerstuk niet voor wat betreft het opzet begrip, maar in ieder geval laat de duidelijkheid van de bepaling dan te wensen over. Wellicht dat het objectieve pleitbare standpunt dus als niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd kan worden in het kader van het lex certa beginsel. Immers hoe hard de wetgever het ook probeert, de Belastingwetgeving is nog steeds niet duidelijk genoeg.

November 21, 2013

Balance between Law in theory and Law in practice

The university professors ingrained the idea in me that as a lawyer one should be versed in practice and theory. As a student I have been assisting in a research project for three years. That whole experience taught me a lot and I was very proud that this ended with a PhD with honors. Also I made my own small discovery in the field of sociology of law.
After graduating in 1993 I immediately started writing my first publication. As it was on the levying of taxes by waterships it was probably not much read but still.

Please find hereunder a bibliography of articles sofar.

Tijdschrift voor Antilliaans Recht – Justicia (Antilles law review)

2010 nr 2         “Witwassen, inkeer en de rol van de financiele dienstverlener” (samen met mr L. Jager) (article on moneylaundering and possible criminal consequences for the financial services provider) (co-author)

2005 nr 3         “Time-share, belasting op bedrijfsomzetten, tax holiday en toetsing door de overheid” (article on time share, tax holiday and St. Maarten sales tax)

2003 nr 4         “De belastingadviseur als instrument in de strijd tegen money laundering” (samen met mr L. Jaeger, (co-author) article on the role of the tax lawyer in fighting money laundering)

2003 nr 1         “Een goed verzorgde oude dag?” (samen met drs J. Sybesma) article on fiscal pension planning) (co-author)

2002 nr 3         “Artikel 30 lid 2 Algemene Landsverordening Landsbelastingen” (article on formal tax law)

2001 nr 4         “Aantekeningen bij de Algemene Landsverordening Landsbelastingen” (article on formal tax law)

2001 nr 3         “De nieuwe aanmerkelijk belangregeling” (the new substantial interest legislation)

2001 nr 2         “Invoering Algemene Termijnenlandsverordening” (article on the extension Time limits act)

2001 nr 1         “Deelnemingsdivdenden onder de belastingregeling voor het koninkrijk” (Participation dividends under the scope of the Tax Arrangement of the Kindom)

2000 nr 2         “Vrije vestiging in de Nederlandse Antillen” (Free business establishment in the Netherlands Antilles)

1999 nr2          “Terugwerkende kracht van belastingwetgeving” (co-author Dr L.J.J.Rogier) (Retroactive force of fiscal legislation)

1999 nr 3         “Invoering Landsverordening omzetbelasting” (co-author Dr L.J.J. Rogier) (Introduction of the Sales tax)

1999 nr 1         “De Stichting Particulier Fonds” (The Private Foundation) (co-author Mr. R.O.L. Palm)

1998 nr 2         “Recente wijzigingen in de Nederlands-Antillaanse belastingwetgeving (Recent changes in Netherlands-Antilles fiscal legislation)

Boekenrecencies/Book reviews:

2010 nr 2         Jeroen Adeler en Jacques Gankema, De algemene Landsverordening Landsbelastingen in de Nederlandse Antillen

2004 nr 3         mr F.W. Lunsingh Scheurleer (Bundel onder redactie van) Nederlands-                                                         Antilliaans recht voor de bank- en financieringspraktijk. Nederlands                                                             Instituut Bank-, Verzekerings- en Effectenbedrijf

2003 nr 2      Mr. S.R. Vanenburg, mr. A. Kattouw, Het Nieuw Fiscaal Raamwerk op de Nederlandse Antillen; de Antillen als ‘nieuwe’ vestigingsplaats voor de internationale financiële dienstensector

2001 nr 4         H.F. Munneke; Recht en samenleving in de Nederlandse Antillen, Aruba en Suriname

Forfaitair

1993                “De heffing van omslag door waterschappen” (levying of taxation by waterships)

2002                “Aantekeningen bij de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (bewerking van twee artikelen uit het Tijdschrift voor Antilliaans Recht-Justicia) (edited article on formal tax law previously published in the Antilles law review)

2010                “Witwassen, inkeer en de rol van de financiele dienstverlener” (samen met mr L. Jager) (article on moneylaundering and possible penal consequences for the financial services provider) co-author)

Practical European Tax Strategies

2011                Tax planning opportunities in Curacao: linking Spanish ETVE and a Curacao NABV

Offshore Red

2011                Tax planning opportunities in Curacao: linking Spanish ETVE and a Curacao NABV



November 11, 2013

Dutch Caribbean Tax Services

WWW.MULLERTAX.COM

Your Dutch Caribbean Tax Services Specialists

thttp://www.dutchcaribbeanlegalportal.com/legal-contacts?pid=98&sid=297:Muller-and-Associates


Muller & Associates

Contact Person: Peter Muller
Phone: (005999) 737 4916
Fax: (005999) 737 4903
Website: http://www.mullertax.com
Country: Curacao
Street: Schouwburgweg 3
Email: info@mullertax.com